Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9988

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
99/5605 ALGEM, 99/5608 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ziektewet 3, geldigheid: 2002-01-10
Ziektewet 5, geldigheid: 2002-01-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 374

Uitspraak

99/5605 ALGEM

99/5608 ALGEM

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde] (hierna: [gedaagde]), wonende te [woonplaats]

en

[onderneming] B.V. (hierna: [ondeneming]), gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift d.d. 24 maart 2000 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 7 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens [onderneming] heeft mr. B.J.W. Geraads, belastingadviseur bij Pricewaterhouse Coopers N.V. te Eindhoven, als haar gemachtigde d.d. 21 april 2000 een verweerschrift ingediend, en is namens [gedaagde] door mr. H.G. Hilgevoord, advocaat te Rotterdam, als haar gemachtigde een verweerschrift van 22 mei 2000 ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 november 2001. Daar is appellant verschenen bij zijn gemachtigde mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde 1 is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hilgevoord, voornoemd, als zijn raadsman, en voor gedaagde 2 is verschenen haar gemachtigde mr. D.R.H.P. van Proosdij, eveneens belastingadviseur bij Pricewaterhouse Coopers N.V. te Eindhoven, en [werknemer], destijds Hoofd financiële administratie bij [onderneming].

II. MOTIVERING

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden zoals die in het bestreden besluit op bezwaar en de aangevallen uitspraak zijn weergegeven.

In dit geding is de vraag aan de orde of voor [gedaagde], directeur en enig aandeelhouder van de op 27 oktober 1995 opgerichte [onderneming I] B.V. ( hierna: [onderneming I]), ter zake van het begeleiden van de reorganisatie en het verbeteren van het kennisniveau van de afdeling informatievoorziening van [onderneming], welke werkzaamheden hij op contractbasis voor [onderneming] heeft verricht in de periode van 1 oktober 1995 tot en met 31 december 1996, terecht verzekeringsplicht is aangenomen op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, dan wel op grond van artikel 5 van vorengenoemde wetten, juncto artikel 5 van het koninklijk besluit d.d. 24 december 1986, Stb. 1986, 655, en deswege over die periode terecht premies zijn vastgesteld.

De rechtbank heeft deze vragen in ontkennende zin beantwoord, gegrondvest op het oordeel dat er voldoende materiële indicaties uit het dossier naar voren komen op grond waarvan het niet aannemelijk is dat er sprake is geweest van een verplichting tot loonbetaling en tevens dat er niet duidelijk sprake was van een gezagsverhouding.

De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige arbeidsverhouding eerder de kenmerken heeft van een overeenkomst tot opdracht, welke het aannemen van verzekeringsplicht op de subsidiaire grond in de weg staat.

In het hoger beroep heeft appellant benadrukt dat er naast de verplichting tot loonbetaling met name sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen [gedaagde] en [onderneming] en heeft zich daarbij beroepen op de tekst en de strekking van de bepalingen van de betrokken samenwerkingsovereenkomst. Het element van gezagsverhouding staat eveneens in de weg aan het aannemen van een overeenkomst tot opdracht.

De Raad overweegt te dien aanzien het volgende.

Vooropgesteld wordt dat aan de duidelijke tekst en strekking van de bepalingen van de betrokken samenwerkings- overeenkomst bij gemis van genoegzame aanknopingspunten dat in de praktijk anders is gehandeld, in beginsel zwaarwegende betekenis dient te worden toegekend. Indien hiervan wordt uitgegaan, kan uit de overeenkomst de te ontvangen vergoeding van f 1400,-- per dag op basis van 8 uur, welke op maandelijkse basis wordt gefactureerd, voor het afhandelen van een opdracht wel degelijk als beloning in de zin van een tegenprestatie voor de ook steeds van [gedaagde] persoonlijk verlangde en ook metterdaad verrichte werkzaamheden worden beschouwd.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is, naast de verplichting van persoonlijke arbeidsverrichting en loonbetaling, tevens vereist dat [ge[gedaagde] werkzaam is geweest onder gezag van [onderneming].

Van de zijde van gedaagden is met name betoogd dat appellant bij zijn oordeel dat sprake was van een gezagsrelatie tussen [gedaagde] en [onderneming], de ter zake dienende feiten en omstandigheden heeft miskend.

Daartoe is, samengevat weergegeven, naar voren gebracht dat de regels, voorschriften en dergelijke waaraan [gedaagde] zich dient te houden, het karakter hebben van organisatorische afspraken die een ieder die zich op het bedrijfsterrein van [onderneming] begeeft, in acht zal moeten nemen; dat hetzelfde gezegd kan worden ten aanzien van de voortgangs- rapportage. Het is immers volstrekt normaal en usance van leveranciers te verlangen dat een dergelijke rapportage periodiek wordt verstrekt wanneer het gaat om projecten waarmee grote bedragen zijn gemoeid.

