Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
99/5829 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering 16b, geldigheid: 2002-01-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/90
AB 2002, 140

Uitspraak

99/5829 CSV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[X.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is op de gronden, uiteengezet in haar beroepschrift van 25 november 1999, (hierna: de rechtbank) op

29 oktober 1999 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Vanwege gedaagde is onder dagtekening 25 januari 2000 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 november 2001, waar namens appellante is verschenen haar directeur [werkgever], bijgestaan door mr. L.R.T. Peeters, advocaat te Dordrecht.

Gedaagde heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Amsterdam.

II. MOTIVERING

A. Omtrent de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt het volgende overwogen.

1. Bij besluit van 28 december 1992 heeft gedaagde onder toepassing van - onder meer - het bepaalde in artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) appellante hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een premieschuld van

ƒ 301.610,78 (€ 136.865) van het gefailleerde bedrijf B. van den Berg Onderhoudsbedrijf te 's-Gravenhage (hierna: VBO), betreffende de jaren 1987 en 1988, welk bedrijf in onderaanneming werkzaamheden heeft verricht voor appellante.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 november 1994 het beroep van appellante tegen evengenoemd besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij deze uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen en beslist:

a) Niet in geschil is dat VBO in 1987 en 1988 in onderaanneming werkzaamheden voor appellante heeft verricht, dat VBO toen het bedrijf failliet ging een premieschuld had van ƒ 418.765,43 (€ 190.027,46), noch dat appellante als aannemer hoofdelijk aansprakelijk is voor deze premieschuld.

b) De grief dat het verband tussen de bij appellante te werk gestelde werknemers van VBO en de niet betaalde premies ontbreekt, kan niet slagen, aangezien uit artikel 16b CSV volgt dat bij gebreke van een deugdelijke administratie bij de onderaannemer het aan de aannemer is aan de hand van gegevens uit zijn administratie aan te tonen dat een dergelijk verband ontbreekt. Appellante is er niet in geslaagd dit aannemelijk te maken.

c) Aangezien het, wegens het ontbreken van een deugdelijke loonadministratie bij VBO, niet mogelijk was een nauwkeurige berekening te maken van de met de uitbestede werkzaamheden gemoeide premiebedragen, diende de premievaststelling schattenderwijs te geschieden. Onder de gegeven omstandigheden is de door gedaagde gehanteerde schattingsmethode als reëel aan te merken.

d) Voorts is het aanvaardbaar te achten dat gedaagde ter bepaling van de loonsommen van de niet verantwoorde en van de onbekende werknemers, het geschatte nettoloon met toepassing van het anoniementarief heeft omgerekend tot een brutoloon.

e) In zoverre kan derhalve het bestreden besluit in stand blijven.

f) Met betrekking tot de brutering van de bovenlonen moet worden geoordeeld dat gedaagde er niet in geslaagd is het bewijs te leveren dat VBO, toen hij de loonbetalingen deed, de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor zijn rekening te nemen. Door in dit geval niettemin het premieplichtige loon te bepalen op een wijze alsof VBO de op het loon in te houden premies voor eigen rekening heeft willen nemen, heeft gedaagde gehandeld in strijd met artikel 4 CSV.

g) Gezien het voorafgaande bestaat geen aanleiding nog in te gaan op de stelling van appellante, dat zij voor een groter deel van de premieschuld van VBO aansprakelijk is gesteld dan op grond van de feiten gerechtvaardigd is.

3. Gedaagde heeft tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld en daarbij bezwaren aangevoerd tegen hetgeen de rechtbank had beslist aangaande genoemde brutering van de bovenlonen.

De Raad heeft bij uitspraak van 18 december 1997, beslissende op dit hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd, daartoe overwegende dat Hij zich kan verenigen met de overwegingen van de rechtbank omtrent genoemde brutering.

