Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:BJ6189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2001
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
99/271 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Politieagent verricht in diensttijd werkzaamheden voor bedrijf vriendin, met wie hij een buitenechtelijke relatie heeft. Verklaart ism waarheid, dat een buitenlander, omwille van verkrijgen verblijfsvergunning, bij vriendin woonachtig is en adviseert vriendin wat het beste aan de vreemdelingendienst verteld kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/271 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 8 december 1998, nr. 97/2512 AW Z ALK, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarna namens appellant nog een nader stuk is ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 november 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Zoetermeer. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P.H. Hendrix, werkzaam bij voormelde politieregio.

II. MOTIVERING

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant was sedert 1963 werkzaam als politie-ambtenaar, laatstelijk als [naam functie] van politie bij de politieregio Limburg Zuid. Nadat hij in het kader van een door de politieregio ingesteld onderzoek naar schijnhuwelijken

- waarbij mede [naam H.], een bekende van appellant, als verdachte was betrokken - op 27 en 28 november 1996 was gehoord, is vastgesteld dat hij zich aan plichtsverzuim had schuldig gemaakt. Deswege is hem bij besluit van 30 juni 1997 op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i (oud), van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 2 juli 1997 strafontslag verleend. Na bezwaar is dit besluit bij het bestreden besluit van 27 oktober 1997 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De aan appellant verweten gedragingen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, heeft de rechtbank op juiste wijze als volgt samengevat (waarbij “verweerder” als “gedaagde” moet worden gelezen en “eiser” als “appellant”):

"Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat:

1. eiser bij gelegenheid van de door hem op 27 en 28 november 1996 afgelegde verklaringen geen volledige openheid van zaken heeft gegeven met betrekking tot zijn relatie met voornoemde [naam H.], de frequentie/tijdstippen van bezoeken aan [naam H.] cq. het pand van laatstgenoemde en over het al dan niet ingeschreven staan van een persoon genaamd [naam N.] aan het adres van [naam H.];

2. eiser soms onder diensttijd werkzaamheden voor het bedrijf van [naam H.] verrichtte, dan wel ten behoeve van haar boodschappen deed;

3. eiser kennis droeg van het medeplegen door [naam H.] van verzekeringsfraude, en dienaangaande geen enkele actie heeft ondernomen;

4. eiser kennis droeg van het feit dat een persoon genaamd [naam N.] op het adres van [naam H.] stond ingeschreven omwille van het verkrijgen van een verblijfsvergunning, zulks terwijl het eiser bekend was dat genoemde [naam N.] niet feitelijk in de woning van [naam N.] verbleef en eiser van dit strafbare feit geen melding heeft gedaan bij zijn chef of bij de daartoe geëigende afdeling. Daarbij heeft verweerder als verzwarende omstandigheid aangemerkt dat eiser in dit verband heeft aangegeven geen verklikker te willen zijn, nu deze houding geheel in strijd is met zijn verantwoordelijkheden als politie-beambte. Voorts heeft verweerder als bezwarend aangemerkt dat eiser wist, of althans behoorde te weten dat door zijn leugenachtige verklaring een verblijfsvergunning aan [naam N.] werd afgegeven, terwijl vaststaat dat, indien het bij de vreemdelingendienst bekend zou zijn geweest dat [naam N.] niet met [naam H.] samenwoonde, aan [naam N.] geen verblijfsvergunning zou zijn gegeven;

5. eiser bij gelegenheid van een controle van de vreemdelingendienst desgevraagd, in strijd met de waarheid, heeft verklaard dat [naam N.] woonachtig was op het adres van [naam H.], maar dat [naam N.] op het moment van de controle afwezig was;

6. eiser in telefonisch overleg met [naam H.] heeft besproken wat het beste aan de vreemdelingendienst kon worden verteld opdat deze dienst geen argwaan zou krijgen met betrekking tot het al dan niet samenwonen van [naam H.] en [naam N.];

