Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
98/5936 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 33b, geldigheid: 2002-01-31
Besluit algemene rechtspositie politie 35, geldigheid: 2002-01-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

98/5936 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [X.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juni 1998, nr. 97/2244 AW WO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 december 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, werkzaam bij ABVAKABO/FNV. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J.B. van der Hoeven, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, en W. Kuilen, werkzaam bij de politieregio [X.] (hierna: de politieregio).

II. MOTIVERING

1. Appellant, werkzaam bij de politieregio, heeft in verband met zijn activiteiten als kaderlid van de Nederlandse Politie Bond (hierna: NPB) verzocht om bijzonder verlof in voorkomende gevallen. Bij besluit van 24 februari 1997 is meegedeeld dat hij van geval tot geval om bijzonder verlof ten behoeve van bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten van de NPB kon vragen, maar dat geen verlof zou worden verleend voor activiteiten in het kader van het belastingnetwerk. Dit besluit is na bezwaar bij het bestreden besluit van 15 juli 1997 gehandhaafd. Het beroep hiertegen is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2.1. Partijen houdt verdeeld of juiste toepassing aan artikel 35, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is gegeven. Deze bepaling geeft de politieambtenaar die door een bond als de NPB is aangewezen om binnen zijn bond of de organisatie van de werkgever bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien die ertoe strekken de doelstellingen van zijn bond te ondersteunen, aanspraak op buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten.

2.2. Appellant wijst er op dat het tot de doelstellingen van de NPB behoort de belangen van haar leden en hun gezinnen in het bijzonder inzake arbeids- en dienstvoorwaarden te behartigen. De in geding zijnde fiscale activiteiten - verstrekken van informatie en advies aan leden, verlenen van hulp bij het invullen van belastingpapieren en als raadsman namens leden optreden in bezwaarschriftprocedures - vormen, zo betoogt hij, een in deze doelstelling passende wijze van individuele belangenbehartiging, zijn nodig in verband met de bijzondere omstandigheden van de beroepsgroep en zijn van vertegenwoordigende aard.

2.3. De Raad stelt vast dat artikel 35, tweede lid, van het Barp, ertoe strekt kaderleden aanspraak op betaald verlof te geven. Hoewel dit voorschrift naar de letter alleen bepaalt welke personen daarvoor in aanmerking komen, is - mede gezien de totstandkomingsgeschiedenis van het verwante artikel 33b, tweede lid, van het Algemeen Rijksamtenarenreglement (ARAR) - kennelijk tevens bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de aanspraak alleen terzake van de aangeduide (kader)activiteiten bestaat. Het is daarom niet voldoende dat de activiteiten waarvoor het verlof wordt verzocht, strekken tot ondersteuning van de doelstellingen - hoe ruim ook - van de organisatie namens welke het kaderlid optreedt. Ze dienen tevens van vertegenwoordigende of bestuurlijke aard te zijn en voorts naar het oordeel van de Raad, gezien de strekking van artikel 35, tweede lid, van het Barp, een voldoende direct verband te houden met arbeidsomstandigheden. De fiscale dienstverlening die appellant namens de NPB aan leden bood, heeft een dergelijk verband in onvoldoende mate en behoort derhalve niet tot de in artikel 35, tweede lid, van het Barp, bedoelde activiteiten. Appellant had dus geen aanspraak op betaald verlof, zodat het bestreden besluit standhoudt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3. De Raad ziet geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat als volgt wordt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2002.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) D. Boers.

HD

Q