Aangaande de bezwaren die appellante (als gedaagde in dat geding) in een verweerschrift d.d. 21 juli 1997, tevens incidenteel hoger-beroepschrift genoemd, naar voren had gebracht tegen de aansprakelijkstelling als zodanig, heeft de Raad overwogen dat de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen incidenteel appel kent, hetgeen betekent dat de omvang van het geding wordt bepaald door het beroep, ingesteld door appellant (thans gedaagde), alsmede dat hetgeen na ommekomst van de beroepstermijn bij wege van incidenteel appel is aangevoerd tegen de aansprakelijkstelling als zodanig, buiten beschouwing blijft.

4. Bij besluit van 23 april 1998 heeft gedaagde, rekening houdend met voornoemde uitspraken van de rechtbank en de Raad, appellante op grond van meergenoemd artikel 16b aansprakelijk gesteld voor een bedrag van ƒ 61.184,83

(€ 27.764,47) ter zake van onbetaalde premies ingevolge de sociale-werknemersverzekeringswetten, verschuldigd door

VBO over de jaren 1987 en 1988.

In een aan de raadsman van appellante gericht schrijven van 2 juli 1998 heeft gedaagde, ingaande op de bezwaren van appellante tegen de omvang van de aansprakelijkstelling, onder vermelding van gespecificeerde gegevens en becijferingen uiteengezet waarom - naar de mening van gedaagde - appellante verhoudingsgewijs niet voor een groter deel van de premieschuld van VBO aansprakelijk is gesteld, dan op grond van de feiten gerechtvaardigd is.

Bij het thans bestreden besluit van 16 september 1998 heeft gedaagde de door appellante tegen evenvermeld besluit aangevoerde bezwaren ongegrond verklaard

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de grieven van appellante, onderscheidenlijk inhoudende (-) dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd omdat het is gebaseerd op gegevens uit een strafrechtelijk onderzoek die pas later in procedure zijn gebracht en dermate omvangrijk zijn, dat de relevante gegevens eerst na uitgebreide studie kenbaar kunnen zijn en (-) dat het verband tussen de premieschuld van VBO en de werknemers van dat bedrijf die bij appellante te werk zouden zijn gesteld, van de hand gewezen op de grond dat aangaande de aansprakelijkheid van appellante en het bestaan van een relevant verband in evenbedoelde zin, bij eerdervermelde uitspraak van 11 november 1994 beslissingen zijn gegeven, die in hoger beroep zijn bevestigd.

6. Aangaande de grief dat appellante voor een onevenredig deel van de premieschuld van VBO aansprakelijk is gesteld, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar gedaagdes brief van 2 juli 1998 (hiervoor vermeld onder 4) overwogen dat appellante tegenover de gemotiveerde uiteenzetting van gedaagde geen andersluidende berekeningen heeft gesteld. In de beschikbare gegevens heeft de rechtbank geen grond kunnen vinden voor het oordeel dat gedaagde de totale premieschuld niet op evenredige wijze heeft verdeeld.

B. Van de zijde van appellante is in hoger beroep, samengevat weergegeven, het volgende betoogd.

1. Er is sprake van schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), gezien de termijn die is verstreken sedert het verschuldigd worden van de onderhavige premies. Daarbij moet in aanmerking worden genomen

- dat het besluit van 28 december 1992 (hiervoor vermeld onder 1) is gegeven drie dagen voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar waarbinnen een dergelijke beslissing dient te worden genomen,

- dat het na de uitspraak van de rechtbank d.d. 11 november 1994 tot 28 april 1997 heeft geduurd voordat de gronden voor het beroep waren aangevuld en

- dat gedaagde na de uitspraak van de Raad d.d. 19 december 1997 eerst op 23 april 1998 een nieuwe beslissing heeft gegeven.

In verband met deze schending heeft gedaagde zijn recht verwerkt om appellante aansprakelijk te stellen voor premieschulden van VBO.

