Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
00/1227 AAW + 00/1228 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Prematuur beroep, beslistermijn opgeschort, aanvullende uitkering, datum. Betrokkene was niet buiten staat geweest uitkering eerder aan te vragen, zodat het hoger beroep niet kan slagen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:10, geldigheid: 2002-01-08
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid 48, geldigheid: 2002-01-08
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 96, geldigheid: 2002-01-08
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 96, geldigheid: 2002-01-08
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 36, geldigheid: 2002-01-08
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 36, geldigheid: 2002-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/1227 AAW + 00/1228 TW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 1 december 1999 waarbij de beroepen van appellante tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk zijn verklaard en waarbij de beroepen van appellante tegen het besluit op bezwaar van 30 maart 1999 ongegrond zijn verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 oktober 2001, waar appellante is verschenen bij

D. Greveling, gemachtigde, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Ruis, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Appellante was tot in 1993 of 1994 werkzaam als meewerkend echtgenote in een horeca-onderneming.

Op 23 juni 1997 heeft zij gevraagd om haar met ingang van 1 januari 1995 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).

De verzekeringsarts H. Velda heeft blijkens de rapporten van 20 april 1998 en 29 juli 1998 de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van appellante overeenkomstig haar verzoek arbitrair bepaald op 1 januari 1994.

De arbeidsdeskundige J.E. Kok heeft zich vervolgens in een rapport van 14 juli 1998 op het standpunt gesteld dat appellante per einde wachttijd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt was te achten.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 2 september 1998 aan appellante een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend met ingang van 23 juni 1996, zijnde een jaar voor de dag van indiening van voornoemde aanvraag om uitkering. Gedaagde heeft geen bijzonder geval in de zin van het tweede lid van artikel 36 van de WAZ aanwezig geacht die aanleiding voor het bepalen van een eerdere ingangsdatum had kunnen opleveren.

Bij besluit van 15 september 1998 heeft gedaagde voorts aan appellante een verhoging van haar arbeidsonge- schiktheidsuitkering op grond van artikel 48 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) toegekend, eveneens met ingang van 23 juni 1996.

Tegen deze beide besluiten heeft appellante op 14 oktober 1998 bezwaarschriften ingediend.

Gedaagde heeft appellante tot 30 december 1998 uitstel verleend voor het indienen van de gronden van de bezwaren.

Bij brief van 30 december 1998 heeft appellante deze gronden aan gedaagde toegezonden.

Bij brief van 13 maart 1999 heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld terzake van het, naar zij stelde, niet tijdig beslissen door gedaagde op haar bezwaarschriften.

De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat deze prematuur waren ingesteld.

De beroepen tegen het besluit van 30 maart 1999, strekkende tot ongegrond verklaring van de bezwaren van appellante tegen voormelde besluiten van 2 en 15 september 1998, heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van de beroepen, gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van 14 oktober 1998.

Gelet op artikel 7:10, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 96, leden 1 en 2, van de WAZ, was de rechtbank van oordeel dat gedaagde uiterlijk op 7 april 1999 op de bezwaren diende te beslissen, welke datum ten tijde van het indienen van de beroepen nog (lang) niet was verstreken. De rechtbank is er in dit verband kennelijk van uitgegaan dat aan het primaire besluit van 2 september 1998, dat door appellante uitsluitend was aangevochten op het punt van de ingangsdatum van de uitkering, in elk geval een medische beoordeling ten grondslag lag. Aan het besluit van 15 september 1998 heeft de rechtbank hierbij geen afzonderlijke overwegingen gewijd.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat aan de bepaling van de ingangsdatum van de haar toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering geen medische en/of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt en dat het besluit van 15 september 1998 zelfs in het geheel niet op een medische en/of arbeidskundige beoordeling berust. De beslistermijnen waren voor gedaagde derhalve op 13 maart 1999 reeds verstreken, aldus appellante. Naar haar mening zijn de op deze datum ingediende beroepen dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad kan appellante hierin niet volgen. Hij overweegt daartoe dat appellante zich er zelf onder meer op heeft beroepen dat haar medische omstandigheden een eerdere ingangsdatum dan 23 juni 1996 van haar arbeidsonge- schiktheidsuitkering rechtvaardigen. Uit het rapport van 29 juli 1998 van de verzekeringsarts Velda blijkt ook dat beoordeeld is of er medische redenen aanwijsbaar waren waardoor appellante zich niet eerder dan op 23 juni 1997 voor een uitkering heeft kunnen melden, welke beoordeling negatief voor appellante is uitgevallen. De Raad deelt dan ook het oordeel van de rechtbank dat de beslistermijn voor de beslissing op het bezwaarschrift tegen het besluit van 2 september 1998, op

13 maart 1999 nog liep.

