Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AD9454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2002
Datum publicatie
22-02-2002
Zaaknummer
00/1957 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 49g, geldigheid: 2002-01-17
Algemeen Rijksambtenarenreglement 49h, geldigheid: 2002-01-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/69

Uitspraak

00/1957 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde en nadien nog nader gemotiveerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht gegeven uitspraak van de president van de rechtbank Arnhem van 17 april 2000, nrs. Awb 00/488 AW en 00/489 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het verzoek van appellante tot het treffen van een voorlopige voorziening is door de president van de Raad bij uitspraak van 15 juni 2000, nr. 00/1960 AW-VV, gehonoreerd in die zin dat gedaagde met ingang van de plaatsing van appellante in [standplaats 1] per 1 mei 2000 tot aan de uitspraak van de Raad in het geding ten gronde, verplicht is om wekelijks 3 uur reistijd te beschouwen als werktijd.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 december 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Kastein, advocaat te Nijmegen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.M. Kauffman en W.M. Kort, beiden werkzaam bij gedaagdes ministerie.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellante was sedert 1984 werkzaam als analist microbiologie bij de (voormalige) Keuringdienst van Waren, sinds 1989 met standplaats [standplaats 2]. De werktijd van appellante bedroeg 14,4 uur (feitelijk 16 uur) per week, verdeeld over drie dagen. In verband met een reorganisatie en een fusie is het aantal vestigingen van de nieuw gevormde Inspectie Gezondheidsbescherming Waren en Veterinaire Zaken (hierna: Inspectie W&V) verminderd, hetgeen leidde tot opheffing van de dienst in [standplaats 2].

Bij primair besluit van 28 september 1998 heeft gedaagde zijn tevoren aan appellante kenbaar gemaakte voornemen tot plaatsing van appellante per 1 september 1998 bij de Inspectie W&V in de functie van analist microbiologie, regionale dienst oost, met als standplaats [standplaats 1] gehandhaafd. Het bezwaar van appellante daartegen is bij het bestreden besluit van 4 februari 2000 ongegrond verklaard. De feitelijke verplaatsing van de werkzaamheden van [standplaats 2] naar [standplaats 1] heeft per 1 mei 2000 plaatsgevonden.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak is het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat appellante ten gevolge van de opheffing van de dienst te [standplaats 2] niet als een te verplaatsen functievolger is aan te merken, maar als een herplaatsingskandidaat aan wie op grond van artikel 49g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) ten minste één passende functie had dienen te worden aangeboden. De president van de rechtbank bepaalde echter tevens dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, omdat hij van oordeel was dat de aan appellante aangeboden functie te [standplaats 1] passend was en aan appellante redelijkerwijs kon worden opgedragen.

2.1. Het hoger beroep van appellante richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 4 februari 2000. Appellante is van oordeel dat de functie in [standplaats 1] voor haar niet passend is, gezien de daaraan verbonden reistijd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat de (enkele) reis naar haar werk in [standplaats 1] ongeveer anderhalf uur in beslag neemt en dat er, uitgaande van haar arbeidspatroon van drie dagen werken per week, een wanverhouding bestaat tussen de totale reistijd (9 uur) en aanstellingsomvang (14,4 uur). Verdeling van de werkzaamheden over twee dagen per week, zoals door gedaagde aangeboden, stuit voor appellante op problemen, omdat zij haar dochter (geboren in april 1993) 's ochtends eerst naar school (aanvang 08.30 uur) moet brengen. Haar echtgenoot begint om 7.30 uur met zijn werk terwijl er in [standplaats 2] geen voorschoolse opvang bestaat. Als gevolg hiervan is appellante te laat op het werk aanwezig om werkdagen van 8 uur te kunnen maken. Ter zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat zij door toewijzing van de voorlopige voorziening wel in staat is haar werkzaamheden over twee dagen te verdelen. Onder deze voorwaarden kan volgens appellante van een passende functie worden gesproken. Appellante verzoekt de Raad te bepalen dat gedaagde gedurende drie jaar, te rekenen vanaf 1 mei 2000, wekelijks drie uur reistijd aanmerkt als werktijd. Na die drie jaar is appellantes dochter in staat zelfstandig naar school te gaan.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Van een passende functie als bedoeld in artikel 49g van het ARAR is volgens artikel 49h ARAR sprake indien de herplaatsingskandidaat beschikt over de noodzakelijke kennis en kunde voor de betreffende functie en die functie hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.

