Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
98/8542 AAW/WAO+ 98/8543 AAW/WAO+ 98/8544 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 45, geldigheid: 2002-01-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 134

Uitspraak

98/8542 + 98/8543 + 98/8544 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen.

Bij besluit van 4 december 1996 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de uitkeringen van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 februari 1986 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit 1 heeft gedaagde voorts deze aldus herziene en nader vastgestelde uitkeringen met ingang van 1 mei 1990 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van die datum minder dan 25 respectievelijk 15% was.

Bij besluit van eveneens 4 december 1996 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde van appellant de aan hem over de periode 25 september 1991 tot 1 augustus 1996 op grond van zijn toedoen teveel en/of ten onrechte betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering ten bedrage van f 89.575,82 (bruto + overhevelingstoeslag, hierna: € 40647,73) teruggevorderd. Voorzover geen sprake zou zijn van toedoen heeft gedaagde aan de terugvordering subsidiair ten grondslag gelegd dat appellant in ieder geval vanaf 25 september 1993 de onverschuldigde betaling redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest en heeft gedaagde voor dat geval de terugvordering beperkt tot "netto + premies sv".

Bij besluit van andermaal 4 december 1996 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde ter zake van onverschuldigde betaling van appellant ook teruggevorderd de door hem ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering over de periode van 1 augustus 1996 tot 1 december 1996 ten bedrage van f 5.568,85 (bruto + overhevelingstoeslag, hierna: € 2527,03), waarop gedaagde in verband met interne verrekening de premies sociale lasten ten bedrage van f 224,44 (hierna: € 101,85) in mindering heeft gebracht.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 26 oktober 1998, verzonden 2 november 1998, de bij brieven van 31 december 1996 namens appellant tegen de besluiten 1, 2 en 3 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft mr. L.F. Delfgaauw, advocaat te Hoofddorp, namens appellant op bij beroepschrift van 11 december 1998 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld. Bij brief van 28 april 1999 heeft deze gemachtigde de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 april 2001 heeft gedaagde een vraag van de fungerend president van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 december 2001, waar appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.M.J. Evers, destijds werkzaam bij GAK Nederland B.V.

II. MOTIVERING

De voor de beoordeling van dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden zijn in de aangevallen uitspraak uitgebreid en, gelet op de gedingstukken, met juistheid weergegeven. Deze komen er in essentie op neer dat appellant naar aanleiding van zijn uitval op 19 september 1977 uit zijn werk in loondienst als vertegenwoordiger in automaterialen met ingang van 20 september 1978 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO genoot, welke werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sedert 1 februari 1986 werkte appellant als vertegenwoordiger bij

[X.] B.V. voor aanvankelijk 8 à 10 uur per week en vanaf 1 juni 1990 voor ongeveer 20 uur per week, hetgeen per 1 juni 1990 leidde tot herziening van de uitkeringen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In het rapport van de Opsporingdienst GAK, Regio [Y.] van 18 juli 1996 is aangegeven dat appellant deze werkzaamheden en de daarmee samenhangende verdiensten aan gedaagde meldde met uitzondering van een vanaf de indiensttreding bij [X.] door appellant van deze werkgever per week contant ontvangen bedrag aan provisie van f 250,- (€ 113,44) netto. Naar aanleiding hiervan heeft de uitvoeringsinstelling van gedaagde appellant bij brief van 25 september 1996 besluitvorming inzake terugvordering aangekondigd en heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 9 oktober 1996 als gevolgen hiervan voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend en vastgesteld, dat deze vanaf 1 februari 1986 25 tot 35% bedroeg en vanaf 1 mei 1990 minder dan 25 respectievelijk 15%. Hierop heeft gedaagde de besluiten 1, 2 en 3 genomen.

In beroep heeft de gemachtigde van appellant ter zitting van de rechtbank op 16 april 1998 naar voren gebracht dat aan besluit 1 een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ontbreekt. Voorts heeft de gemachtigde gesteld dat de betaling van f 250,- per week een vergoeding betrof voor het klantenbestand dat appellant bij zijn indiensttreding bij [X.] inbracht en geen arbeidsinkomen is. Verder heeft hij ten aanzien van dit bedrag subsidiair gesteld dat de arbeidsdeskundige dit bedrag in zijn rapport van 29 juli 1997 ten onrechte heeft gebruteerd. In dit verband heeft hij er op gewezen dat er geen afspraak bestond tussen appellant en [X.] dat dit bedrag een netto-betaling zou zijn en dat door hen op 27 juni 1996 een overeenkomst is gesloten volgens welke zij zich realiseren dat over de betalingen van f 250,- belasting en sociale premies had moeten worden betaald, welke appellant, naar de gemachtigde ter even genoemde zitting stelde, vooralsnog over 1994, 1995 en een deel van 1996 alsnog aan [X.] zal betalen, die dit zal afdragen aan de belastingtingdienst en gedaagde. Volgens de gemachtigde ging het derhalve om een bruto-betaling.

In de aangevallen uitspraak zijn de stellingen van de gemachtigde van appellant met betrekking tot de betaling door [X.] aan appellant van f 250,- per week uitvoerig gemotiveerd verworpen en zijn vervolgens de beroepen tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zijn stellingen met betrekking tot de betreffende betaling in essentie herhaald en nader toegelicht.

