Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:BJ7411

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2001
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
99/384 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde weigering na reorganisatie te hervatten in geplaatste, en door de Raad passend geachte, functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/384 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Alkmaar van 21 december 1998, nr. AW 97/1215, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 april 2001, waar appellant - zoals tevoren bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.T.M. van Doesum en G.J.M. Brakenhoff, beiden werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV).

II. MOTIVERING

2.1 Appellant was werkzaam bij het Ministerie van LNV, laatstelijk in de functie van assistent-districtsbureauhouder bij de Dienst Uitvoering Regelingen (DUR) met als standplaats Alkmaar. In 1995-1996 heeft een ingrijpende reorganisatie plaatsgevonden van de DUR, waarbij appellants functie is komen te vervallen. Op een belangstellingsregistratieformulier heeft appellant als eerste voorkeur aangegeven dat hij wachtgeld wenste. Zijn aanvankelijk aangegeven tweede en derde voorkeur, te weten de functies van medewerker regelingen buitendienst en medewerker regelingen A, beide met als standplaats Diemen, heeft hij nadien ingetrokken. Bij besluit van 28 augustus 1995 is appellant met ingang van 1 september 1995, overeenkomstig het advies van de Vertrouwenscommissie LNV, geplaatst in de functie van medewerker regelingen buitendienst in de regio Noordwest met als standplaats Diemen. Op 6 februari 1996 heeft een keuring plaatsgevonden betreffende appellants medische geschiktheid voor deze functie, met als uitkomst dat hij daarvoor ongeschikt werd bevonden doch geschikt werd geacht voor werkzaamheden waarbij hij niet in koel- of vrieshuizen hoefde te werken en niet te lang achtereen hoefde te staan. Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien het besluit van 28 augustus 1995 in te trekken en appellant bij brief van 16 februari 1996 voorlopig geplaatst in de functie van medewerker regelingen A in de regio Noordwest met als standplaats Diemen. Nadat appellant bij brieven van 21 en 28 februari 1996 zijn bedenkingen had geuit tegen deze voorlopige plaatsing, heeft gedaagde hem bij besluit van 1 juli 1996, overeenkomstig het advies van de Vertrouwenscommissie LNV, definitief geplaatst in de functie van medewerker regelingen A bij de regio Noordwest van de Landelijke service bij regelingen (LASER), zoals de DUR met ingang van 1 januari 1996 was gaan heten.

2.2 Feitelijk heeft appellant, op basis van specifieke afspraken, na 1 september 1995 zijn werkzaamheden op het kantoor te Alkmaar voortgezet. Met ingang van 20 november 1995, de datum van de verhuizing van kantoor Alkmaar naar Diemen, heeft appellant zich ziek gemeld. Nadat de bedrijfsarts hem met ingang van 14 december 1995 arbeidsgeschikt had verklaard voor aangepast werk, waarbij hij vooralsnog niet in koelhuizen en dergelijke mocht werken, heeft hij zijn werkzaamheden ondanks herhaalde waarschuwingen niet hervat. Daarop is van de zijde van gedaagde het hiervóór vermelde medisch onderzoek bevorderd, dat op 6 februari 1996 heeft plaatsgevonden, waarbij appellant wederom arbeidsgeschikt werd geacht onder de eerder genoemde voorwaarde. Naar aanleiding van appellants bezwaar tegen de uitslag van deze medische keuring heeft op 28 maart 1996 een hernieuwd medisch onderzoek plaatsgevonden door een commissie van drie geneeskundigen als bedoeld in artikel 37 (oud) van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Deze commissie kwam daarbij tot het oordeel dat appellant niet op grond van een ziekte of gebrek verhinderd was zijn betrekking te vervullen. Gelet op deze uitslag en onder verwijzing naar de eerder gevoerde correspondentie heeft gedaagde appellant bij brief van 16 april 1996 dringend verzocht om maandag 22 april 1996 op zijn werkplek te verschijnen om aldaar zijn werkzaamheden te hervatten behorende bij de functie van medewerker regelingen A. Gedaagde heeft daarbij, onder verwijzing naar artikel 41 (oud) van het ARAR, aangegeven dat indien appellant niet aan dit verzoek zou voldoen passende maatregelen zouden worden getroffen. Appellant heeft desondanks, zonder opgaaf van reden, zijn werkzaamheden niet hervat. Daarop heeft gedaagde appellant bij brief van 23 april 1996 de gelegenheid geboden zijn werkzaamheden alsnog te hervatten op woensdag 1 mei 1996, waarbij hem bij weigering aan dit verzoek te voldoen onmiddellijke stopzetting van zijn bezoldiging in het vooruitzicht werd gesteld. Appellant heeft zijn werkzaamheden desalniettemin niet hervat en bij monde van zijn toenmalige gemachtigde aangegeven dat eerst een zorgvuldige afweging van zijn bezwaren tegen de voorlopige plaatsing diende plaats te vinden. Daarop heeft gedaagde appellant bij besluit van 7 mei 1996 medegedeeld dat, nu hij op geen enkele wijze gehoor heeft gegeven aan herhaalde verzoeken van de dienstleiding om zijn arbeid te hervatten, zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 41, vierde lid, onder e (oud), van het ARAR en dat op die grond de betaling van zijn bezoldiging met onmiddellijke ingang is stopgezet.

