Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
22-02-2002
Zaaknummer
01/2671 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 99, geldigheid: 2002-01-24
Algemeen Rijksambtenarenreglement 100, geldigheid: 2002-01-24
Rijkswachtgeldbesluit 1959 5, geldigheid: 2002-01-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/2671 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) van 27 maart 2001, nr. AWB 01/407 AW en AWB 01/408 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 17 juli 2001, nr. 01/2941 AW-VV, heeft de President van de Centrale Raad van Beroep het verzoek van appellant om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet afgewezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 december 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.M. Gersjes, advocaat te Eindhoven. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Bergman, werkzaam bij CAPRA te 's-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en de hiervoor genoemde uitspraak van de President. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant was sedert 1979 werkzaam bij het [X.] (hierna: [X.]). Nadat eind 1991 klachten over het gedrag van appellant waren ingediend en begin 1992 over zijn functioneren een onvoldoende beoordeling was vastgesteld, heeft hij in mei 1992 zijn werkzaamheden gestaakt, waarna hij door de bedrijfsarts situatief arbeidsongeschikt is verklaard.

1.3. Appellant heeft in maart 1993 te kennen gegeven te willen terugkeren op het werk. Nadat door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds in 1994 was verklaard dat appellant niet uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt was voor zijn functie van systeembeheerder, is appellant door de bedrijfsarts hersteld verklaard. Hij heeft zijn werkzaamheden echter niet hervat, omdat gedaagde terugkeer zonder meer niet gewenst achtte. Tussen partijen zijn diverse malen besprekingen gevoerd teneinde tot een minnelijke oplossing te geraken, hetgeen echter niet is gelukt. In de loop der jaren heeft gedaagde tweemaal het voornemen geuit om appellant te ontslaan, in 1996 eervol, wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, en in 1999 disciplinair, wegens plichtsverzuim. Aan beide voornemens is uiteindelijk geen uitvoering gegeven. Appellant heeft sedert mei 1992 geen werkzaamheden meer verricht voor gedaagde.

1.4. Bij besluit van 14 juli 2000 is appellant met toepassing van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) met ingang van 1 december 2000 eervol ontslag verleend onder toekenning van een uitkering overeenkomend met wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 20 februari 2001.

1.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voorzover hier van belang - het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten en bepaald dat gedaagde appellant boven de toegekende wachtgelduitkering een bedrag ineens dient te betalen ter hoogte van 6,25 bruto maandsalarissen inclusief vakantietoeslag en - indien van toepassing - een evenredig deel van de eindejaarsuitkering. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat gedaagde bevoegd was appellant op de door hem gebezigde grond te ontslaan, maar dat met de getroffen regeling onvoldoende rekening werd gehouden met het eigen aandeel van gedaagde in de impasse. Gedaagde heeft in deze uitspraak berust.

2.1. Appellant heeft allereerst bestreden dat gedaagde bevoegd was hem te ontslaan met toepassing van artikel 99 van het ARAR, aangezien geen sprake was van verstoorde verhoudingen. Gedaagde heeft gesteld dat mede als gevolg van appellants opstelling een werkhervatting niet in redelijkheid kan worden verwacht.

2.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 99 van het ARAR in het geval dat een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

2.3. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat hier van zo'n geval sprake was. Daartoe heeft de Raad overwogen dat appellant sedert mei 1992 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor gedaagde, dat in de loop der jaren als gevolg van de opstelling van zowel gedaagde als appellant terugkeer steeds minder voor de hand liggend is geworden, dat pogingen om appellant op andere gronden te ontslaan zijn gestrand en dat gedaagdes laatste poging in 1998 om uit de impasse te geraken mede als gevolg van appellants handelwijze is mislukt. De Raad is er daarbij vanuit gegaan dat bij gedaagde in oktober 1998 een reële intentie voorzat om appellant overeenkomstig de door hem steeds geuite wens weer met werkzaamheden te belasten. In het gesprek met appellant op 2 november 1998 zag gedaagde - naar zeggen uit een oogpunt van zorgvuldigheid - aanleiding om, alvorens daartoe over te gaan, appellant aan een medisch onderzoek te onderwerpen. Hoewel appellant daar niet voor voelde, heeft hij tegen het besluit een nader medisch onderzoek in te stellen geen bezwaar gemaakt, en is na langdurig overleg met hem een psychiater aangewezen die het onderzoek zou verrichten. Het onderzoek heeft medio 1999 plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek waren niet bruikbaar, omdat appellant door zijn wijze van beantwoording van de vragen dit onderzoek heeft gefrustreerd. Gedaagde heeft in deze gang van zaken aanleiding gezien voor de conclusie dat vruchtbare samenwerking met appellant niet in het verschiet lag. De Raad is van oordeel dat die conclusie, gelet op alle omstandigheden, niet ongerechtvaardigd was. Dat gedaagde niet meer bereid bleek de resultaten van een inmiddels op initiatief van appellant uitgevoerd psychiatrisch onderzoek onder de door appellant gestelde voorwaarden in ontvangst te nemen, acht de Raad niet onzorgvuldig dan wel anderszins onaanvaardbaar. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat het vanwege gedaagde uitgevoerde onderzoek in samenspraak met appellant had plaatsgevonden, dat appellant dat onderzoek heeft gefrustreerd en dat het niet aangaat gedaagde daarna te confronteren met een op eigen voorwaarden en naar aanleiding van eigen vragen uitgevoerd onderzoek, waaraan door appellant kennelijk wel medewerking was verleend.