De Raad stelt voorop dat hij, gelet op de gedingstukken, de ingangsdatum 1 mei 1990, welke in besluit 1 is vermeld voor de intrekking van de uitkeringen van appellant ingevolge de AAW en de WAO als een kennelijke verschrijving zal beschouwen. Uit rapportages aan gedaagde uit juni 1990 blijkt immers reeds dat appellant in plaats van met ingang van 1 mei 1990 eerst met ingang van 1 juni 1990 meer uren is gaan werken bij [X.] en dat toen de aanpassing van de uitkeringen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% ook naar laatst bedoelde datum is verschoven.

Wat betreft besluit 1 zal de Raad dan ook de intrekkingsdatum van de uitkeringen dienovereenkomstig lezen.

Met betrekking tot de betaling door [X.] van f 250,- per week aan appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat hier sprake is van netto inkomsten uit arbeid. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant het standpunt dat hier sprake is van vergoeding voor de inbreng van klanten bij zijn indiensttreding bij [X.] niet met enig bewijs heeft gestaafd en dat dit standpunt ook geen bevestiging vindt in de door de rechtbank aangehaalde passages uit verklaringen van appellant, zoals die zijn weergegeven in het rapport van de opsporingsdienst van gedaagde van 18 juli 1996 en door appellant zijn ondertekend. In deze passages komt uitdrukkelijk naar voren dat sprake is van een wekelijkse provisie van f 250,- netto.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank eveneens met juistheid overwogen dat gedaagde op goede gronden tot brutering van dit bedrag is overgegaan en met het oog hierop terecht heeft gewezen op 's-Raads uitspraak van 6 december 1996, gepubliceerd in RSV 97/75, welke anders dan de arresten van de Hoge Raad van 4 mei 1994, gepubliceerd in RSV 1995, nrs. 10 en 11, ter zake van de uitleg van het loonbegrip in artikel 4 van de Coördinatiewet sociale verzekeringen, betrekking heeft op het begrip "inkomsten uit arbeid" in de zin van de destijds geldende artikelen 34 van de AAW en 45 van de WAO. Gegeven de samenhang tussen een daadwerkelijke schatting en een korting op basis van de zogenaamde fictieve schatting op grond van deze wetten, zoals die onder andere tot uitdrukking komt in 's-Raads uitspraak van 21 januari 2000, gepubliceerd in RSV 2000/62, ziet de Raad met de rechtbank niet in dat terzake van de artikelen 5, eerste lid, van de AAW en 18, eerste lid, van de WAO, zoals deze ten tijde in geding golden, een ander inkomstenbegrip zou moeten worden gehanteerd dan bij de evengenoemde kortingsartikelen. Aan de door de gemachtigde van appellant vermelde overeenkomst kent de Raad niet die betekenis toe welke de gemachtigde daaraan gegeven zou willen zien. Deze overeenkomst is opgesteld enkele dagen nadat appellant blijkens een telefoonrapport van gedaagde van 21 juni 1996 had meegedeeld dat hij zonder daarvan opgave te hebben gedaan sedert zijn indiensttreding bij [X.] f 250,- per week netto extra kreeg en wijkt in zoverre ook af van de hiervoor reeds vermelde verklaringen van appellant omtrent de betreffende betaling. Deze overeenkomst lijkt zich overigens, afgaande op de eerder genoemde pleitnota van de gemachtigde van appellant, in eerste instantie te beperken tot de jaren vanaf 1994.

De Raad merkt ten aanzien van besluit 1 nog op dat, zoals ter zitting ter sprake is gekomen, aan besluit 1 niet een medische beoordeling van appellant met het oog op het kunnen vaststellen van de passendheid van de werkzaamheden bij [X.] op 1 februari 1986 en 1 juni 1990 ten grondslag is gelegd. Wel is in het dossier aanwezig een rapport van de verzekeringsgeneeskundige van 28 maart 1990, waarin - naar aanleiding van appellants toen geuite voornemen zijn werkzaamheden bij [X.] uit te breiden - is geconcludeerd dat hij in staat moet worden geacht arbeid te verrichten voor halve dagen en dat werken op provisiebasis thans nog gecontraïndiceerd lijkt. Wat hier ook van zij, de gang van zaken met betrekking tot de werkzaamheden bij [X.] heeft laten zien dat appellant vele jaren en wel aanvankelijk voor 8 à 10 uur per week en met ingang van 1 juni 1990 voor 20 uur per week mede op provisiebasis werkzaam is geweest. Aan evenbedoeld gebrek ten aanzien van besluit 1, voor zover daarvan al, gezien het rapport van 28 maart 1990 en de toen al bestaande situatie ten aanzien van de provisie, zou moeten worden gesproken met betrekking tot de intrekking bij besluit 1 van de uitkeringen van appellant met ingang van 1 juni 1990, gaat de Raad dan ook in dit geval voorbij.

Voor een vernietiging van besluit 1 ziet derhalve ook de Raad geen aanleiding.

Voor het overige onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank met juistheid ten aanzien van de besluiten 2 en 3 heeft overwogen betreffende de bevoegdheid om in de onderscheiden perioden voor en na 1 augustus 1996 te besluiten tot terugvordering, alsmede het gebruikmaken van die bevoegdheid, onderscheidenlijk de verplichting daartoe en wat dit laatste betreft de afwezigheid van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, waarbij de Raad aantekent dat van de zijde van appellant in hoger beroep geen uitdrukkelijke bezwaren tegen deze besluiten meer naar voren zijn gebracht.

Voor een vernietiging van de besluiten 2 en 3 ziet de Raad derhalve evenmin aanleiding.

Uit al het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.B.M. Vermeulen.