Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2001
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
98/3921 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijk ontslag. Tewerkstellingsbeslissing van rechtspositionele aard. Geen Awb-besluit. Vernietiging primair. Immateriële schade. Eer en goede naam.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet, geldigheid: 2001-02-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 202
TAR 2001/46

Uitspraak

98/3921 AW Q.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde

gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te

Haarlem van 16 april 1998, nr. 97/8748 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde aan de Raad nadere inlichtingen verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 januari 2001, waar appellant in persoon is

verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Wiebosch, advocaat te Haarlem en waar gedaagde zich

heeft laten vertegenwoordigen door A. van der Kooij en S. Beijer, beiden werkzaam bij de

gemeente Haarlem.

II. MOTIVERING

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de

Raad naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

Appellant is sinds 1966 in dienst van gedaagde als vakleerkracht lichamelijke opvoeding.

Laatstelijk was hij werkzaam in een volledig dienstverband en tewerkgesteld op twee

openbare basisscholen in Haarlem, te weten voor 21 uur op [X.] en voor 17 uur op de [Y.].

Nadat omtrent appellant klachten waren ingediend is daarnaar nader onderzoek verricht en

heeft gedaagde appellant in afwachting van de resultaten van dat onderzoek geschorst. Naar

aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde geconcludeerd dat sprake

was van ernstig verstoorde verhoudingen tussen appellant en de leiding van de [Y.], een

groot deel van het team en de ouders van de leerlingen van die school.

Bij besluit van 29 april 1997, aan appellant medegedeeld bij brief van 12 mei 1997, heeft

gedaagde aan appellant met ingang van 1 augustus 1997 ontslag verleend uit zijn 40%

deeltijdbetrekking aan de openbare basisschool [Y.] op grond van artikel II-D3, tweede lid

onder f, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo). Als grond voor dit besluit

is gehanteerd ernstig en blijvend verstoorde verhoudingen en aan het ontslag is het

predikaat eervol onthouden. Tevens is bij dit besluit de schorsing verlengd tot de datum van

ontslag.

Bij het in dit geding bestreden besluit van 15 oktober 1997 heeft gedaagde, na namens

appellant tegen het ontslagbesluit gemaakt bezwaar, dit besluit gehandhaafd.

De rechtbank heeft het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond

verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de in

dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.

Appellant was laatstelijk op grond van artikel 20a van de Wet op het basisonderwijs in

algemene dienst van gedaagde aangesteld (een zogeheten bestuursaanstelling). De strekking

van het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit was appellants tewerkstelling

bij de [Y.] van 17 uren per week te beëindigen en appellant als uitvloeisel daarvan voor

40% uit zijn betrekking te ontslaan.

De Raad kan het van de zijde van appellant ingenomen standpunt dat onder meer

voornoemd artikel 20a aan ontslag uit een deel van appellants betrekking in de weg zou

staan, niet volgen. Weliswaar voorzien de toepasselijke bepalingen, waaronder artikel II-D3,

tweede lid, van het Rpbo, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid het dienstverband

gedeeltelijk te beëindigen, maar dit belet niet dat deeltijdontslag bijvoorbeeld als uitvloeisel

van het beëindigen van een deeltijdtewerkstelling geoorloofd kan zijn, mits voor die

beëindiging en dat ontslag voldoende gronden zijn.

Appellant voert vervolgens aan dat het aan hem verleende deeltijdontslag niet mogelijk was

omdat hij gezien zijn akte van aanstelling en de daarop betrekking hebbende addenda ten

tijde van dat ontslag niet bij de [Y.] tewerkgesteld was.

De Raad overweegt dienaangaande dat bij akte van aanstelling van 23 januari 1996 is

bepaald dat appellants totale betrekkingsomvang met ingang van 1 augustus 1995 38.00

klokuren/minuten omvatte en dat appellants werkzaamheden voor 4.15 klokuren/minuten

aan de openbare basisschool [Z.] de basis en voor 33.45 klokuren/minuten aan [X.] werden

uitgevoerd. In deze aanstellingsakte is bij gedaagdes addenda van 18 april 1997 - kort voor

het ontslagbesluit - de bepaling opgenomen dat de werkzaamheden met ingang van 1

augustus 1996 voor 17.00 klokuren/minuten aan de [Y.] en voor 21.00 klokuren/minuten

aan [X.] werden uitgevoerd. Bij gedaagdes addenda van 29 september 1997 - kort voor het

bestreden besluit - is in voormelde aanstellingsakte de bepaling opgenomen dat de

werkzaamheden met ingang van 1 augustus 1996 voor 4.19 klokuren/minuten aan de [Z.] de

basis en voor 33.41 klokuren/minuten aan [X.] werden uitgevoerd.

