Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:BA1441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
00/5269 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar was ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5269 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 6 oktober 1999 heeft gedaagde ten aanzien van appellant besloten de aan hem eerder toegekende uitkeringen krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over de jaren 1995, 1996 en 1997 onder toepassing van artikel 44 van die wet slechts gedeeltelijk tot uitbetaling te brengen.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 7 oktober 1999 de uitkeringen die aan appellant over de periode 1 januari 1996 tot 1 januari 1998 onverschuldigd waren betaald, teruggevorderd.

Bij brief van 17 november 1999 heeft de gemachtigde van appellant, mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen, tegen bovengenoemde besluiten bezwaar gemaakt. In die brief staat onder meer het volgende vermeld:

"Cliënt verzoekt u uw besluiten te herzien. Cliënt mist onder meer de cijfermatige onderbouwing van de besluiten en verzoekt u hem die te doen toekomen om zich daarover een beter oordeel te kunnen vormen. Hij verzoekt u tevens hem een termijn te geven om met behulp van die gegevens zijn bezwaren beter te kunnen onderbouwen."

Op 24 november 1999 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij had verzuimd de gronden van het bezwaar kenbaar te maken en hem in de gelegenheid gesteld om uiterlijk voor 23 december 1999 het verzuim te herstellen.

Bij brief van 15 december 1999 heeft appellant bovengenoemd besluit van 7 oktober 1999 ingetrokken en in plaats van dat besluit twee nieuw besluiten tot terugvordering, gedateerd 15 december 1999, uitgereikt. In die besluiten staat vermeld dat appellant binnen zes weken te rekenen vanaf de dag na dagtekening van de besluiten een bezwaarschrift kan indienen.

Op 20 december 1999 heeft de gemachtigde van appellant aan gedaagde bericht dat hij van de besluiten van 15 december 1999 eerst op 20 december 1999 heeft kennisgenomen, nu deze aan appellant zelf en niet aan zijn gemachtigde waren verzonden. Tevens heeft hij in die brief gesteld ook tegen deze besluiten bezwaar te maken en ervan uit te gaan dat de nieuwe bezwaartermijn niet alleen voor de terugvorderingsbesluiten, maar ook voor het besluit van 6 oktober 1999 gold.

Op 22 december 1999 heeft gedaagde onder meer aan appellant bericht dat gedaagde niet kon meegaan in het verzoek om een nieuwe bezwaartermijn en appellant in de gelegenheid gesteld uiterlijk voor 20 januari 2000 zijn verzuim te herstellen door alsnog de gronden van het bezwaar in te dienen.

Bij brief van 26 januari 2000 heeft de gemachtigde de gronden van zijn bezwaar uiteengezet.

Bij besluit van 20 april 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de hiervoor genoemde besluiten niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van het bezwaar te laat waren ontvangen.

De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 4 september 2000 het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft bij voormelde gemachtigde tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 mei 2001, waar appellant is ver¬schenen met bijstand van mr. J. Nijenhuis, voornoemd, en waar gedaagde - zoals aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of gedaagde bij het bestreden besluit terecht het bezwaar van appellant tegen de in rubriek I genoemde primaire besluiten niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Daartoe heeft gedaagde in het bestreden besluit in het bijzonder het volgende overwogen:

"In het bezwaarschrift van 17 november 1999 werd door uw gemachtigde verzocht om de cijfermatige onderbouwing van de beslissingen van 6 en 7 oktober 1999. Hij heeft om die informatie verzocht om een beter oordeel te kunnen vormen.

Hoewel uw gemachtigde meent dat daaruit moet blijken dat hij beoogd heeft aan te geven dat er wel een grond is gesteld, namelijk het motiveringsgebrek, kunnen wij hem daarin niet volgen. In het bezwaarschrift wordt immers niet gerept over een gebrekkige motivering. Daarbij komt dat de gemachtigde pas tot dit standpunt na het verstrijken van de tweede termijn tot uitstel, dus toen hij te laat was.

Wij zijn gelet op vorenstaande van mening dat in het bezwaarschrift geen enkele grond wordt aangevoerd.

Overigens zijn de stukken (waaronder relevante stukken uit het frauderapport) reeds op 24 november 1999 aan uw gemachtigde toegezonden. Of te wel ruim binnen de gestelde termijn van 22 december 1999, waarmee in ieder geval een eventueel gebrek was hersteld. Uit die stukken blijkt in ieder geval de hoogte van het (geïndexeerde) maatmanloon, het aan u door de belastingdienst toegerekende inkomen over de jaren 1994 tot en met 1997, alsmede de rekenmethodiek van de arbeidsdeskundige. De mate van arbeidsongeschiktheid over genoemde jaren blijkt genoegzaam uit diens rapportage van 28 september 1999.

