Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE0165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
14-03-2002
Zaaknummer
00/5273 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 3, geldigheid: 2002-01-29
Algemene bijstandswet 4, geldigheid: 2002-01-29
Algemene bijstandswet 4, geldigheid: 2002-01-29
Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, Straatsburg, 24-11-1977 6, geldigheid: 2002-01-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/101
USZ 2002/94 met annotatie van Balkema
RSV 2002, 118
JABW 2002, 47

Uitspraak

00/5273 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Dordrecht, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht op 25 augustus 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 2001, waar voor appellant is verschenen mr. Van der Waarde, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T. Franssen, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 9 juni 1999 heeft gedaagde het bezwaarschrift ongegrond verklaard, dat namens appellant was ingediend tegen het besluit van 8 oktober 1998 tot beëindiging van de eerder naar de norm voor een alleenstaande aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 september 1998.

De in dat bezwaarschrift genoemde bezwaren waren in hoofdzaak gericht tegen de door gedaagde aangenomen gezamenlijke huishouding van appellant en [C.] (hierna: [C.]) met toepassing van artikel 3, vierde lid aanhef en onder b, van de Abw. Volgens de gemachtigde van appellant was niet voldaan aan de voorwaarde van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning en ook niet aan de tweede voorwaarde voor een gezamenlijke huishouding; dit laatste in verband met het volgende: "Cliënt heeft de dochter van mevrouw [C.] erkend doch dit houdt wel een vermoeden in dat er sprake is van elkaar over en weer verzorgen doch tegen dit vermoeden moet altijd tegenbewijs mogelijk zijn. Cliënt is van mening dat hij kan bewijzen dan wel aannemelijk kan maken dat er in het geval van hem en mevrouw [C.] geen sprake van het over en weer verzorgen is.".

Gedaagde heeft deze bezwaren verworpen, omdat beiden op hetzelfde adres woonden en omdat uit onderzoeksbevindingen tijdens een huisbezoek en uit informatie verkregen van de eigenaar van de woning onder meer was gebleken dat er geen sprake was van een eigen toegang. Indien zich een situatie zoals genoemd in artikel 3, vierde lid, van de Abw voordoet, is er, aldus gedaagde, sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden.

Naar aanleiding van het tegen het besluit van 9 juni 1999 ingediende beroepschrift heeft gedaagde er in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift onder meer op gewezen dat een eigen toegang inhoudt dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij de huurder of eigenaar zijn. Voorts is in dat verweerschrift onder meer opgemerkt:

"De Raad van State heeft in 1993 bezwaar gemaakt tegen het systeem van een onweerlegbaar rechtsvermoeden maar in een viertal situaties is het gehandhaafd omdat in die gevallen geen redelijke twijfel kan bestaan over de benoeming van een gezamenlijke huishouding. Uit de kamerstukken I 1994/95 p.26-1096 blijkt dat de minister van SZW in de Eerste Kamer het volgende heeft gezegd:

"De Raad van State heeft erop gewezen dat bekeken moet worden hoe een en ander in de praktijk gaat werken, waarbij het de vraag is of er wel voldoende gelegenheid is voor degene die zich in zijn recht aangetast voelt om over een laatste rechtsmiddel te beschikken en dat via de rechterlijke weg tot uitdrukking te brengen. Daar heeft de heer Van de Zandhulp een vraag over gesteld. Hij zei dat hetgeen geregeld wordt via het individualiseringsbeginsel in artikel 13, vierde lid, uitsluitend betrekking heeft op een bevoegdheid van B en W en dat het geen rechtmiddel is. Ik wijs hem erop dat, als B en W eenmaal tot een afwijzende beschikking zouden komen, het vervolgens aan betrokkenen vrij staat bij de rechter bezwaar aan te tekenen tegen de afwijzende beschikking. Dat is, het zij toegegeven, een wat gecompliceerde weg, maar het is niet uitgesloten dat alsnog via de rechter de redelijkheid kan worden getoetst van de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden, zoals in de wet opgenomen".

Ons inziens had het op de weg van appellant gelegen om aan te tonen dat het onredelijk is om onweerlegbaar rechtsvermoeden toe te passen.".

De rechtbank heeft het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is in die uitspraak onder meer het volgende overwogen:

"De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er sprake is van het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Abw.

In dit verband hebben verweerders blijkens de gedingstukken en overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever (Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, nr. 18, p. 87) aansluiting gezocht bij hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet individuele huursubsidie (hierna te noemen: de WIH). In de uitvoering van de WIH wordt onder een woning een zelfstandige woning verstaan, dat wil zeggen een woning, voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet en met andere woningen worden gedeeld.

Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn.

De rechtbank is met verweerders van oordeel dat niet gezegd kan worden dat eiser en mevrouw [C.] hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Eiser heeft niet aannemelijk weten te maken, gelet op de indeling van de woning en de hem ten dienste staande faciliteiten, dat hij over zelfstandige woonruimte beschikt, te meer nu noch uit de Gemeentelijke Basis administratie noch uit de daaromtrent afgelegde en onvoldoende weersproken verklaring van de eigenaar van de woning een aanknopingspunt is te vinden voor een andere conclusie.

Gelet op het vorenstaande alsmede gelet op het feit dat eiser het kind van mevrouw [C.] heeft erkend, kan geen andere conclusie worden getrokken op grond van artikel 3, vierde lid, van de Abw, dan dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Met betrekking tot eisers grief dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, onder b, van de Abw in strijd is met artikel 6 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat deze niet kan slagen.

