Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
22-02-2002
Zaaknummer
99/1376 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor het eerst kenbaar maken van grief in hoger beroep is niet in strijd met regels van goede procesorde.

Beëindiging Abw-uitkering omdat het vermogen van appellant het vrij te laten vermogen overtreft. Met betrekking tot de eerst in hoger beroep opgeworpen grief van appellant overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij de opvatting van gedaagde in zijn verweerschrift dat appellant in strijd met de regels van goede procesorde handelt door deze grief pas nu aan de orde te stellen, niet onderschrijft. De Raad is van oordeel dat wanneer een belanghebbende een grief tijdig kenbaar maakt aan de Raad en de gedaagde partij in de gelegenheid is geweest gemotiveerd op die grief te reageren, geen geschreven of ongeschreven rechtsregel aan beoordeling van die grief in de weg staat.

Niet gebleken is dat appellant met het aanvoeren van deze grief buiten de grenzen van het geschil is getreden of in een eerdere fase van de procedure welbewust ervan heeft afgezien bepaalde (mogelijke) gebreken van het bestreden besluit aan de orde te stellen.

Burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage, gedaagde.

mrs. G.A.J. van den Hurk, J.M.A. van der Kolk-Severijns, N.J. van Vulpen-Grootjans

Deze uitspraak is, met een ander selectiemotief, tevens in de Materiële Signalering van deze Nieuwsbrief opgenomen onder nummer 115.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 20, geldigheid: 2002-01-29
Algemene bijstandswet 54, geldigheid: 2002-01-29
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2002-01-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/100 met annotatie van C.L.G.F.H.A
USZ 2002/79
RSV 2002, 96
JABW 2002, 45

Uitspraak

99/1376 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. A.G. Kleijweg, advocaat te 's-Gravenhage, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 3 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 12 november 2001 desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 2001, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.

II. MOTIVERING

Appellant heeft van april 1993 tot eind 1994 samen met een compagnon een shoarmazaak geëxploiteerd. Nadat deze in november 1994 was afgebrand, is appellant een bijstandsuitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers toegekend. Deze uitkering is met ingang van 1 april 1997 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Op grond van de bevindingen van een in september 1997 gestart onderzoek naar de uitkering van verzekeringsgelden tot een bedrag van f 124.225,-- aan appellant en zijn partner heeft gedaagde - na de uitkering eerst te hebben stopgezet - bij besluit van 1 december 1997 de uitkering van appellant met ingang van 1 september 1997 beëindigd.

Bij besluit van 21 april 1998 heeft gedaagde het besluit van 1 december 1997 na gemaakt bezwaar gehandhaafd. Zowel het primaire besluit als het besluit van 21 april 1998 berusten op de grond dat het vermogen van appellant op 1 september 1997 het vrij te laten vermogen van f 19.000,-- overtreft, zodat hij geacht wordt te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 21 april 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar haar oordeel heeft gedaagde terecht geconcludeerd dat het in aanmerking te nemen vermogen van appellant per september 1997 het vrij te laten vermogen overschreed, nu vaststaat dat hij zijn deel van de verzekeringsgelden heeft ontvangen en gegevens ontbreken welke aannemelijk doen zijn dat tegenover dat vermogen schulden stonden.

Namens appellant is het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Naast de reeds in eerste aanleg naar voren gebrachte grieven is aangevoerd dat sprake is van een ongerechtvaardigd verschil in behandeling van eigenaars/bewoners van een eigen woning met overwaarde ten opzichte van personen als appellant die over vermogen in een andere vorm beschikken. Eigenaars/bewoners van een eigen woning worden bevoordeeld, doordat voor hen een aanvullende vrijstelling van vermogen geldt.

Voor de Raad is op grond van de ter zake beschikbare gegevens genoegzaam komen vast te staan dat appellant in augustus 1997 de helft heeft ontvangen van de op de rekening van zijn compagnon overgemaakte verzekeringsuitkering in verband met de brand in de shoarmazaak, en als gevolg daarvan op 1 september 1997 beschikte over een bedrag dat de voor hem ingevolge artikel 54 van de Abw geldende vermogensgrens aanzienlijk te boven gaat.

Appellant heeft gesteld dat hij bij de start van de shoarmazaak schulden heeft moeten maken bij familie en vrienden en deze schulden nog moest aflossen van de door hem ontvangen verzekeringsgelden. Naar het oordeel van de Raad is appellant er echter niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij destijds daadwerkelijk geld heeft geleend, zodat het feitelijk bestaan van de gestelde schulden niet is aangetoond. De Raad kan voorts aan de verklaringen van derden over de door appellant gestelde schulden en de door appellant overgelegde schuldbekentenissen en kwitanties niet die betekenis toekennen welke appellant daaraan toegekend wenst te zien.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het vermogen waarover appellant op 1 september 1997 kon beschikken in de weg stond aan voortzetting van zijn bijstandsuitkering.