In gelijke zin oordeelt de Raad met betrekking tot de beslissing op het bezwaarschrift tegen het besluit van 15 september 1998. Daarbij wijst de Raad erop dat ingevolge het eerste lid van artikel 1 van de ter uitvoering van het vierde lid van artikel 48 van de IWS door de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde Regeling van 18 december 1997, Stcrt. 1997, 248, de verhoging van de arbeidsongeschikt-heidsuitkering op grond van de WAZ, bedoeld in het eerste lid van artikel 48 van de IWS, wordt aangemerkt als een uitkering op grond van de WAZ. Dit brengt mee dat ook te dezen de leden

1 en 2 van artikel 96 van de WAZ van toepassing zijn te achten. De Raad voegt hieraan toe dat het besluit van 15 september 1998 weliswaar op zichzelf bezien niet een medische beoordeling vergde doch de ingangsdatum van de daarbij toegekende verhoging hangt dermate samen met de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheidsuitkering welke tezelfdertijd ter beoordeling stond, dat een redelijke wetstoepassing ertoe leidt dat hier dezelfde beslistermijn wordt gehanteerd als die welke met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering geldt.

Ten aanzien van de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen het besluit van 30 maart 1999.

Blijkens de overwegingen van het besluit van 30 maart 1999 heeft gedaagde in dit geval het tweede lid van artikel 25 van de AAW van toepassing geacht, zulks in afwijking van het primaire besluit van 2 september 1998 waarbij is uitgegaan van toepasselijkheid van het tweede lid van artikel 36 van de WAZ. De Raad acht dit nadere standpunt van gedaagde juist. Immers, nu in de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen van 24 april 1997, Stb. 178, geen andersluidende regeling is getroffen, dienen de aanspraken van appellante te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals deze van kracht was in het tijdvak waarop die aanspraken betrekking hebben, welk tijdvak is gelegen vóór 1 januari 1998, zijnde de datum van inwerkingtreding van de WAZ.

Overigens zijn beide genoemde bepalingen in essentie gelijkluidend.

Appelante heeft aangevoerd dat haar aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering pas in juni 1997 is ingediend omdat zij indertijd, nadat zij arbeidsongeschikt was geworden, door ziekte of gebrek redelijkerwijs niet meer in staat was te achten om haar eigen belangen op normale wijze te behartigen. In dit verband heeft zij een verklaring van 25 juni 1998 van haar huisarts overgelegd, inhoudende dat zij sedert eind 1991nauwelijks heeft kunnen functioneren in haar werk. Bovendien gebruikte appellante (vooral) vanaf begin 1995 erg veel medicijnen.

De Raad kan aan de verklaring van de huisarts geenszins grote betekenis toekennen nu het daarin vermelde op gespannen voet staat met de namens appellante ten overstaan van de arbeidsdeskundige Kok in juni/juli 1998 gedane mededeling dat appellante tot omstreeks medio 1993 gedurende 30 à 40 uren per week in het horecabedrijf werkzaam was. Andere medische verklaringen die (wel) steun bieden voor haar vorenbedoelde stelling heeft appellante niet overgelegd. Voorts was zij kennelijk wel in staat om in juli 1995 een bijstandsuitkering aan te vragen. De Raad voegt hieraan toe dat namens appellante op de op 15 februari 1999 gehouden hoorzitting is te kennen gegeven dat de late indiening van de aanvraag hoofdzakelijk het gevolg is van onbekendheid met de wet. Bovendien heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat appellante in ieder geval al vanaf december 1995 de steun had van een juridische belangenbehartiger. Indien deze in die beginperiode een aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkering voor appellante zou hebben gedaan, had deze uitkering zonder meer per einde wachttijd na de eerste dag van arbeidsongeschiktheid kunnen worden toegekend.

Ten slotte overweegt de Raad dat, anders dan door appellante is gesuggereerd, niet is gebleken dat de Sociale Dienst van de gemeente [vestigingsplaats] appellante onjuiste of onvolledige inlichtingen over haar mogelijkheden tot het verkrijgen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft verstrekt. De klacht van appellante dat zij nimmer door genoemde dienst is gewezen op de mogelijkheid een arbeidsongeschiktheidsuitkering te vragen, treft geen doel. In zijn algemeenheid kan immers niet worden staande gehouden dat een dienst als de voornoemde uit zorgvuldigheidsoogpunt gehouden is te wijzen op de mogelijkheid een beroep te doen op andere uitkeringsregelingen dan die welke door deze dienst worden uitgevoerd.

Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2002.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.D. Streefkerk.

MvB