Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
01/6028 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81, geldigheid: 2002-01-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 161

Uitspraak

01/6028 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [X.], verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. INLEIDING

Verzoeker heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 oktober 2001, nr. 99/795 AW P09 G03. Daarbij heeft verzoeker tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de werking van de uitspraak wordt geschorst totdat op het hoger beroep zal zijn beslist.

Desgevraagd is van de zijde van gedaagde gereageerd op dit verzoek.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 januari 2002, waar voor verzoeker zijn verschenen mr. J.P. Wind en H.A. Lazet, beiden werkzaam bij de gemeente [X.]. Gedaagde is in persoon verschenen met bijstand van mr. A.F. van den Berg, werkzaam bij het Bureau voor Rechtshulp te Emmen.

II. MOTIVERING

1.1. Gedaagde was werkzaam als WVG-consulente in dienst van de gemeente [X.]. Op 29 maart 1995 is zij vanwege een auto-ongeval arbeidsongeschikt geworden. Als gevolg van dit ongeval heeft zij diverse klachten zoals hoofdpijn, nekklachten, vermoeidheid en concentratiestoornissen. Nadat zij gedurende enige tijd haar werkzaamheden gedeeltelijk en op arbeidstherapeutische basis had hervat is zij op 1 april 1997 volledig uitgevallen.

1.2. Op verzoek van de bedrijfsarts heeft het Psychologisch Adviesbureau Lanceé op 5 september 1997 een rapport uitgebracht. Mede op grond van dit rapport heeft de bedrijfsarts J.W.G. Jansen gedaagde met ingang van 5 november 1997 volledig arbeidsgeschikt verklaard, met de kanttekening dat zij ongeschikt is voor haar eigen functie.

1.3. Bij besluit van 27 januari 1999 is gedaagde, met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR), met ingang van 1 april 1999 eervol ontslag verleend uit haar functie. Daarbij is overwogen dat er bij gedaagde op grond van de adviezen van de bedrijfsarts en het rapport van Psychologisch Adviesbureau Lanceé sprake is van arbeidsongeschiktheid op situationele gronden en dat terugkeer binnen de gemeentelijke organisatie niet mogelijk is. Bij dat besluit is tevens aan gedaagde een wachtgelduitkering toegekend. Verzoeker heeft dat besluit, na namens gedaagde gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 13 oktober 1999.

1.4. In beroep is namens gedaagde verzocht het bestreden besluit te vernietigen doch de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten, onder toekenning van een schadevergoeding van tien maandsalarissen te vermeerderen met vakantietoeslag. Volgens gedaagde heeft de gemeente [X.] onzorgvuldig gehandeld, omdat onvoldoende pogingen zijn gedaan om haar te reïntegreren en had om die reden geen ontslag mogen plaatsvinden zonder daaraan een schadevergoeding te verbinden.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak, zulks met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank had verzoeker het ontslag niet zonder meer mogen baseren op artikel 8:6 van de CAR en was hij in de gegeven omstandigheden gehouden om een medisch onderzoek te laten verrichten, dat voldeed aan de eisen welke daaromtrent zijn gesteld in artikel 8:5 van de CAR, teneinde vast te stellen of de ongeschiktheid van gedaagde al dan niet een medische oorzaak had. De rechtbank zag geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

1.6. Het verzoek van verzoeker strekt tot schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak. Partijen hebben de voorzieningenrechter ter zitting verzocht om, gezien het reeds langlopende arbeidsconflict, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

2.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt in een geval als het onderhavige mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. In dat verband dient te worden aangetekend dat voorzover in deze procedure een oordeel wordt gegeven met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak, dat oordeel een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de beslissing in de hoofdzaak.

2.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op grond van de aangevallen uitspraak gehouden is om alsnog met toepassing van artikel 8:5, vijfde lid, van de CAR een medisch onderzoek te laten verrichten naar de vraag of er bij gedaagde sprake is geweest van ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden en of herstel niet binnen een periode van 6 maanden na die periode was te verwachten. Bij bevestigende beantwoording van die vragen is verzoeker vervolgens gehouden tot het verrichten van een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek binnen de openbare dienst van de gemeente [X.], zoals bedoeld in artikel 8:5, tweede lid, aanhef en onder c van de CAR.

2.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat gedaagde het niet reëel acht weer een werkkring bij de gemeente [X.] te aanvaarden, zich bij het ontslag heeft neergelegd en geen behoefte heeft aan het door de rechtbank beoogde medisch onderzoek voor de vaststelling of wel ontslag op grond van artikel 8:6 van de CAR mogelijk was. Gedaagde heeft te kennen gegeven er alleen belang bij te hebben dat verzoeker erkent dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om haar te reïntegreren en haar deswege schadevergoeding toekent. Nu de aangevallen uitspraak verzoeker evenwel juist niet verplicht daaromtrent te besluiten, heeft gedaagde naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen belang bij uitvoering van de aangevallen uitspraak.

2.4. De voorzieningenrechter acht het bovendien niet uitgesloten dat de Raad in de hoofdzaak verzoekers stelling zal onderschrijven dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden, nu gedaagde de door verzoeker gehanteerde ontslaggrond in beroep niet heeft bestreden maar uitsluitend heeft gesteld dat verzoeker geen ontslag had mogen verlenen zonder toekenning van een schadevergoeding. Verzoeker kan daarom niet worden ontzegd dat hij er belang bij heeft de aangevallen uitspraak hangende het hoger beroep niet uit te voeren.

2.5. Beantwoording van de vraag of de rechtbank inderdaad buiten de omvang van het geding is getreden, vergt een verdergaande beoordeling dan in de onderhavige procedure mogelijk is. Dat geldt ook voor de beoordeling van het kernpunt van het geschil in de visie van partijen, dat neerkomt op de vraag of verzoeker ontslag had mogen verlenen zonder gedaagde een schadevergoeding toe te kennen. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om gebruik te maken van zijn in artikel 8:86 van de Awb neergelegde kortsluitingsbevoegdheid, zoals door partijen was verzocht.

3. Op grond van het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor toewijzing van het verzoek van verzoeker om met toepassing van artikel 8:81 van de Awb de werking van de aangevallen uitspraak schorsen.

4. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande tevens aanleiding te bepalen dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht terugbetaalt. Hij acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb en beslist derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Schorst de werking van de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de griffier aan de gemeente [X.] het door verzoeker betaalde griffierecht van € 306,30 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.H. van Kreveld, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2002.

(get.) J.H. van Kreveld.

(get.) A.W.M. van Bommel.

JvS

1701