Met betrekking tot de in hoger beroep opgeworpen grief van appellant overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij de opvatting van gedaagde in zijn verweerschrift dat appellant in strijd met de regels van goede procesorde handelt door deze grief pas nu aan de orde te stellen, niet onderschrijft. De Raad is van oordeel dat wanneer een belanghebbende een grief tijdig kenbaar maakt aan de Raad en de gedaagde partij in de gelegenheid is geweest gemotiveerd op die grief te reageren, geen geschreven of ongeschreven rechtsregel aan beoordeling van die grief in de weg staat. Niet gebleken is dat appellant met het aanvoeren van deze grief buiten de grenzen van het geschil is getreden of in een eerdere fase van de procedure welbewust ervan heeft afgezien bepaalde (mogelijke) gebreken van het bestreden besluit aan de orde te stellen.

Appellant heeft terecht gesignaleerd dat sprake is van een onderscheid in behandeling tussen belanghebbenden met vermogen in de vorm van een eigen, door henzelf bewoonde woning en belanghebbenden die over vermogen in een andere vorm beschikken en net als hij een woning huren. Artikel 20, derde lid, van de Abw voorziet immers in een verruimde vrijlating van vermogen van een belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde eigen woning. Ingevolge deze bepaling, zoals deze ten tijde hier van belang luidde, blijft van het vermogen als hier bedoeld buiten beschouwing f 15.000,-- alsmede de helft van het meerdere, doch in totaal ten hoogste f 60.000,--.

De verruiming van de vrijlating van in de eigen woning gebonden vermogen is met ingang van 1 januari 1983 ingevoerd door invoeging per 1 januari 1983 van artikel 8a in het tot 1 januari 1996 gevigeerd hebbende Bijstandsbesluit landelijke normering (BLN). Uit de wetsgeschiedenis van deze wijziging van het BLN blijkt met betrekking tot de rechtsgrond van deze verruimde vrijlating onder meer het volgende:

"Sinds medio 1980 is langdurige werkloosheid in Nederland toegenomen. Daardoor worden op grotere schaal dan voorheen werklozen geconfronteerd met de middelentoets van de ABW. De middelentoets houdt in dat de aanspraak op bijstand alleen aanwezig is voorzover niet met eigen inkomen en/of vermogen in het bestaan kan worden voorzien. Is vermogen vastgelegd in een eigen woning dan betekent dit dat, onder vrijlating van het zogenaamde bescheiden vermogen, waarvan de bedragen zijn vastgesteld in art.8 BLN, dit vermogen voor de bestaansvoorziening dient te worden ingezet. Onder bepaalde voorwaarden is er dan de mogelijkheid tot bijstandsverlening in de vorm van een geldlening onder beding van hypotheek.

Met name de toepassing van de vermogenstoets op het eigen huis is maatschappelijk in discussie gekomen. Uit de vele reacties vanuit verschillende maatschappelijke geledingen valt op te maken dat blijkbaar in het rechtsgevoel van velen leeft dat het niet gerechtvaardigd is het vermogensbezit, dat het eigen huis vertegenwoordigt, uiteindelijk vrijwel totaal aan te tasten. In het regeerakkoord is dan ook vastgelegd dat zal worden bezien of in de bijstandsregelingen met betrekking tot vrijlating van eigen vermogen meer rekening kan worden gehouden met het eigen woningbezit, mits de budgettaire consequenties daarvan aanvaardbaar zijn.

Onder handhaving van het beginsel van de ABW dat rekening moet worden gehouden met de eigen middelen acht het kabinet thans een zekere verruiming van de vrijlating aanvaardbaar boven het in alle gevallen geldende bedrag van het bescheiden vermogen, indien vermogen is vastgelegd in de eigen woning.

De argumenten daarvoor zijn dat de overheid het eigen woningbezit bevordert en dat de betrokkenen door eigen financiële inspanning voor hun huisvesting hebben gezorgd, terwijl veel huurders aanspraak kunnen maken op individuele huursubsidie. Op deze gronden is een speciale beoordeling van het vermogen in het eigen huis gerechtvaardigd voor degenen, die voor hun levensonderhoud van de bijstand afhankelijk worden. Het verschil in rechten dat hierdoor ontstaat ten opzichte van degenen met vermogensbezit in andere vorm en met cliënten die alleen voor bepaalde kosten bijstand nodig hebben, mag echter niet te groot worden. Ook de budgettaire mogelijkheden maken het nodig dat de verruiming binnen aanvaardbare grenzen blijft.".

Eenzelfde gedachtengang ligt ten grondslag aan artikel 20, derde lid, van de Abw (zie Kamerstukken II 1993/1994, nr. 19, p. 6).

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat voor de door appellant gesignaleerde ongelijke behandeling gezien de doelstelling van deze extra vrijlatingsfaciliteit voor bewoners van een eigen woning een voldoende rechtvaardiging bestaat en dat deze verruimde vermogensvrijlating ook een geschikt middel is om dit doel te verwezenlijken. Dit betekent dat de grief van appellant geen doel treft.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

AP1701