De Raad stelt vast dat appellant ingevolge de addenda van 29 september 1997 bij het

ingaan van zijn ontslag niet bij de [Y.], maar slechts bij de [Z.] de basis en [X.] was

tewerkgesteld.

Namens gedaagde is hiertegen aangevoerd dat appellant bij zijn ontslag feitelijk voor 17 uur

per week bij de [Y.] was tewerkgesteld. De besluiten van 23 januari 1996 en de addenda

van 29 september 1997 stemden hiermee niet overeen, omdat ze uitsluitend waren

afgestemd op de voor de onderscheidene basisscholen beschikbare formatieruimte en niet de

werkelijkheid weergaven. Gedaagde acht een dergelijk gebruik van

tewerkstellingsbeslissingen geen probleem, omdat deze besluiten en addenda naar zijn

oordeel geen rechtspositionele maar slechts administratieve bekenis hadden.

De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. De aanstelling in algemene dienst bracht

ingevolge de destijds toepasselijke bepalingen mee dat het bevoegd gezag moest beslissen

bij welke school en in welke omvang de leraar tewerkgesteld werd. Die

tewerkstellingsbeslissing is mede bepalend voor de rechtspositie van betrokkene en derhalve

van rechtspositionele aard. In het onderhavige geval is dat op juiste wijze tot uitdrukking

gebracht door de tewerkstellingsbeslissingen van 23 januari 1996 in de akte van aanstelling

van die datum op te nemen en de latere tewerkstellingsbeslissingen door middel van nadere

besluiten - zogeheten addenda - op die akte vast te leggen en aan appellant bekend te

maken. Terecht is in al deze stukken steeds de mogelijkheid van bezwaar op grond van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermeld. Dat de aanduiding van de plaats en omvang

van de tewerkstellingen slechts werd bepaald door budgettaire overwegingen is een keuze

van gedaagde, die niet aan de rechtspositionele betekenis van de tewerkstellingsbeslissingen

kan afdoen.

Nu appellant van de mogelijkheid van bezwaar tegen die beslissingen geen gebruik heeft

gemaakt, staat rechtens vast dat hij ten tijde van zijn ontslag slechts bij de [Z.] de basis en

[X.] was tewerkgesteld. Dat de tewerkstellingsbeslissingen geen realiteitswaarde hadden kan

hieraan, gezien de rechtspositionele betekenis van die beslissingen, niet afdoen. Nu

appellant niet bij de [Y.] tewerkgesteld was, kon die tewerkstelling niet beëindigd worden.

Als gevolg daarvan was er ook geen grond voor het aan appellant verleende ontslag voor

40% uit zijn betrekking in algemene dienst.

Reeds daarom kan het bestreden besluit, evenals het daaraan ten grondslag liggende

primaire besluit, niet in stand blijven, zodat de overige grieven van appellant geen

bespreking meer behoeven. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak en, met toepassing

van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, ook het primaire besluit van 29 april 1997 worden

vernietigd.

De Raad wijst het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade af, nu niet

is gebleken van een tot vergoeding aanleiding gevend geschaad zijn van appellant in zijn

eer of goede naam of van een aantasting in zijn persoon op andere wijze in de zin van

artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. In dit verband acht de Raad van belang dat het

onderhavige ontslag geen beletsel is geweest voor appellant om zijn werkzaamheden bij

[X.] normaal te kunnen blijven verrichten.

Tenslotte acht de Raad termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de

Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep,

ten bedrage van respectievelijk f 1.420,- en f 1.420,- aan kosten van juridische bijstand.

Derhalve wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit van 15 oktober 1997 alsnog

gegrond en vernietigt dat besluit;

Vernietigt het primaire besluit van 29 april 1997;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep

ten bedrage van in totaal f 2.840,-, te betalen door de gemeente Haarlem;

Bepaalt dat de gemeente Haarlem aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger

beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van f 210,- voor het geding in eerste

aanleg en f 315,- voor het geding in hoger beroep.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr.

J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) C. Dierdorp.

HD