7. eiser informatie uit een politieregister aan [naam H.] heeft verstrekt en daarmee zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Daarbij heeft verweerder de onder 1, 4 en 5 genoemde feiten nader gekwalificeerd als zeer ernstig plichtsverzuim, en de feiten genoemd onder 3 en 6 als ernstig plichtsverzuim. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven met de adviescommissie van oordeel te zijn dat het geconstateerde plichtsverzuim geen eenmalig feit betreft, maar zich uitstrekt over een langere periode, terwijl eiser door het plegen van bedoelde feiten blijk heeft gegeven van een onjuiste houding als politieambtenaar. Verweerder is van oordeel dat een adequaat functioneren van eiser als executief politieambtenaar niet meer mogelijk is, gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim, terwijl er ook geen sprake is van verzachtende omstandigheden. Daarbij acht verweerder het in eiser gestelde vertrouwen ernstig geschaad en stelt hij zich op het standpunt dat eiser de integriteit, die het korps hoog in zijn vaandel heeft staan, onherstelbaar heeft aangetast."

Appellant betoogt in hoger beroep allereerst dat het aan de ontslagverlening voorafgaande onderzoek in strijd met de beginselen van fair play en zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden, nu hij op 28 november 1996 ’s avonds laat van huis is gehaald voor een kort en informeel gesprek

- als aanvulling op het verhoor van 27 november 1996 -, maar vervolgens vanaf 23.45 uur gedurende de gehele nacht is verhoord. Hoewel hij van het verhoor van 27 november een psychische klap had gekregen en ziek was, waren zijn met het verhoor belaste collega’s niet bereid het gesprek bij hem thuis te laten plaatsvinden, omdat zij hem onder psychische druk wilden zetten. Eerst nadat hij op het bureau was aangekomen, werd hem meegedeeld dat het om een verhoor ging. Als hij dat van te voren had geweten, had hij thuis nog zijn raadsman gebeld of door zijn echtgenote laten bellen. Nadat hem was gezegd dat de korpsleiding een redelijke en acceptabele bestraffing zou worden voorgesteld als hij zich collegiaal zou opstellen, heeft hij aan het verhoor meegewerkt opdat alles snel op papier zou worden gezet. Hoewel het proces-verbaal van dat verhoor zijn verklaringen verdraaid weergaf, heeft hij het ondertekend om zijn verhorende collega’s terwille te zijn. De Raad kan appellants betoog inzake het onderzoek in de nacht van 28 november 1996 niet onderschrijven. De Raad stelt vast dat appellant het proces-verbaal van het toen gehouden verhoor zonder enig voorbehoud heeft ondertekend. In dit proces-verbaal is mede vermeld dat appellant bij dat verhoor heeft verklaard dat hij vrijwillig naar het bureau was meegegaan omdat aan zijn verklaring van 27 november ernstig werd getwijfeld, dat hij aan het onderzoek wenste mee te werken en zich in staat voelde een verklaring af te leggen. Ter zitting is van de zijde van gedaagde onweersproken gesteld dat appellant jegens de met het verhoor belaste inspecteurs heeft verklaard dat hij zich niet te ziek voelde om voor het afleggen van een verklaring mee te gaan naar het bureau, dat hij niet heeft verzocht om een raadsman en dat hij op het voorstel dat zij, toen het erg laat dreigde te worden, hadden gedaan om het verhoor op een ander moment voor het voltooien van het proces-verbaal voort te zetten niet is ingegaan, omdat hij er vanaf wilde zijn. Desgevraagd heeft appellant ter zitting nog verklaard dat hij ook toen hem de cautie werd gegeven en toen hem duidelijk werd in welke richting het verhoor zich ontwikkelde, geen aanleiding zag – zij het dat hij dit achteraf betreurt – voor een verzoek het verhoor te onderbreken totdat een door hem aan te zoeken raadsman hem zou kunnen bijstaan.

Gelet op het vorenoverwogene kan de Raad in het door appellant aangevoerde geen aanleiding zien het onderzoek in strijd te achten met de door appellant aangehaalde beginselen. Derhalve kan hij ten volle gehouden worden aan hetgeen hij tijdens het verhoor van 28 november 1996 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft verklaard.

Ook appellants grief dat het onderzoek onvoldoende objectief was, nu dit uitsluitend door de eigen korpsleiding zonder betrokkenheid van de rijksrecherche is verricht, kan niet slagen. De Raad is niet van onvoldoende objectiviteit gebleken noch van een noodzaak anderszins de rijksrecherche bij het onderzoek te betrekken.