3.2. Uit de door partijen ingenomen standpunten leidt de Raad af dat het geding zich toespitst op de vraag of aan appellante de functie in [standplaats 1], gelet op haar omstandigheden, redelijkerwijs kon worden opgedragen.

3.3. Evenals de president van de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag in bevestigende zin.

3.4. De in verband met de reorganisatie en fusie opgestelde nota Flankerend Beleid Plaatsingsprocedure, heeft als uitgangspunt alle betrokken medewerkers in vaste dienst en medewerkers in tijdelijke dienst voor een proeftijd een passende functie bij de Inspectie W&V aan te bieden. Daarbij is onderkend dat, door sluiting van vestigingen, plaatsing in veel gevallen tot een toename van de reisafstand tussen woning en werk zou leiden. Een reistijd van anderhalf uur (enkele reis, openbaar vervoer, van deur tot deur) werd acceptabel geacht voor het aanbieden van een (ook overigens) passende functie.

3.5. De Raad kan dit uitgangspunt niet onjuist of onredelijk achten. Van de zijde van gedaagde is gesteld dat appellantes reistijd voornoemde anderhalf uur niet overschrijdt. Gelet ook op appellantes verklaring ter zitting gaat de Raad er van uit dat de reistijd van appellante - onder normale omstandigheden - in totaal niet meer dan drie uur per dag bedraagt. De Raad acht de omvang van die reistijd, ook indien appellante er de voorkeur aan geeft haar werkzaamheden over drie dagen te verdelen, niet zodanig bezwaarlijk dat om die reden de functie niet passend is te achten. Hij onderschrijft derhalve niet appellantes grief dat er in dat geval een wanverhouding bestaat tussen de totale reistijd en de aanstellingsomvang, nog daargelaten dat appellante daarbij uitgaat van de aanstellingsomvang en niet van haar - in verband met de opbouw van ADV-dagen langere - feitelijke arbeidsduur. Nu geen sprake is van een niet passende functie vanwege de daaraan verbonden reistijd, kwam gedaagde niet toe aan de zogenoemde hardheidsclausule en behoefde gedaagde niet te onderzoeken of die functie, bijvoorbeeld door appellante toe te staan een gedeelte van haar reistijd als werktijd aan te merken, alsnog passend gemaakt kon worden. Appellantes grief dat gedaagde direct dan wel indirect onderscheid naar geslacht maakt, door de hardheidsclausule niet toe te passen, moet derhalve worden verworpen.

3.6. De Raad merkt hierbij nog op dat er niet aan kan worden voorbij gezien dat gedaagde appellante heeft toegestaan de werkzaamheden over twee dagen te verdelen, in welk geval de verhouding werktijd - reistijd geen andere is dan bij fulltimers. Dat het voor appellante niet mogelijk is om werkdagen van 8 uur te maken, is een gevolg van haar keuzes om zelf haar dochter naar school te brengen en -deels ook- om feitelijk meer uren te werken dan haar aanstellingsomvang teneinde ADV-dagen op te bouwen. Overigens zou een vermindering van de aanstellingsomvang voor gedaagde ook bespreekbaar zijn geweest.

4.1. Uit het vorenstaande volgt dat de Raad van oordeel is dat gedaagde appellante de functie in [standplaats 1] redelijkerwijs kon opdragen en dat sprake is van een passende functie in de zin van artikel 49 h van het ARAR. De Raad tekent hierbij nog aan dat geenszins gezegd kan worden dat appellante is overvallen met de verhuizing van haar werkplek. Reeds in 1998 is appellante in [standplaats 1] geplaatst, terwijl de feitelijke verplaatsing eerst per 1 mei 2000 plaatsvond. Appellante heeft dus ruimschoots de tijd gehad om een oplossing te vinden voor haar problemen. Dat er in [standplaats 2] geen voorschoolse opvang bestaat, betekent niet dat er niet op een andere wijze een aanvaardbare oplossing mogelijk zou zijn geweest.

4.2. Nu het bestreden besluit in rechte stand houdt, moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen termen, zodat als volgt wordt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

Q