2. Appellante heeft in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad d.d. 18 december 1997, verzuimd tijdig beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij hoefde dit echter niet te doen, aangezien de uitspraak van de rechtbank d.d. 11 november 1994 materieel positief voor haar was uitgevallen. Derhalve kon zij met eventuele bezwaren wachten op een nieuw besluit van gedaagde.

Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar grieven inzake de motivering van het bestreden besluit en het niet voldoende zijn aangetoond van verband tussen de premieschuld van VBO en de werknemers van dat bedrijf, die bij appellante werkzaam zouden zijn geweest. In hoger beroep zal daarover alsnog dienen te worden geoordeeld.

Voorts is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op de grief van appellante, dat niet in rechte is komen vast te staan dat een bedrag van ƒ 418.765,43 (€ 190.027,46) aan premieschuld onbetaald is gebleven.

Ten slotte is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat appellante, vanwege onbekendheid met de mogelijkheid van verhaal van onbetaalde premies op de betrokken werknemers, dit punt eerst ter zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht.

C. Ten aanzien van het voorafgaande overweegt de Raad het volgende.

1. Met betrekking tot het beroep dat appellante heeft gedaan op artikel 6 EVRM, moet worden opgemerkt dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht, onder verwijzing naar 's Raads uitspraak van 17 maart 1997 (RSV 1999/232), heeft overwogen dat het overschrijden van redelijk termijn in een geval als het onderhavige, waarin het mede gaat om een verplichting naar burgerlijk recht, met zich kan brengen dat een bestuursorgaan niet meer, althans niet onverkort aan zijn besluit kan vasthouden, mits de overschrijding in overwegende mate aan dat orgaan kan worden toegerekend. Zulks geldt niet, als de overschrijding is gelegen in de behandelingsduur bij de rechter, in welk geval de belanghebbende zich ter zake van de vaststelling van de schending en de daaraan te verbinden gevolgen dient te wenden tot de burgerlijke rechter. Dit laatste laat echter onverlet dat, in het geval dat niet verontschuldigbare gebreken in de gevalsbehandeling ertoe leiden dat meer dan één procedure moet worden gevoerd om de rechtsstrijd tot een einde te brengen, een normaal te achten behandelingsduur bij de rechterlijke instantie na de eerste procedure, bij de toetsing aan artikel 6 EVRM voor rekening van dat orgaan kan worden gebracht in de zin als hierboven aangegeven.

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de tijd die gedaagde nodig had voor het nemen van de beslissing d.d.

28 december 1992 tot aansprakelijkstelling van appellante, bij de kwestie inzake de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM buiten beschouwing dient te blijven, aangezien het een door gedaagde ambtshalve te nemen besluit betrof, waarvoor een wettelijke termijn gold. Daarenboven moet in dit verband in aanmerking worden genomen het complexe geheel van feiten en omstandigheden die aan de orde waren bij het onderzoeken van het doen en laten van VBO, in welk verband tevens een strafrechtelijk onderzoek aan de orde was.

De procedure inzake het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank d.d. 11 november 1994 heeft geduurd tot

18 december 1997, het tijdstip van 's Raads uitspraak in dat geding. De betrekkelijk lange duur van die procedure is mede gelegen in het verlenen door de Raad van uitstel aan gedaagde (appellant in dat geding) in verband met een door de Hoge Raad te wijzen arrest inzake brutering met toepassing van het zogenaamde anoniementarief. Anders dan appellante meent, kan de duur van voornoemde procedure niet op het conto van gedaagde worden geschreven.

Naar het oordeel van de Raad kan voorts niet worden staande gehouden dat genoemde procedure in hoger beroep moest worden gevoerd om een einde te maken aan een rechtsstrijd, die voortvloeide uit niet verontschuldigbare gebreken in de gevalsbehandeling.

De Raad is, de ter zake dienende feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, van oordeel dat evenmin kan worden staande gehouden dat gedaagde meergenoemd vereiste van een redelijke termijn niet in acht heeft genomen door op

23 april 1998 een nieuw besluit inzake de aansprakelijkstelling van appellante te geven met inachtneming van eerdervermelde uitspraken van de rechtbank en van de Raad.