2.3 Nadat appellant had bericht dat hij bezwaar zou maken tegen het definitieve plaatsingsbesluit van 1 juli 1996 is hem bij brief van 8 juli 1996 verzocht om op donderdag 11 juli 1996 te verschijnen op het kantoor te Diemen, waarbij hem is medegedeeld dat een eventuele bezwarenprocedure geen opschortende werking heeft ten aanzien van het definitieve plaatsingsbesluit van 1 juli 1996, en dat indien hij geen gevolg zou geven aan deze oproep zijn salarisbetaling geblokkeerd zou blijven en verdere rechtspositionele maatregelen zouden worden getroffen. Appellant heeft ook op 11 juli 1996 zijn werkzaamheden niet hervat. Daarop heeft gedaagde appellant bij brief van 17 juli 1996 in kennis gesteld van zijn voornemen hem wegens ongeoorloofde afwezigheid de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Nadat appellant schriftelijk zijn zienswijze omtrent dit ontslagvoornemen had gegeven, heeft gedaagde hem bij besluit van 26 augustus 1996 wegens ongeoorloofde afwezigheid met ingang van 1 september 1996 disciplinair ontslag verleend overeenkomstig het bepaalde in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR.

2.4 Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen gedaagdes besluiten van 7 mei 1996 (stopzetten bezoldiging), 1 juli 1996 (definitieve plaatsing) en 26 augustus 1996 (disciplinair ontslag). Bij het bestreden besluit van 23 april 1997 zijn deze bezwaren, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaren personele aangelegenheden LNV, ongegrond verklaard.

2.5 Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 23 april 1997 ongegrond verklaard.

2.6 De Raad overweegt het volgende.

2.7 Evenals de rechtbank stelt de Raad voorop dat appellants opvatting dat de hem opgedragen functie van medewerker regelingen A bij de dienst LASER met als standplaats Diemen niet passend was, bepalend heeft laten zijn voor zijn handelen nadien. De Raad zal daarom eerst zijn oordeel geven over het gehandhaafde besluit van 1 juli 1996 waarbij appellant definitief in deze functie is geplaatst.

2.8 Dienaangaande stelt de Raad voorop dat ingevolge artikel 49h, eerste lid, van het ARAR bij reorganisaties sprake is van een passende functie indien de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van de betrokken Minister beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen danwel indien de herlaatsingskandidaat naar het oordeel van de Minister binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen.

2.9 Appellant heeft betoogd dat de hem opgedragen functie van medewerker regelingen A niet passend is omdat deze functie in betekenende mate afwijkt van zijn oude functie van assistent-districtsbureauhouder, aangezien laatstgenoemde functie een sterk voorlichtend karakter had terwijl zijn nieuwe functie hoofdzakelijk controlerende werkzaamheden behelst. Daargelaten of hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de functie van medewerker regelingen A voor appellant geen passende functie in voormelde zin betreft, is de Raad van oordeel dat appellants standpunt feitelijk onjuist is, nu uit de zich onder de gedingstukken bevindende beschrijving van de functie medewerker regelingen A naar voren komt dat die functie in hoofdzaak uitvoerende werkzaamheden omvat, in het bijzonder de behandeling van aanvragen met betrekking tot geobjectiveerde regelingen en het opstellen van beschikkingen, alsmede het verstrekken van algemene en regelingsinhoudelijke informatie, zodat van overwegend controlerende werkzaamheden geen sprake is.

2.10 De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn standpunt dat de functie medewerker regelingen A niet passend is omdat hij beschikt over een HBO-diploma (Hogere Agrarische School) terwijl de hem opgedragen functie op MBO-niveau ligt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellants vorige functie eveneens op MBO-niveau lag en hij onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in deze niet het opleidingsniveau van de betrokken ambtenaar doch het niveau van de vroegere functie bepalend is. Daaraan doet niet af dat appellant destijds op grond van persoonlijke motieven een functie op MBO-niveau heeft aanvaard.

