Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:BF3278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
29-09-2008
Zaaknummer
99/52 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoering 36-urige werkweek met ingang van 1 januari 1997. Geen verhoging wachtgeld met terugwerkende kracht voor deeltijder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/52 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], appellante,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 25 november 1998, onder nummer AWB 98/1213, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 maart 2001. Appellante is daarbij niet verschenen en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door M. Kruit, werkzaam bij USZO Diensten B.V. te Zoetermeer.

II. MOTIVERING

1. Aan appellante is per 1 juli 1993 eervol ontslag verleend als ambtenaar bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor 24 uur per week, wegens opheffing van haar betrekking. Gedaagde heeft haar bij besluit van 31 juli 1993 een recht op wachtgeld toegekend krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (hierna: Rwb ‘59) juncto artikel 9 van het Besluit sociaal beleidskader rijksoverheid 1991, voor de periode van 1 juli 1993 tot 1 maart 2006.

1.2. Op 20 augustus 1997 heeft appellante verzocht haar uitkering met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 te corrigeren, in verband met de invoering van de 36-urige werkweek per die datum.

Op dit verzoek is afwijzend beschikt, welk besluit na gemaakt bezwaar bij het bestreden besluit van 29 januari 1998 is gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.1. Ingevolge artikel 4, zesde lid, van het Rwb ‘59, zoals dit ten tijde van de toekenning van wachtgeld aan appellante gold en op haar van toepassing is gebleven, zal, indien in de bezoldiging, omschreven in het eerste tot en met het vijfde lid anders dan ten gevolge van periodieke verhoging van het salaris, wijziging zou zijn gekomen wanneer de belanghebbende op die bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, van de dag van inwerkingtreding van die wijziging af het aldus gewijzigd bedrag als bezoldiging gelden.

2.2. Appellante meent dat zij op grond van deze bepaling in aanmerking komt voor een verhoging van haar wachtgeld ten gevolge van de per 1 januari 1997 ingevoerde 36-urige arbeidsweek, omdat deze invoering een verhoging van het salaris per uur inhoudt en daarmee geldt als een wijziging van bezoldiging als bedoeld in vorengeciteerde bepaling.

Daarbij heeft appellante erop gewezen dat haar werktijd als deeltijder als gevolg van de op het ministerie geldende praktijk op 24 uur gehandhaafd zou zijn, indien zij nog werkzaam zou zijn geweest.

3.1. Evenals de rechtbank kan de Raad appellante in dit standpunt niet volgen.

Artikel I van het Besluit van 25 oktober 1996 (Stb. 568) dat in werking is getreden op 1 januari 1997, luidt als volgt:

"De voor ambtenaren in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Ambtenarenreglement Staten-Generaal op 31 december geldende arbeidsduur wordt met ingang van 1 januari 1997 verminderd met twee achtendertigste deel. De met ingang van 1 januari 1997 geldende arbeidsduur wordt naar boven afgerond op twee decimalen.”

Bij dit Besluit zijn voorts diverse rechtspositievoorschriften, onder andere het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), gewijzigd en in overeenstemming met deze bepaling gebracht.

3.2. Uit de tekst van genoemd artikel I blijkt dat voor alle ambtenaren op wie die rechtspositievoorschriften van toepassing waren – voor appellante gold toen zij nog werkzaam was, het ARAR – de arbeidsduur werd verminderd, waarbij óók ten aanzien van deeltijders de hoofdregel gold dat hun arbeidsduur evenredig werd verminderd. Gelijk de rechtbank heeft overwogen was de uitdrukkelijke bedoeling van de invoering van de 36-urige werkweek nu juist niet wijziging van bezoldiging, maar verkorting van de arbeidsduur bij gelijkblijvende bezoldiging. Dat zulks de facto een verhoging van het salaris per uur betekende, brengt niet mee dat gesproken moet worden van wijziging in de bezoldiging, nu daaronder immers moet worden verstaan de som van het salaris per uur (en toelagen).

3.3. Dat appellantes arbeidstijd, ware zij nog in dienst geweest, gehandhaafd zou zijn op 24 uur per week – hetgeen tot een verhoging van haar bezoldiging zou hebben geleid – is op grond van de nieuw ingevoerde bepalingen niet vanzelfsprekend. Namens gedaagde is ter zitting voorts terecht gewezen op de door gedaagde ter gelegenheid van de invoering van de 36-urige werkweek uitgebrachte circulaire van 16 december 1996 (Stcrt. 245), waarin ook is neergelegd dat de omvang van de aanstelling, zoals vermeld in de individuele aanstellingsbeschikking van de werknemer automatisch wijzigde, ook voor deeltijders. Deeltijders konden volgens de circulaire verzoeken tot het handhaven van de omvang van hun arbeidsduur op het niveau van 31 december 1996, waarbij het bevoegd gezag een dergelijk verzoek beoordeelde in het licht van het belang van de dienst bij handhaving van de omvang van de arbeidsduur.

Gelet hierop is het standpunt van appellante dat haar arbeidsduur per 1 januari 1997 op 24 uur per week gehandhaafd zou zijn speculatief, nog daargelaten dat appellante niet meer feitelijk werkzaam was, zodat het doen van een vorenbedoeld verzoek noch uitbreiding van de werktijd tot de mogelijkheden behoorde.

3.4. Voorzover appellante een beroep heeft gedaan op de in haar ontslagbesluit opgenomen passage dat eventuele toekomstige nadelige wijzigingen van het Rwb ’59 niet voor haar zullen gelden, onderschrijft de Raad de zienswijze van de rechtbank dat een algemene arbeidsduurverkorting niet als een nadelige wijziging van het Rwb ’59 kan worden beschouwd.

4. Uit het vorenstaande volgt dat appellantes beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak kan derhalve in stand blijven.

5. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen grond.

6. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. W. van den Brink als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2001.

(get.) W. van den Brink.

(get.) M. Pijper.

HD

19.04