Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
22-02-2002
Zaaknummer
01/1176 WSW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit indicatie sociale werkvoorziening 7, geldigheid: 2002-01-24
Besluit indicatie sociale werkvoorziening 7, geldigheid: 2002-01-24
Wet sociale werkvoorziening 7, geldigheid: 2002-01-24
Wet sociale werkvoorziening 6, geldigheid: 2002-01-24
Wet sociale werkvoorziening 1, geldigheid: 2002-01-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/1176 WSW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Dagelijks Bestuur van Integrale Bedrijven Noordoost-Noord-Brabant, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 januari 2001, nr. AWB 00/629 WSW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De president van deze Raad heeft bij uitspraak van 24 september 2001, nr. 01/4157 WSW-VV, gedaagdes verzoek om, in verband met de schorsende werking van het door appellant ingestelde hoger beroep, een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 december 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.F.H.P. Canton, secretaris van appellant, en waar voor gedaagde is verschenen zijn gemachtigde, mr. M.M.G. Senssen, advocaat te Boxmeer.

II. MOTIVERING

1.1. Gedaagde, geboren in 1954, is na een langdurige periode van werkloosheid, in december 1992 gekeurd teneinde na te gaan of gedaagde behoorde tot de personenkring als bedoeld in artikel 7 van de toenmalige Wet Sociale Werkvoorziening (hierna: WSW). Appellant heeft geoordeeld dat gedaagde inderdaad behoorde tot de kring van personen die zijn aangewezen op werk in WSW-verband en heeft gedaagde vervolgens op de wachtlijst geplaatst. In 1997 is gedaagde gestart met scholing en training, waarna een werkervaringstraject in gang is gezet.

1.2. Bij besluit van 27 juli 1998 heeft appellant, omdat gedaagde werd aangemerkt als behorend tot de doelgroep van de inmiddels per 1 januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (hierna: Wsw), een zogeheten indicatiebeschikking afgegeven met de handicapcategorie: ernstig. De geldigheidsduur van deze indicatiebeschikking eindigde op 21 juli 2001. In verband hiermee bleef gedaagde zijn indertijd op de wachtlijst verworven plaats behouden.

1.3. Omdat gedaagde volgens appellant onvoldoende meewerkte aan het verkrijgen van een dienstverband in de zin van de Wsw heeft appellant bij besluit van 10 september 1999 de indicatie van gedaagde voor de Wsw vervallen verklaard. Gedaagde heeft daartegen bezwaar gemaakt en aangevoerd dat hij zich slecht behandeld voelde en geen zin meer had in gesprekken en discussies. Appellant heeft vervolgens het bezwaar bij besluit van 13 december 1999 gegrond verklaard en nader besloten dat gedaagde van de wachtlijst wordt gehaald, totdat hij aangeeft wel medewerking te zullen verlenen bij het zoeken van een passende arbeidsplek.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit gerichte beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat noch in de Wsw noch in het op die wet gebaseerde Besluit indicatie sociale werkvoorziening (gepubliceerd in Stb. 1997, 469) een grondslag aanwijsbaar is voor het besluit om gedaagde van de wachtlijst te halen.

3. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat noch in de Wsw noch in het op die wet gebaseerd Besluit indicatie sociale werkvoorziening een grondslag aanwijsbaar is voor appellants besluit om gedaagde van de wachtlijst te halen. De Raad overweegt daartoe het volgende.

3.1. Artikel 7, eerste lid, van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening geeft voorschriften met betrekking tot het beheer van de wachtlijst. In het vierde lid van dat artikel is - limitatief - aangegeven in welke acht gevallen een betrokkene van de wachtlijst wordt gehaald. De thans door appellant beschreven situatie behoort daar niet bij, hetgeen overigens door appellant ook wordt erkend.

3.2. Appellant acht zich evenwel gerechtigd om gedaagde met analoge toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Wsw, van de wachtlijst te halen. Appellant is van mening dat de ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wsw voor de werknemer geldende verplichting om mee te werken aan het behoud en het bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid ook geldt voor de kandidaat-werknemer die op de wachtlijst staat en dat het verzaken van die verplichting gesanctioneerd kan worden met het besluit betrokkene van de wachtlijst te halen.

3.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat degene die in de fase verkeert dat hij op de wachtlijst staat niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wsw. Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw wordt immers onder werknemer verstaan degene die een dienstbetrekking heeft, en daarvan is bij degene die op de wachtlijst staat (nog) geen sprake. Voorts biedt ook de wetsgeschiedenis van artikel 6 van de Wsw geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat de wetgever de mogelijkheid heeft willen openen om met toepassing van dat artikel voor personen die geen werknemer zijn een besluit te nemen als hier in geding. Aangezien zodanige bevoegdheid ook overigens niet in de Wsw of de daarop gebaseerde regelgeving is te ontwaren moet de Raad tot de conclusie komen dat appellant niet bevoegd is om gedaagde op de door hem gehanteerde grond van de wachtlijst te halen.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 644,-, te betalen door Integrale bedrijven Noordoost-Noord-Brabant aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van Integrale bedrijven Noordoost-Noord-Brabant een recht van € 327,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. Dierdorp.

HD

Q.