2.11 Appellants hoofdbezwaar tegen de hem opgedragen functie betreft de daaraan verbonden reistijd en reiskosten. Dienaangaande heeft appellant betoogd dat de enkele reistijd van zijn woonplaats Koedijk naar zijn nieuwe standplaats Diemen-Zuid in totaal twee uur bedraagt. Volgens appellant bedraagt de reistijd van Koedijk naar station Alkmaar-Noord 15 minuten, de reistijd per trein van Alkmaar-Noord naar Diemen-Zuid 1 uur en 32 minuten en de reistijd van station Diemen-Zuid naar zijn kantoor ongeveer 15 minuten. Gedaagde heeft dit standpunt bestreden en gesteld dat de enkele reistijd ongeveer 1 uur en 30 minuten bedraagt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft gedaagde gewezen op een zich onder de gedingstukken bevindend reistijdenoverzicht waaruit blijkt dat de enkele reistijd van station Alkmaar naar station Diemen-Zuid

’s-ochtends variëert van 1 uur en 5 minuten tot 1 uur en 15 minuten. Gedaagde heeft voorts benadrukt dat op appellant het zogeheten Flankerend Beleid van toepassing is, hetgeen in zijn geval betekent dat hij (a) gedurende 5 jaar een vrijwel volledige vergoeding van reiskosten ontvangt met daarna een afbouw daarvan, (b) vergoeding plaatsvindt van de eventuele verhuiskosten, gekoppeld aan een functieverplaatsingstoelage en (c) gedurende twee jaar een deel van de reistijd als diensttijd wordt aangemerkt.

2.12 De Raad stelt vast dat de gedingstukken geen volstrekte helderheid verschaffen over de enkele reistijd van appellants woonplaats naar zijn nieuwe standplaats. De Raad ziet evenwel in een enkele reistijd van anderhalf tot twee uur en de daaraan verbonden reiskosten geen omstandigheid op grond waarvan geoordeeld moet worden dat gedaagde de functie medewerker regelingen A met als standplaats Diemen niet in redelijkheid aan appellant had kunnen opdragen, nu deze nadelige gevolgen in belangrijke mate worden gemitigeerd door het ter zake door gedaagde gevoerde Flankerend Beleid. Weliswaar heeft appellant er terecht op gewezen dat de in het kader van dit beleid door gedaagde te treffen maatregelen een tijdelijk karakter hebben, doch de Raad is van oordeel dat appellant daarmee voldoende tijd en gelegenheid is geboden om zich op zijn nieuwe situatie in te stellen en zonodig passende maatregelen te treffen. De Raad is overigens niet gebleken dat op grond van bijzondere persoonlijke omstandigheden van appellant niet gevergd zou kunnen worden zijn functie in Diemen uit te oefenen. Hetgeen appellant in dat verband heeft aangevoerd, namelijk dat hij vanwege trombose aan zijn linker- en rechterbeen alsmede zijn leeftijd niet in staat zou zijn dagelijks te reizen tussen zijn woonplaats en zijn standplaats, is niet aan de hand van medische gegevens onderbouwd.

2.13 Uit het vorenstaande volgt dat het gehandhaafde besluit van 1 juli 1996 tot definitieve plaatsing van appellant in de functie van medewerker regelingen A met als standplaats Diemen in rechte stand houdt.

2.14 Met betrekking tot het gehandhaafde besluit van 7 mei 1996 waarbij appellants bezoldiging, met toepassing van artikel 41, vierde lid, aanhef en onder e (oud), van het ARAR, met onmiddellijke ingang is stopgezet overweegt de Raad het volgende. Genoemd artikellid bepaalt – imperatief – dat de aanspraak op betaling van de bezoldiging vervalt, indien en gedurende de tijd dat de ambtenaar in gebreke blijft op het door de bedrijfsgeneeskundige dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate zijn arbeid te hervatten, tenzij hij daarvoor een door deze dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven. Voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat appellant in gebreke is gebleven om zijn werkzaamheden als medewerker regelingen A te hervatten ofschoon hij daartoe door de bedrijfsarts alsook door de commissie van drie geneeskundigen geschikt was bevonden. De Raad stelt vast dat de bedrijfsarts noch de commissie van drie geneeskundigen in de aan die functie verbonden reistijd een geldige reden heeft gezien voor appellant om zijn werkzaamheden als medewerker regelingen A niet op te pakken. Hieruit volgt dat gedaagde op goede gronden heeft besloten om de bezoldiging van appellant met onmiddellijke ingang stop te zetten.

2.15 Met betrekking tot het gehandhaafde besluit van 26 augustus 1996, waarbij appellant met ingang 1 september 1996 disciplinair ontslag is verleend, is de Raad van oordeel dat appellant door ondanks herhaalde verzoeken zonder geldige reden te volharden in zijn weigering zijn werkzaamheden te hervatten, zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 80, tweede lid, van het ARAR. De Raad is voorts van oordeel dat de opgelegde maatregel van disciplinair ontslag niet onevenredig is te achten aan de aard en de ernst van de appellant verweten gedraging. Appellant is nadrukkelijk gewezen op de mogelijke gevolgen van zijn gedrag en heeft in weerwil van de stopzetting van zijn bezoldiging volhard in zijn weigering zijn werkzaamheden te hervatten, van welke weigering achteraf moet worden vastgesteld dat daarvoor geen grond was. Door dit gedrag heeft hij welbewust het risico genomen dat gedaagde tot disciplinair ontslag zou overgaan.

2.16 Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. W van den Brink als voorzitter en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2001.

(get.) W. van den Brink.

(get.) M. Pijper.

HD

14.05