Vervolgens hebben wij uw gemachtigde een tweede uitstel verleend en in de gelegenheid gesteld om vóór uiterlijk 20 januari 2000 het verzuim te herstellen.

Pas bij brief van 26 januari 2000, door ons ontvangen op 27 januari 2000, worden de gronden van bezwaar aangevoerd. Dit is derhalve te laat.

Om deze reden bent u derhalve niet ontvankelijk in uw bezwaren tegen de beslissingen van 6 oktober 1999 en 7 oktober 1999 (deze laatste is gewijzigd bij de beslissingen van 15 december 1999)."

De rechtbank heeft op de in de aangevallen uitspraak gebezigde overwegingen het standpunt van gedaagde onderschreven.

In hoger beroep is van de kant van appellant onder meer het volgende aangevoerd:

"Het Gak heeft op 6 en 7 oktober 1999 [appellant] twee besluiten doen toekomen, zijnde een herzieningsbesluit WAO en een terugvorderingsbesluit WAO. Daartegen heeft op

17 november 1999 [appellant] een bezwaarschrift ingediend. Daarin zijn de volgende zinnen opgenomen: "Cliënt verzoekt u uw besluiten te herzien. Cliënt mist onder meer de cijfermatige onderbouwing van de besluiten (…)". En: "Hij verzoekt u hem een termijn te geven om(…) zijn bezwaren beter te kunnen onderbouwen."

In Van Dale, handwoordenboek van de Nederlandse taal zijn de volgende omschrijvingen opgenomen:

• onderbouwen: van argumenten voorzien

• motiveren: van argumenten voorzien

De werkwoorden onderbouwen en motiveren kunnen derhalve als synoniemen worden beschouwd.

Met de in het bezwaarschrift van 17 november 1999 opgenomen zinnen - "mist een cijfermatige onderbouwing etc." – is al één van de ernstigste gronden van bezwaar door [appellant] genoemd: een motiveringsgebrek (artikel 3:46 Awb) in de besluiten van het Gak. Dit in het bezwaarschrift genoemde bezwaar klemt te meer omdat het in casu een bezwaar betreft tegen een forse herziening c.q. terugvordering, waaraan een gedetailleerde becijfering ten grondslag zal moeten liggen. Het is vaste jurisprudentie dat zelfs met een summiere motivering van een bezwaar of beroep al is voldaan aan de plicht tot het noemen van gronden in het bezwaar of beroep. Alleen hierom al is het bestreden besluit van het Gak onjuist. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarschriftprocedure is dit standpunt benadrukt en het Gak heeft dat in haar pleidooi bij de rechtbank ook nog eens expliciet erkend."

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Met appellant is de Raad van oordeel dat van het bezwaarschrift van 17 november 1999 niet kan worden gezegd dat het niet voldeed aan het vereiste dat wordt gesteld in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor het in behandeling nemen van een bezwaar; ingevolge dit artikelonderdeel dient een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten. Hoewel gedaagde moet worden toegegeven dat de gronden van het bezwaar uiterst summier zijn, neemt zulks toch niet weg dat het op grond van de inhoud het bezwaarschrift gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat appellant de motivering van het besluit voor wat betreft de cijfermatige onderbouwing onvoldoende achtte.

De omstandigheid dat appellant in dat bezwaarschrift had aangekondigd zijn bezwaren nog beter te willen onderbouwen staat aan het vorenstaande niet in de weg. Deze wens tot een betere onderbouwing van het bezwaar kan immers niet los worden gezien van de beknoptheid van de motivering van het besluit waartegen bezwaar was aangetekend, en van de voor een bezwaarde bestaande mogelijkheid in de loop van de behandeling van het bezwaar zijn standpunt nader uiteen te zetten.

Het vorenoverwogene betekent dat appellant bij het indienen van het bezwaarschrift niet in verzuim was, zodat gedaagde niet op grond van artikel 6:6 van de Awb bevoegd was appellant niet-ontvankelijk te verklaren.

De Raad acht tenslotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op f 1420,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op f 1420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Uit vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag van f 1420,- en in hoger beroep tot een bedrag van f 1420,-;

Bepaalt dat gedaagde aan het appellant het gestorte recht van f 230,- dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden in tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2001.

(get.) H.van Leeuwen.

(get.) B. Fijnheer.