De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Het EVRM verbiedt in beginsel geen feitelijke of wettelijke rechtsvermoedens. Verdragstaten moeten daarbij wel redelijke grenzen in acht nemen, zodat met de betrokken belangen rekening wordt gehouden en de rechten van de verdediging in stand blijven. In de onderhavige zaak betreft het niet een vervolging wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, doch het vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen van eiser in het kader van het geldend maken van een aanspraak op een uitkering ingevolge de Abw, zodat in casu artikel 6, eerste lid, van het EVRM van toepassing is. Uit artikel 3, vierde lid, van de Abw volgt slechts dat er sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden in het geval voldaan wordt aan een van de onder a tot en met d genoemde situaties en de belanghebbenden tevens hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het vermoeden moet derhalve gedragen worden door 2 objectief vast te stellen feiten. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat met het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden de grenzen van het redelijke worden overschreden, noch dat anderszins sprake is van strijdigheid met het EVRM.".

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de juistheid van deze overwegingen bestreden en voorts gesteld dat het appellant redelijkerwijs niet duidelijk is geweest dat een erkenning van een kind van invloed zou kunnen zijn op zijn recht op bijstand en bestreden dat hem valt te verwijten dat hij gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt.

De Raad, zich beperkend tot de in hoger beroep aangevoerde grieven, overweegt het volgende.

De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellant en [C.] ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, reeds omdat de woonruimte van appellant geen eigen toegang had in de zin zoals deze in de wetsgeschiedenis van artikel 3 van de Abw is verduidelijkt (Kamerstukken II 1993/1994, 22 545, nr. 18, p. 87). Uit de gedingstukken komt immers genoegzaam naar voren dat appellant zijn woonvertrekken niet kon bereiken zonder trappen en gangen te hoeven passeren waarover [C.] als verhuurster zeggenschap had.

De Raad acht voorts nog van belang dat appellant een kamer gebruikte op de tweede verdieping waar ook [C.] haar woonvertrekken had en somtijds ook de badkamer en de keuken in het woongedeelte van [C.] gebruikte.

De tweede opgeworpen grief stelt de vraag aan de orde of het in artikel 3, vierde lid, van de Abw bepaalde in overeenstemming is met de beginselen van een eerlijk proces, meer in het bijzonder met de uit artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voortvloeiende eis van "equality of arms".

Uit de ontstaansgeschiedenis van de betreffende bepaling komt naar voren dat de wetgever artikel 3, vierde (voorheen: derde) lid, van de Abw heeft ingevoerd om in een viertal situaties, waarin overduidelijk sprake is van een gezamenlijke huishouding, zonder nadere bewijsvoering - en zonder de mogelijkheid van tegenbewijs - er vanuit te kunnen gaan dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren. Het feitelijk bestaan van minstens een van deze situaties plus het feitelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning brengen mee dat de betrokken personen voor de toepassing van de Abw en de daarop berustende bepalingen materieelrechtelijk gezien als deel uitmakend van een gezin in de zin van artikel 4 onder c ten eerste of ten tweede, van die wet worden beschouwd.

Meergenoemd artikel 3, vierde lid, belet belanghebbenden niet om zowel het feitelijk bestaan van (een van) de vier daarin omschreven situaties als het daadwerkelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning te betwisten, daarvoor relevante argumenten aan te dragen en bewijzen ter onderbouwing daarvan aan de rechter te presenteren.

Die betwisting, de aangedragen argumenten en dat bewijsmateriaal kunnen vervolgens zowel in beroep als in hoger beroep volledig worden getoetst.

Uit de wetsgeschiedenis komt verder naar voren dat een eerdere registratie als partner bij een andere instantie voor betwisting vatbaar is en tot het buiten toepassing laten van die bepaling kan leiden indien de betrokkene aannemelijk kan maken dat er sprake is van een foutieve registratie.

Blijkt het geleverde bewijsmateriaal voor een en ander ten gedinge niet toereikend te zijn, dan betekent dat niet meer en niet minder dan dat de belanghebbende in die omstandigheden niet desondanks met vrucht kan stellen dat hij voor de toepassing van de Abw als alleenstaande of alleenstaande ouder moet worden beschouwd.

Bezien in het licht van hetgeen hiervoor is vastgesteld vermag de Raad daarin niet een belemmering te zien die onverenigbaar zou zijn met de uit voormelde verdragsbepaling voortvloeiende eis van "equality of arms".

De Raad merkt verder nog op dat in het kader van de Abw het mede als gehuwd aanmerken van ongehuwden die geacht worden met een ander een gezamenlijke huishouding te voeren, niet geheel uitsluit dat er situaties kunnen zijn waarin aanleiding bestaat om hieraan voorbij te zien en het recht op en de hoogte van de bijstand afwijkend vast te stellen, indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is. Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken.

De laatste te bespreken grief acht de Raad voldoende weerlegd met hetgeen gedaagde daaromtrent in het verweerschrift in hoger beroep heeft opgemerkt. De Raad volstaat hier dan ook met op te merken dat een bijstandsontvanger als appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de aanwezigheid van een eigen, in dezelfde woning wonend kind van invloed kan zijn op het recht op bijstand. De op inlichtingenformulieren steeds terugkerende vraag naar het hebben van een of meer inwonende kinderen onderstreept dit. Het verwijt van gedaagde dat appellant na de geboorte van zijn dochter deze vraag onjuist heeft beantwoord en geen informatie heeft verstrekt over de middelen van [C.] is dan ook terecht gemaakt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

AP1801