Gezien het voorafgaande faalt de grief van appellante inzake schending van artikel 6 EVRM.

2. In verband met het namens appellante gestelde als hiervoor weergegeven onder B sub 2, stelt de Raad in de eerste plaats vast dat appellante niet erover klaagt dat gedaagde niet op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de rechtens onaantastbaar geworden uitspraak van de rechtbank d.d. 11 november 1994, doch met name beoogt te bewerkstelligen dat haar grieven welke de rechtbank bij die uitspraak ongegrond heeft verklaard, andermaal worden beoordeeld.

Voorts constateert de Raad dat de rechtbank in de overwegingen bij die uitspraak in duidelijke bewoordingen te kennen heeft gegeven

- in hoeverre het eerste besluit tot aansprakelijkstelling van appellante d.d. 28 december 1992 de rechterlijke toetsing kan doorstaan en in stand kan blijven (zie de onder A sub 2, onder a tot en met e, weergegeven onderdelen van die uitspraak),

- welke onjuistheid kleeft aan dit besluit (onderdeel f) en

- welk deel van het beroep buiten verdere beschouwing kan worden gelaten

(onderdeel g).

Hetgeen de rechtbank in die uitspraak, waarbij onder meer aan gedaagde is opgedragen met inachtneming van het daarin gestelde een nieuw besluit te nemen, heeft beslist als vermeld in genoemde onderdelen a tot en met e, was in dier voege bepalend voor de rechtsverhouding tussen appellante en gedaagde, dat appellant niet op basis van de grieven die de rechtbank reeds bij de beoordeling van de eerste aansprakelijkstelling ongegrond had bevonden, voorziening kon vragen tegen het naar aanleiding van die uitspraak gegeven besluit. Voor een andere benadering zou eerst aanleiding kunnen bestaan, indien sprake zou zijn van een wijziging met betrekking tot de relevante feiten en omstandigheden. Daarvan is evenwel gezien de beschikbare gegevens, geen sprake.

Bij het betoog van de zijde van appellante, dat als gevolg van de volledige vernietiging van het besluit van 28 december 1992, in het kader van het beroep tegen een nieuwe beslissing alle eerdere grieven konden worden aangevoerd en dienden te worden beoordeeld, is kennelijk veronachtzaamd dat dit onderdeel van het dictum van uitspraak gelet op de tevens in het dictum voorkomende opdracht aan gedaagde, behoort te worden bezien in samenhang met de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd.

De Raad merkt met betrekking tot het voorafgaande voorts op, dat geen zodanige verwevenheid bestaat tussen datgene waaromtrent gedaagde in verband met de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit diende te geven enerzijds, en de aspecten van de aansprakelijkstelling waarop de ongegrond bevonden grieven van appellante betrekking hadden anderzijds, dat een beoordeling van deze grieven onontkoombaar is bij toetsing van de rechtmatigheid van de nieuwe, thans aan de orde zijnde, besluitvorming inzake de aansprakelijkstelling.

In verband met het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat de rechtbank zich bij de aangevallen uitspraak terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellante tegen de - aanvankelijke - aansprakelijkstelling aangevoerde gronden waaromtrent reeds onherroepelijk was beslist, in de beroepsprocedure niet meer inhoudelijk aan de orde konden komen.

Ook in hoger beroep kan niet inhoudelijk op deze gronden worden ingegaan.

Voorts onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank (als weergegeven onder A sub 6) heeft overwogen aangaande de - nog resterende - grief van appellante, dat zij voor een onevenredig deel van de premieschuld van VBO aansprakelijk is gesteld.

Aangezien hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, samenhangt met eerderbedoelde reeds ongegrond verklaarde grieven, kan gelet op het vorenoverwogene het hoger beroep niet slagen.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2002.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

AP