Appellant voert vervolgens aan dat het verwijt dat hij zich aan de hiervoor onder 1 t/m 7 samengevatte gedragingen heeft schuldig gemaakt, slechts voor een zo gering deel op goede gronden berust dat dit niet voldoende is voor de kwalificatie zeer ernstig plichtsverzuim. Hij acht onvoorwaardelijk strafontslag in het licht van de context waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden onevenredig, temeer nu hij nog slechts enkele jaren had te gaan alvorens hij vervroegd kon uittreden.

De Raad kan appellant ook hierin niet volgen.

De Raad is op grond van de gedingstukken – in het bijzonder de processen-verbaal van 27 en 28 november 1996 en de overgelegde tekst van enige telefoontaps – evenals de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen van oordeel dat de verwijten ten aanzien van appellants onder 2, 4, 5 en 6 bedoelde gedragingen op een voldoende feitelijke grondslag berusten. Het verwijt bedoeld onder 1 acht de Raad evenals de rechtbank ongegrond voor wat betreft het verhoor van 28 november, maar gegrond ten aanzien van het verhoor van 27 november. Bij laatstbedoeld verhoor heeft appellant essentiële informatie achtergehouden, wat appellant tijdens het verhoor van 28 november ook uitdrukkelijk heeft erkend. De Raad acht niet aangetoond dat appellant met zekerheid wist dat [naam H.] zich aan het medeplegen van verzekeringsfraude schuldig maakte, maar acht wel aannemelijk dat appellant aanleiding had dit te vermoeden waarvan hij de betrokken afdeling evenzeer in kennis had behoren te stellen. Dat appellant informatie uit een politieregister aan [naam H.] heeft verstrekt staat evenmin vast. Wel heeft hij [naam H.] toegezegd dat register te zullen natrekken; ook dat had hij behoren na te laten.

De Raad is van oordeel dat appellant vooral moet worden aangerekend dat hij - in verband met zijn intieme relatie met [naam H.] - heeft verzwegen dat [naam N.] slechts met het oog op het verkrijgen van een verblijfsvergunning op het adres van [naam H.] stond ingeschreven, doch niet daadwerkelijk met haar samenwoonde. Voorts dat hij desgevraagd de vreemdelingenpolitie terzake onjuist heeft geïnformeerd en [naam H.] heeft geadviseerd wat zij het beste aan de vreemdelingenpolitie kon vertellen opdat deze geen argwaan zou krijgen. In het ontslagbesluit is terecht overwogen dat appellant aldus zijn verplichtingen als politie-ambtenaar geheel en al heeft miskend en de integriteit, onkreukbaarheid en betrouwbaarheid van hem zelf en van het korps ernstig ter discussie heeft gesteld. Eveneens valt appellant ernstig te verwijten dat hij bij het verhoor van 27 november 1996 een aantal zaken niet heeft verteld. Dat dit als reden had - zoals hij bij het verhoor van 28 november 1996 heeft verklaard – te voorkomen dat zijn intieme relatie met [naam H.], waarvan zijn echtgenote niet op de hoogte was, bekend zou worden kan daaraan niet afdoen. Reeds op grond hiervan is de Raad van oordeel dat appellant zich aan zo ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt dat niet gezegd kan worden dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan onevenredig is. Aan dit oordeel draagt nog bij hetgeen de Raad terzake van de verwijten onder 2, 3 en 7 heeft vastgesteld, temeer nu (ook) die gedragingen niet los gezien kunnen worden van de kwetsbare positie waarin appellant zich door zijn geheim gehouden relatie met [naam H.] begeven had.

De Raad ziet, mede in aanmerking genomen dat niet van één enkel incident maar van doorgaand gedrag sprake was, geen voldoende zwaarwegende omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat de opgelegde straf desalniettemin onevenredig is. De lengte van appellants dienstverband noch de stelling dat hij tot zijn gedragingen zou zijn gekomen vanuit zijn - uit persoonlijke achtergronden voortgekomen - behoefte om minderheidsgroeperingen te helpen, kan de Raad als een zodanige omstandigheid aanmerken.

Gelet op al het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2001.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. Pijper.

HD