Ter zitting van de Raad is vanwege [ge[gedaagde] daarbij tevens naar voren gebracht dat [onderneming I] in principe zijn eigen contracten opstelt, maar dat op verzoek van [onderneming] voor de periode hier in geding dit werd vervangen door een bijzonder contract. Per 1 januari 1997 heeft [ge[gedaagde] met [onderneming] een beter contract gesloten en appellant heeft met de premiebeslissing van 1 juli 1998 inmiddels ook erkend dat [gedaagde] sinds 1 januari 1997 als zelfstandige zijn activiteiten verricht, terwijl in de feitelijke situatie met [onderneming] geen veranderingen zijn opgetreden.

Met betrekking tot het ontbreken van iedere vorm van toezicht en gezag is voorts vanwege [gedaagde] gewezen op een derde rapport van de looninspecteur J. van Middelkoop d.d. 24 februari 1998, waaruit ook naar voren komt dat de activiteiten van [gedaagde] namens [onderneming I] in feite vanaf 1996 dezelfde zijn gebleven, maar dat alleen inmiddels het contract tussen [onderneming I] en [onderneming] enigszins is aangepast. De looninspecteur verbindt hieraan zijn conclusie dat de artikelen 3 tot en met 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten niet zijn te stellen en dat [onderneming I] in ieder geval vanaf 1 januari 1997 als een zelfstandige onderneming moet worden gezien.

Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel, daarbij doorslaggevende betekenis toekennend aan de omstandigheid dat de activiteiten van [gedaagde] voor [onderneming] vanaf 1996 niet zijn veranderd, maar alleen de inhoud van het nieuwe contract, en dat op grond daarvan per 1 januari 1997 wel van een zelfstandige onderneming wordt uitgegaan, dat in casu metterdaad onvoldoende is komen vast te staan dat in de periode hier in geding sprake is geweest van werkgeversgezag tegenover [gedaagde].

Hieruit volgt dat de Raad met de rechtbank tot de eindconclusie komt dat verzekeringsplicht en premieplicht niet kunnen worden aangenomen op de primair door appellant gehanteerde grond.

Evenmin kan de Raad doorslaggevende argumenten vinden voor het aanwezig achten van een fictieve dienstbetrekking op grond waarvan verzekeringsplicht zou kunnen worden aangenomen.

In dat verband is de vraag aan de orde of in casu sprake was van duidelijke kenmerken van zelfstandigheid.

In de visie van appellant was hiervan geen sprake, omdat [gedaagde], hoewel hij meerdere opdrachtgevers had, voor het grootste gedeelte van zijn inkomsten afhankelijk was van de werkzaamheden die hij voor [onderneming] verrichtte en derhalve economisch in grote mate afhankelijk was van [onderneming]; dat [gedaagde] gebruik maakte van de bedrijfsmiddelen van [onderneming] en tevens beschikte over een kamer in het pand van [onderneming].

In dat kader overweegt de Raad dat de omstandigheid dat [ge[gedaagde] in de periode in geding een belangrijk deel van zijn omzet genereerde bij [onderneming], weliswaar tot op zekere hoogte enige aanwijzing vormt voor het ontbreken van zelfstandigheid, doch dat daarbij tevens betrokken moet worden dat [gedaagde] sinds eind oktober 1995 [onderneming I] heeft opgericht en dat het in dit geval te ver voert bij een potentiële zelfstandige in het eerste jaar van het bestaan van de B.V. geen zelfstandigheid aan te nemen bij slechts één grote opdrachtgever. Het ondernemersrisico was enigermate beperkt, maar afwezig was dat risico stellig niet.

Gelet op de aard en de inhoud van de werkzaamheden, kan [gedaagde] een gebrek aan investeringen niet tegengeworpen worden, omdat voor de uitvoering van die werkzaamheden het gebruik van de computers in het pand van [onderneming] aangewezen was. Nu er voorts sprake is van inschrijving bij de Kamer van Koophandel, van het voeren van een eigen boekhouding en het maken van reclame, en nu [ge[gedaagde] een eigen handelsnaam heeft en een beroepsaan- sprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten, komt de Raad, alles overziende tot de slotsom dat [gedaagde] wel in de zelfstandige uitoefening van een bedrijf zijn werkzaamheden voor [onderneming] heeft verricht.

Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen.

De Raad acht termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagden. Deze worden begroot voor gedaagde 1 op € 644,-- en voor gedaagde 2 eveneens op € 644,--.

Van andere te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.

Ten slotte stelt de Raad op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet vast dat van appellant een griffierecht van € 327,-- dient te worden geheven.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep tot een bedrag van elk € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituuut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 327,--.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2002.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.H. Huls.