Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
99/3308 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, geldigheid: 2002-01-22
Ziektewet 45, geldigheid: 2002-01-22
Ziektewet 45, geldigheid: 2002-01-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/86

Uitspraak

99/3308 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 23 oktober 1998 heeft gedaagde appellant kennis gegeven van zijn op bezwaar genomen besluit betreffende de weigering van ziekengeld op grond van artikel 45, eerste lid aanhef en onder j, van de Ziektewet.

De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 17 mei 1999 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, op de in het beroepschrift aangevoerde gronden van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 6 april 2001 een vraag van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 december 2001, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J.H. Steeghs, werkzaam bij Uwv Gak.

II. MOTIVERING

Van toepassing zijn de bepalingen van de Ziektewet (ZW) zoals deze luidden ten tijde in geding.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden, welke hij als vaststaande aanneemt.

Appellant, geboren in 1954, is op 1 november 1997 als banenpooler in dienst getreden bij de [werkgever] in de functie van conciƫrge. Bij brief van 4 december 1997 heeft de [werkgever] appellant per 2 december 1997 op staande voet ontslagen. Als reden van het ontslag is genoemd dat appellant zich niet heeft gehouden aan de regels van het ziekteverzuimbegeleidingsplan.

Ter zake komt uit de brief van de [werkgever] en de overige stukken naar voren dat appellant van 10 tot en met 13 november 1997 zonder afmelding niet op zijn werk is gekomen en evenmin gehoor gaf aan een oproep van 10 november 1997 om daags daarop het werk te hervatten. Van de zijde van de [werkgever] zijn met appellant bij diens werkhervatting op 17 november 1997 en later nogmaals in een gesprek op 25 november 1997 de regels van het ziekteverzuimbegeleidingsplan besproken. Appellant heeft zich vervolgens op 28 november 1997 telefonisch ziek gemeld. Bij die gelegenheid is met hem afgesproken dat hij op 1 december 1997 de bedrijfsarts zou bezoeken, indien hij die dag zijn werk nog niet zou hervatten. Op 28 november 1997 kreeg de controleur van de Arbo-dienst van de [werkgever] bij een bezoek aan huis geen gehoor. Appellant reageerde niet op de bij die gelegenheid achtergelaten oproep en verscheen niet op de afspraak op 1 december 1997. Bij brief van 1 december 1997 van de [werkgever] is appellant gewaarschuwd dat het bij herhaling niet voldoen aan de regels van het ziekteverzuimbegeleidingsplan kan leiden tot ontslag op staande voet, en opgeroepen om zich op 2 december 1997 te melden bij de bedrijfsarts. Appellant heeft zonder bericht niet aan deze oproep voldaan.

Appellant heeft op 30 december 1997 ziekengeld aangevraagd. Bij het - na bezwaar gehandhaafde - besluit van 23 januari 1998 heeft gedaagde het ziekengeld met toepassing van artikel 45 van de ZW en het Maatregelenbesluit ex artikel 45 lid 5 van de ZW blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid aanhef en onder j, van de ZW heeft gepleegd.

De rechtbank heeft de in dit geding aan de orde zijnde vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden blijkens de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord.

In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat appellant in de periode waarin hij volgens gedaagde onvoldoende actie zou hebben genomen c.q. onvoldoende zou hebben gereageerd op oproepen van de zijde van de werkgever hiertoe niet in staat is geweest. In dit verband is een verklaring van appellants huisarts A.T.J. Verijdt overgelegd, waarin deze aangeeft dat appellant in de periode van eind 1997 / begin 1998 ziek was in de zin dat hij fors alcoholgebruik had en maagklachten en dat hij hierdoor niet in staat zal zijn geweest de juiste instanties te raadplegen.

De Raad stelt vast dat appellant genoegzaam bekend was met de inhoud van het ziekteverzuimbegeleidingsplan en dat hij door zijn werkgever is gewaarschuwd dat in geval van herhaald niet nakomen van de regels van dit plan ontslag op staande voet kan volgen. Vast staat voorts dat appellant zich desondanks opnieuw niet aan deze regels heeft gehouden en op die grond op staande voet is ontslagen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant door deze handelwijze een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid aanhef en onder j, van de ZW gepleegd in die zin dat hij zijn recht op loondoorbetaling heeft prijsgegeven nadat het ongeschiktheidsrisico is ingetreden met als gevolg dat het loon tijdens die arbeidsongeschiktheid niet langer door de werkgever, maar door gedaagde uit het wachtgeldfonds moet worden vergoed.

Naar aanleiding van hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking de controle op zijn huisadres alsmede de late ontvangst van de brief van 1 december 1997 wijst de Raad erop dat, wat hiervan ook zij, appellant in elk geval zonder bericht de afspraak niet is nagekomen om op 1 december 1997 op het spreekuur van de bedrijfsarts te komen en na ontvangst van de schriftelijke oproep van 1 december 1997 om op 2 december 1997 op het spreekuur te verschijnen in het geheel geen contact met de bedrijfsarts heeft opgenomen.

Aangezien de gedingstukken geen aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat iedere verwijtbaarheid ter zake van voornoemde gedraging van appellant ontbreekt, was gedaagde in beginsel gehouden een maatregel op te leggen.

De Raad stelt vast dat het in het onderhavige geval gaat om een gedraging als bedoeld in de vijfde categorie, ten 30, van het op artikel 45, vijfde lid, van de ZW berustende Maatregelenbesluit Tica, waarbij afhankelijk van de ernst van de gedraging de hoogte en de duur van de maatregel 20% gedurende 16 weken, 30% gedurende 26 weken of de hele uitkering over de volledige uitkeringsduur bedraagt.

De Raad ziet op grond van de beschikbare gegevens geen grond om te oordelen dat gedaagde gezien de ernst van de gedraging tot een andere maatregel dan weigering van de gehele uitkering gedurende de volledige uitkeringsduur had moeten overgaan, dan wel dat de mate van verwijtbaarheid voor gedaagde aanleiding had moeten zijn om met toepassing van artikel 7, tweede lid onder f, van het Maatregelenbesluit Tica een lagere maatregel op te leggen dan de bij het bestreden besluit opgelegde maatregel van gehele weigering van ziekengeld over de periode van ongeschiktheid tot werken.

Hetgeen namens appellant is aangevoerd met betrekking tot de toerekenbaarheid van zijn gedragingen heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Voorzover al kan worden gezegd dat appellant ten tijde in geding reeds kampte met een alcoholverslaving en daarmee samenhangende klachten, is onvoldoende komen vast te staan dat hij als gevolg hiervan niet in staat is geweest om adequaat te reageren op telefoontjes en brieven van zijn werkgever. Naar het oordeel van de Raad was dan ook geen sprake van verminderde verwijtbaarheid die voor gedaagde aanleiding had moeten zijn om een lichtere maatregel op te leggen.

De Raad is evenmin gebleken van dringende redenen op grond waarvan aan gedaagde de bevoegdheid toekwam om met toepassing van artikel 45, derde lid, van de ZW van het opleggen van een maatregel af te zien.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in stand kan blijven en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht te slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D. J.van der Vos en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2002.

(get.) Ch. Van Voorst

(get.) J. Verrips

AF