2.4. Aangezien de arbeidsrelatie geen uitzicht meer bood op een goede samenwerking, was gedaagde bevoegd om appellant op de door hem gebezigde grond te ontslaan.

3. Dan komt de Raad toe aan beantwoording van de vraag of de getroffen regeling, zoals nader vastgesteld door de rechtbank, 's Raads toetsing kan doorstaan.

3.1. In artikel 99, tweede lid, van het ARAR is bepaald dat in geval van ontslag ingevolge het eerste lid door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een regeling wordt getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering wordt verleend, die, naar het oordeel van het bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal in geen geval minder mogen zijn dan die, welke de ambtenaar op grond van het bepaalde in het volgende artikel zou toekomen, in geval van een ontslag als daar bedoeld. In artikel 100 van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar, aan wie eervol ontslag is verleend op de aldaar genoemde gronden, aanspraak heeft op een wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959, onverminderd het bepaalde in artikel 5 van dat besluit.

3.2. Bij het ontslagbesluit is bepaald dat aan appellant een uitkering wordt toegekend die overeenkomt met het wachtgeld op grond van de bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959. Tussen partijen is niet in geschil dat dit betekent dat appellant tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd in het genot zal zijn van wachtgeld, dat berekend zal blijven volgens dit Rijkswachtgeldbesluit 1959. De rechtbank heeft voorts bepaald dat appellant daarenboven recht heeft op een vergoeding ter hoogte van 6,25 bruto maandsalarissen, inclusief vakantietoeslag en - indien van toepassing - een evenredig deel van de einde-jaarsuitkering. Gedaagde - die geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank - is blijkens het verweerschrift van mening dat deze vergoeding als redelijk moet worden bestempeld.

3.3. Appellant meent dat de vergoeding hoger moet zijn in verband met gedaagdes aandeel in de situatie die tot ontslag heeft geleid.

3.4. Dienaangaande is de Raad op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting duidelijk geworden dat appellant in 1992 is uitgevallen wegens een arbeidsconflict, waarvan de oorzaak niet in de eerste plaats bij gedaagde kan worden gelegd, maar veeleer moet worden gezocht in de klachten die over appellants gedrag waren geuit en in de onvoldoende beoordeling die ten aanzien van zijn functioneren was vastgesteld. Dat aan appellants wens om in maart 1993 zijn werkzaamheden te hervatten door gedaagde niet onmiddellijk werd tegemoetgekomen, omdat hij situatief arbeidsongeschikt was bevonden en een hersteldverklaring ontbrak, acht de Raad alleszins aanvaardbaar. Wel is in die tijd onderhandeld over een vertrekregeling. Nadat een hersteldverklaring in 1994 is gevolgd hebben, zo is de Raad ter zitting duidelijk geworden, besprekingen plaatsgevonden teneinde tot een minnelijke oplossing te geraken; daarbij is ook gesproken over een vertrekregeling en outplacement. Een en ander heeft niet tot resultaat geleid, maar de Raad is niet gebleken dat zulks uitsluitend of overwegend aan gedaagde te wijten zou zijn.

3.5. Aan appellant kan worden toegegeven dat tot 1996 van de zijde van gedaagde niet voortvarend is opgetreden, maar ook appellant heeft weinig actie ondernomen. Het voornemen tot ongeschiktheidsontslag, geuit in 1996, is niet door een ontslagbesluit gevolgd, waarvoor gedaagde als reden heeft genoemd dat inmiddels een te lange periode van non-activiteit was verstreken. Gedaagde heeft niet een aanvaardbare verklaring kunnen geven waarom van 1996 tot aan de uitnodiging voor een gesprek in oktober 1998 geen actie is ondernomen. Dit valt gedaagde derhalve aan te rekenen.

3.6. Dat gedaagde tot een hoger tegemoetkomingsbedrag gehouden zou zijn vanwege niet nagekomen toezeggingen tot herplaatsing, zoals door appellant betoogd, kan de Raad niet onderschrijven. Van een in rechte te honoreren toezegging is naar het oordeel van de Raad geen sprake. De opmerking, opgenomen in een eind 1991 gemaakte notitie inzake een functioneringsgesprek, inhoudende dat appellant moet worden geholpen bij het vinden van een andere functie, nu de door hem uitgeoefende functie te hoog gegrepen is, kan niet als zodanige toezegging gelden. Daarmee is naar het oordeel van de Raad niet méér aangegeven dan dat gezien de destijds bestaande situatie een inspanning zou moeten worden geleverd appellant te begeleiden naar andere werkzaamheden, doch gezien het arbeidsconflict dat daarna is ontstaan is het daarvan niet meer gekomen. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde te rekenen vanaf oktober 1998 voldoende heeft gepoogd om tot werkhervatting door appellant te komen en dat die poging door de handelwijze van appellant is mislukt.

3.7. Het vorenstaande leidt de Raad tot een ontkennend antwoord op de vraag of gedaagde gehouden was tot een ruimere regeling dan door de rechtbank is vastgesteld. Het aandeel van gedaagde in de situatie die tot het ontslag heeft geleid is naar het oordeel van de Raad niet zodanig dat moet worden geoordeeld dat met het extra bedrag daaraan onvoldoende recht is gedaan. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant na zijn hersteldverklaring in mei 1994 ruim vijf en een half jaar in het genot van bezoldiging is geweest, zonder dat daartegenover een arbeidsprestatie ten behoeve van gedaagde heeft gestaan.

4. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, in rechte stand houdt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. Dierdorp.

HD