Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE0168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2002
Datum publicatie
14-03-2002
Zaaknummer
00/1745 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Ambtenarenwet 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/1745 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 februari 2000, nr. ABW 99/3730 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft hierop nog nader gereageerd.

Het geding is, gevoegd met twee andere gedingen tussen partijen, geregistreerd onder de nrs. 99/2710 AW en 01/4800 AW, behandeld ter zitting van 6 december 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.H.A. Wessel, advocaat te Den Haag. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.G. Castermans, eveneens advocaat te Den Haag, bijgestaan door mr. M.J. Kuipers, werkzaam bij het Ministerie van Justitie. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant, werkzaam als seniormedewerker [X.] bij gedaagdes ministerie, heeft bij brieven van 18 maart 1999 en 26 maart 1999 bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken met betrekking tot de reorganisatie van de [Y.].

1.3. Bij het bestreden besluit van 20 april 1999, zoals bekrachtigd bij besluit van 5 juli 1999, zijn namens gedaagde die bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat in geen van de door appellant genoemde gevallen sprake is van een definitieve beslissing omtrent zijn rechtspositie en zijn belangen daarbij niet rechtstreeks betrokken zijn. Appellant is er op gewezen dat hij te zijner tijd bezwaar kan maken tegen het besluit inzake zijn plaatsing.

1.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, daarbij overwegende dat gedaagde terecht tot niet-ontvankelijkheid in bezwaar heeft geconcludeerd.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Appellant heeft in de eerste plaats bezwaar gemaakt tegen een schrijven van 15 december 1998, waarbij de medewerkers van de [Y.] op de hoogte worden gebracht van de verdere procedurele afwikkeling van de in een afrondende fase belande reorganisatie van de directie. De Raad moet constateren dat dit bezwaar buiten de bezwaartermijn van zes weken is gemaakt, zodat dit reeds daarom niet-ontvankelijk was. Dit schrijven is bovendien slechts aan te merken als informatie, en niet als een besluit waardoor appellant rechtstreeks in zijn belangen is geraakt. De ongegrondverklaring van het beroep door de rechtbank is wat dit bezwaar betreft juist.

2.2.1. Het tweede bezwaar van appellant betreft het Formatierapport Bestuurszaken, dat is vastgesteld op 5 maart 1999. In dit formatierapport is onder meer bepaald of een bepaalde vóór de reorganisatie voorkomende functie een zogenoemde A of een B functie is. Appellants functie is daarbij aangemerkt als een B functie, dat wil zeggen dat zijn functie in de nieuwe situatie voor het overgrote deel terug komt. Uit het hier van toepassing zijnde Reorganisatiestatuut Ministerie van Justitie 1998 volgt dat appellant op grond daarvan niet wordt aangewezen als herplaatsingkandidaat (A-status), maar zal worden geplaatst in zijn eigen functie. Aan appellant is bij brief van 11 maart 1999 mededeling gedaan van het besluit tot toekenning van de B-status. Daarbij is hem tevens meegedeeld dat hij zijn belangstelling kenbaar mag maken voor een andere functie, doch dat zijn belangstelling pas aan de orde komt indien geen geschikte kandidaat met een A-status voor de betrokken functie heeft geopteerd.

2.2.2. De rechtbank heeft het besluit tot toekenning van de B-status gekwalificeerd als een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen geen bezwaar openstond.

2.2.3. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank niet. Naar zijn oordeel moet het in het formatieplan neergelegde besluit tot toekenning van de B-status aan appellants huidige functie, waartegen onder meer appellants bezwaar zich richtte, zoals ook ter zitting van de Raad is vastgesteld, worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, waardoor appellant rechtstreeks in zijn rechtspositie wordt geraakt. Uit dit besluit vloeit immers voort wat appellants uitgangspositie is bij het op te stellen plaatsingsplan; hij komt in beginsel niet in aanmerking voor een andere functie, tenzij blijkt dat degenen met een A-status daarvoor geen belangstelling hebben.

2.2.4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak op dit punt moet worden vernietigd, evenals het bestreden besluit. Het inleidend beroep wordt in zoverre alsnog gegrond verklaard. Nu appellant zich heeft verzet tegen inhoudelijke afdoening door de Raad, zal gedaagde inhoudelijk dienen te beslissen op dit bezwaar, met in achtneming van deze uitspraak.

2.3. Ten aanzien van appellants bezwaar tegen andere onderdelen van het Formatie-rapport alsmede tegen het besluit van 24 maart 1999 tot instelling van de Plaatsings-AdviesCommissie ten behoeve van de [Y.] onderschrijft de Raad het oordeel van gedaagde en de rechtbank dat appellants belangen door deze beslissingen als zodanig niet rechtstreeks worden geraakt. Appellant kan deze bezwaren aanvoeren in het kader van het plaatsingsbesluit.

2.4. Ten slotte heeft appellant zich verzet tegen het - naar zijn zeggen - openstellen van zijn oude functie van medewerker bij de unit [Z.]. Dit bezwaar betreft de in de personeelswijzer van 19 maart 1999 gepubliceerde vacature voor Coördinator Individuele Beleidsbeslissingen. In die publicatie is aangegeven dat op de afdeling Individuele Beleidsbeslissingen diverse werkprocessen plaatshebben, waaronder naamswijziging, gratieverzoeken, de uitvoering van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties & recherchebureaus, de Wet wapens en munitie en de Wet op de kansspelen en dat de aan te stellen coördinator met één van de werkprocessen zal worden belast; niet is vermeld welke. De vacature ziet op één van de na de reorganisatie voorkomende acht algemene functies van Coördinator Individuele Beleidsbeslissingen. De inhoud van zodanige functie komt nagenoeg overeen met de door appellant beklede functie van seniormedewerker; hij heeft op deze vacature dan ook niet gereflecteerd. Gelet hierop valt niet in te zien op welke wijze appellant in zijn belangen wordt geraakt door het besluit tot het openstellen van deze vacature. Dit bezwaar is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep nog als grief naar voren gebracht dat de directeur Bestuurszaken ter zitting van de rechtbank ten onrechte is aangemerkt als informant van gedaagde. De Raad stelt vast dat gedaagde zich ter zitting van de rechtbank heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Castermans, voornoemd, met kennelijke bijstand van de directeur, zoals in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht is voorzien. De rechtbank heeft in appellants bezwaren geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 8:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad is niet gebleken dat de rechtbank daarmee een onjuiste beslissing heeft genomen, nog daargelaten welke gevolgen daaraan verbonden zouden moeten worden, indien zulks anders zou zijn, nu bedoelde persoon niet het woord heeft gevoerd ter zitting van de rechtbank.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg ten bedrage van € 644,- en in hoger beroep ten bedrage van eveneens € 644,-, totaal groot € 1.288,-.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij ongegrond is verklaard het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar gericht tegen het in het formatieplan vastgelegde besluit tot het aanmerken van appellants functie als B-functie;

Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Gelast dat gedaagde in zoverre opnieuw op dat bezwaar beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.244,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 249,58 (voorheen f 550,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M. Pijper.

HD