Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AL3688

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
99/2950 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene bijstandswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 32
JABW 2002, 19
USZ 2002/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2950 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Groningen op 3 mei 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij brief van 25 augustus 1999 een verweerschrift ingezonden alsmede

- desgevraagd - bij brief van 16 augustus 2001 nadere stukken.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 oktober 2001, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Visser en M.H.J.W. van Amstel, beiden werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 12 september 1997 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van verhuizing naar en inrichting van de woning [adres]. Vanwege gedaagde is hem bij die gelegenheid gewezen op de mogelijkheid daarvoor een lening af te sluiten bij de Gemeentelijke Kredietbank (GKB). Appellant heeft vervolgens op 19 september 1997 bij de GKB een lening afgesloten ten bedrage van f 2.600,--. Appellant heeft eind september 1997 aangegeven dat hij zijn aanvraag om bijzondere bijstand handhaaft en dat hij in aanmerking wenst te komen voor bijstandsverlening om niet.

Gedaagde heeft de aanvraag bij primair besluit van 30 september 1997 afgewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat appellant een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die geacht wordt passend en toereikend te zijn (artikel 17, eerste lid van de Algemene bijstandswet (Abw)) daarbij doelende op de mogelijkheid een geldlening af te sluiten bij de GKB.

Het vanwege appellant ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit van

26 februari 1998 gegrond verklaard voorzover het betreft de kosten van “dubbele huur” gedurende één maand; in zoverre is het primaire besluit bij dat besluit herzien en aan appellant bijzondere bijstand toegekend ten bedrage van de laatste maand huur van de verlaten woning, zijnde f 490,--. Bij dat besluit is het bezwaar voor het overige - namelijk betreffende de kosten van verhuizing en inrichting - ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 26 februari 1998 ongegrond verklaard. Overwogen is - onder meer - dat appellant terecht is verwezen naar de GKB voor het aangaan van een geldlening en dat, nu een lening van f 2.600,-- is verstrekt, terecht toekenning van bijstand in de kosten van verhuizing en inrichting is geweigerd. Voorts is overwogen dat niet gebleken is dat het bedrag van f 2.600,-- niet voldoende is geweest aangezien appellant zijn aanvraag om bijstand enkel heeft voortgezet met de bedoeling bijstand om niet te verkrijgen en niet omdat het geleende bedrag ontoereikend zou zijn geweest. Daarbij is in aanmerking genomen dat bij het besluit op bezwaar alsnog bijstand om niet is toegekend ter zake van één maand “dubbele huur”.

Vanwege appellant is in hoger beroep aangevoerd dat het in de rede had gelegen dat gedaagde, alvorens te verwijzen naar de GKB, een deugdelijk onderzoek had ingesteld naar de noodzaak en omvang van de kosten waarvoor bijzondere bijstand was aangevraagd en dat hij voorts was nagegaan of er bijzondere individuele omstandigheden waren die er redelijkerwijs toe nopen over te gaan tot het (gedeeltelijk) verstrekken van bijstand om niet. Appellant acht het achterwege laten van zulk een onderzoek in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welk artikel bepaalt dat het bestuursorgaan de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

De Raad stelt bij zijn oordeelsvorming voorop dat het geding geen betrekking heeft op het bestreden besluit voorzover daarin is voorzien in de toekenning van bijzondere bijstand ter zake van één maand “dubbele huur”.

De Raad dient, gelet hierop, in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, voorzover aangevochten, in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt die vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de Abw en de aanwezige draagkracht.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, geacht wordt voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

Artikel 6, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat onder voorliggende voorziening moet worden verstaan elke voorziening buiten de Abw waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat de verhuizing van appellant naar het adres [adres] noodzakelijk was. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat appellant heeft aangegeven dat de door hem in verband met verhuizing en inrichting gemaakte kosten in totaal f 3.500,-- hebben bedragen en dat de bij de GKB ten behoeve van de verhuizing en inrichting afgesloten geldlening van f 2.600,-- daarvoor ontoereikend was. Ten slotte stelt de Raad vast dat gedaagde met betrekking tot de onderhavige aanvraag bijzondere omstandigheden aanwezig heeft geacht die hebben geleid tot de toekenning van bijzondere bijstand om niet ter zake van één maand “dubbele huur”.

Kredietverlening door een GKB kan naar het oordeel van de Raad worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 6, aanhef en onder b, van de Abw.

Gelet op de door appellant verstrekte gegevens kan echter in dit geval niet zonder nader onderzoek worden gezegd of die voorziening voor hem geacht kan worden toereikend en passend te zijn. Het had op de weg van gedaagde gelegen om appellant te vragen bewijsstukken ter zake van de gestelde kosten over te leggen, mede aan de hand van die bewijsstukken de hoogte van de noodzakelijk te achten kosten vast te stellen en vervolgens te beoordelen of de afgesloten GKB-lening in zijn geval als toereikend en passend kan worden beschouwd. Een dergelijk onderzoek heeft echter niet plaatsgevonden.

Gelet hierop dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voorzover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in ’s Raads uitspraak is overwogen. Ook de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en f 710,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit voorzover daarbij het bezwaar tegen het besluit van

30 september 1997 ongegrond is verklaard;

Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f 2.130,-- ,

te betalen door de gemeente Groningen aan de griffier van de Raad;

Gelast de gemeente Groningen aan appellant het gestorte recht van f 55,-- in beroep en

f 170,-- in hoger beroep (in totaal f 225,--) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg

KL