Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2002
Datum publicatie
11-06-2002
Zaaknummer
01/2728 APPA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, geldigheid: 2002-01-10
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2002-01-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2003/72

Uitspraak

01/2728 APPA

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [X.], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [X.], verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Eiser heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 6 juni 2000, kenmerk P en O/SM/0002660, door verweerder te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders der gemeente Hilvarenbeek (hierna: de Verordening).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2001, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Morel, werkzaam bij de gemeente [X.], met bijstand van R.M.J. den Boer, werkzaam bij VB Deloitte en Touche, als deskundige.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 5 juni 1998 heeft verweerder ingaande 7 juni 1998 aan eiser, voormalig wethouder van de gemeente tot in april 1994, wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd een pensioen ingevolge de Verordening toegekend. Daarbij is de wachtgeldperiode van 12 april 1994 tot 1 januari 1995 niet als voor pensioen geldige tijd aangemerkt, onder restitutie van de over die periode ingehouden pensioenpremie.

Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar, voorzover nu nog van belang inhoudende dat ten onrechte genoemde wachtgeldperiode buiten de pensioenberekening is gehouden, is bij het nu bestreden besluit ongegrond verklaard.

In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit in rechte kan

standhouden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Vaststaat dat het niet aanmerken van meergenoemde wachtgeldperiode als voor pensioen geldige tijd in overeenstemming is met de Verordening zoals die geldt voor de desbetreffende periode. Eiser betwist dit in beroep op zichzelf ook niet, maar naar de opvatting van eiser heeft verweerder door over die periode destijds wel pensioenpremie in te houden bij hem de in rechte te honoreren verwachting gewekt dat die periode wel zou meetellen. Dit klemt volgens eiser temeer nu de onderhavige pensioenregels moeilijk toegankelijk zijn en de algemene voorlichting terzake door of namens verweerder schromelijk is tekortgeschoten. Tengevolge van een en ander heeft hij verzuimd om aanvullende pensioenmaatregelen te nemen, zodat hij nu een pensioentekort heeft, aldus eiser.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de premieheffing over de onderhavige wachtgeldperiode heeft berust op een administratieve onvolkomenheid en dat, gegeven de op zich duidelijke regel terzake in de Verordening, niet rechtens aan die fout de door eiser gestelde verwachting kan worden ontleend. Dit klemt volgens verweerder temeer nu eiser als wethouder bij diverse gelegenheden betrokken is geweest bij voorstellen aan de gemeenteraad tot wijziging van de Verordening. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat het in de periode vóór 1995 in het algemeen nog niet zo gebruikelijk was om - zoals thans wel - actieve voorlichting over pensioenen te geven.

De Raad kan zich met deze zienswijze van verweerder verenigen. Ook de Raad kan niet enkel aan de foutieve premieheffing de, vergaande, gevolgtrekking verbinden dat verweerder rechtens gehouden is om in strijd met op dit punt geldende, niet voor tweeërlei uitleg vatbare algemeen verbindende voorschriften de onderhavige periode als voor pensioen geldig aan te merken. De Raad moet verder vaststellen dat eiser ook zelf kennelijk heeft verzuimd zich doeltreffend op de hoogte te stellen van de voor hem geldende pensioenregeling. Hoezeer actieve voorlichting door pensioeninstellingen op zich wenselijk en noodzakelijk is - naar heden ten dage ook steeds breder wordt ingezien - , altijd zal het mede op de weg van de belanghebbende zelf blijven liggen om zich ten aanzien van zijn individuele pensioensituatie voldoende te informeren.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden. Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

HD

07.01