Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:2

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2002
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
99-1051 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering wachtgeld. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bevoegdheid om tot terugvordering van aan appellant ten onrechte betaald wachtgeld over te gaan is blijven berusten bij de Minister van Binnenlandse Zaken en dat deze bevoegdheid niet is overgegaan naar de Minister van OCenW en vervolgens naar gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/1051 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Groningen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 januari 1999, nr. 97/956 AW P02 G 05, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 augustus 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L. Rijpkema, advocaat te Groningen als zijn raadsman. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Langguth, werkzaam bij Uszo Diensten B.V. (thans: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen).

Nadat in raadkamer was gebleken dat het onderzoek niet volledig was geweest heeft de Raad het onderzoek heropend en nadere vragen aan gedaagde gesteld. Op het namens gedaagde gegeven antwoord is namens appellant gereageerd.

Vervolgens hebben partijen ingestemd met afdoening buiten zitting.

II. MOTIVERING

1.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1.

Appellant is in vaste dienst werkzaam geweest bij het Academisch Ziekenhuis Groningen. Na ontslag op grond van artikel 96, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), is hem bij besluit van 9 september 1986 van de Minister van Binnenlandse Zaken met ingang van 1 juli 1986 een wachtgelduitkering toegekend op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 voor een periode eindigend op 13 februari 1993.

2.2.

In januari 1995 is vanwege de toenmalige Dienst Uitvoering Ontslaguitkerings-regelingen (DUO) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken een onderzoek gestart naar de hoogte van de inkomsten die appellant naast zijn uitkering heeft verworven. Nadat daaromtrent in mei 1995 door de DUO informatie was verkregen van de Belastingdienst Particulieren, heeft de toenmalige Stichting Uszo namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) bij besluit van 3 september 1996 bericht dat appellant over de jaren 1991, 1992 en 1993 in totaal f. 47.123,75 teveel aan wachtgeld is betaald, welk bedrag van hem wordt teruggevorderd.

2.3.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij de Minister van OCenW.

2.4.

Bij het thans in geding zijnde besluit van 15 augustus 1997 heeft de Stichting Uszo namens gedaagde het bezwaar van appellant in zoverre gegrond verklaard dat het terug te betalen bedrag over 1991 wordt verminderd, zodat het totale terug te betalen bedrag

f 33.078,61 bedraagt en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

2.5.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak ten aanzien van de bevoegdheid van gedaagde overwogen dat de wachtgelduitkering is toegekend door de Minister van Binnenlandse Zaken, maar dat met het van kracht worden van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO), de Minister van OCenW belast is geworden met de uitvoering van het wachtgeldbesluit. Met de invoering van het Besluit wachtgeld-regelingen Academische Ziekenhuizen is die bevoegdheid volgens de rechtbank vervolgens overgegaan op gedaagde.

Voor het overige heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.

Evenals in eerste aanleg is namens appellant in hoger beroep betwist dat gedaagde gerechtigd zou zijn tot terugvordering. Appellant heeft naar zijn zeggen bij de invulling van de inkomstengegevens op de maandformulieren gehandeld conform de afspraken die in het kader van zijn ontslag met gedaagde waren gemaakt over zijn neveninkomsten. Die afspraken hielden in dat neveninkomsten niet zouden worden gekort, ook niet als die neveninkomsten aanzienlijk meer zouden gaan bedragen dan voorafgaand aan het ontslag het geval was. Subsidiair is namens appellant bepleit dat gedaagde het terugvorderings-bedrag had moeten matigen, omdat de fouten zijn terug te voeren op het niet adequaat handelen van gedaagde.

4.1.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bevoegdheid om tot terugvordering van aan appellant ten onrechte betaald wachtgeld over te gaan is blijven berusten bij de Minister van Binnenlandse Zaken en dat deze bevoegdheid niet is overgegaan naar de Minister van OCenW en vervolgens naar gedaagde. Vaststaat dat de uitkering van appellant op 14 februari 1993 en derhalve vóór het van kracht worden van het BWOO per 1 maart 1994 is beëindigd. Appellant is geen betrokkene (geworden) in de zin van artikel 1, onder b, van het BWOO. Evenmin vindt de Raad in het Overgangsrecht van het BWOO – ook niet in artikel II, onder 14, van het BWOO - aanknopingspunten voor een overgang van de bevoegdheid naar de Minister van OCenW (en van laatst-genoemde vervolgens naar gedaagde). Appellant heeft uitsluitend wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 ontvangen en blijkens het toenmalige en het thans geldende Rijkswachtgeldbesluit is slechts de Minister van Binnenlandse Zaken bevoegd tot uitvoering van dat besluit.

4.2.

Gezien het vorenstaande dienen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te worden vernietigd. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ook het primaire besluit van 3 september 1996 te vernietigen.

5.

In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van ƒ 2.840,- (€ 1.288,-) als kosten van rechtsbijstand.

6.

Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het primaire besluit van 3 september 1996;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 1.288,- als kosten van rechtsbijstand, te betalen door het Academisch Ziekenhuis Groningen;

Bepaalt dat het Academisch Ziekenhuis Groningen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van € 97,56 (f 215,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

21.01