Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AE8584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2001
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
99/1339 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/1339 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het bestuur van de Regionale Brandweer/Centrale Post Ambulancevervoer Fryslân, als rechtsopvolger van het algemeen bestuur van de Alarmcentrale Friesland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 28 januari 1999, nr. 98/108 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Namens partijen zijn nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 mei 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Veldjesgraaf, advocaat te Leeuwarden.

Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G. Ham, advocaat te Groningen en M.W.M. van de Ven, werkzaam bij gedaagde.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant is per 1 maart 1994 aangesteld als [functie] bij de Alarmcentrale Friesland. Na een conflict op het werk heeft appellant zich in juli 1994 ziekgemeld.

Per 6 april 1995 is hij weer arbeidsgeschikt bevonden door de bedrijfsarts, doch daarbij is aangegeven dat reïntegratie in het arbeidsproces dient plaats te vinden in een functie buiten de Alarmcentrale Friesland. Uiteindelijk is het niet gelukt voor appellant een andere functie binnen of buiten het gezagsbereik van gedaagde te vinden. Evenmin is het gelukt om appellant te laten terugkeren naar zijn werkplek.

1.3. Nadat bij brief van 9 juli 1997 daartoe het voornemen was geuit is appellant bij besluit van 20 augustus 1997 met ingang van 1 september 1997 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling ACF wegens een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie c.q. incompatibilité des humeurs, zulks onder vaststelling van een nader omschreven financiële regeling. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 23 december 1997, kenmerk 97070 pz, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak eveneens ongegrond verklaard.

2.1. Ter zitting is komen vast te staan dat het ontslag als zodanig en de grond waarop dit is gebaseerd niet meer in geschil is. Appellant erkent dat ten tijde van de ontslagverlening feitelijk gezien sprake was van een verstoorde werkrelatie op grond waarvan hij niet kon (en wilde) terugkeren naar zijn werkplek. Appellant betwist wel de ingangsdatum van het ontslag en voorts is hij van mening dat de getroffen financiële regeling tekortschiet nu zijns inziens uitsluitend gedaagde verantwoordelijk is te houden voor de aanleiding tot het ontslag. De Raad zal zich derhalve beperken tot een oordeel over deze twee twistpunten.

2.2. Appellant is van opvatting dat het besluit om hem per 1 september 1997 ontslag te verlenen niet redelijk is, nu gedaagde bekend is met het feit dat opschuiving van de ontslagdatum met één dag voor hem een aanzienlijk gunstiger regeling zou opleveren gelet op de wachtgeldaanspraken die hem, te rekenen vanaf 2 september 1997, zouden zijn toegekomen en niet valt in te zien welk belang van gedaagde zich verzet tegen ontslag per 2 september 1997 of later. De Raad volgt appellant hierin niet. Gegeven het tijdsverloop na het moment waarop appellant zijn werkzaamheden had gestaakt, waarin na zijn herstel eerst sprake was van pogingen appellant te reïntegreren en nadien, toen duidelijk was geworden dat ook terugkeer naar de eigen werkplek niet tot de mogelijkheden behoorde, pogingen zijn ondernomen om te komen tot het treffen van een regeling, kon gedaagde uiteindelijk medio 1997 tot de slotsom komen dat het tijdstip om het dienstverband te beëindigen was aangebroken. Nadat appellant in juli 1997 van het voornemen daartoe op de hoogte was gesteld en hem de gelegenheid is geboden zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken, is hij per 1 september 1997 ontslagen. De Raad kan niet inzien dat gedaagde daarmee een overhaaste, als onredelijk te bestempelen keuze heeft gemaakt. De enkele omstandigheid dat een latere datum voor appellant financieel gunstiger zou uitpakken en het feit dat gedaagde daar wetenschap van droeg, kan er naar het oordeel van de Raad niet toe leiden dat gedaagde die latere datum had moeten kiezen. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de door appellant gewenste keuze voor gedaagde financieel nadelig was, nu de betrokken regeling immers ten laste van gedaagde kwam.

2.3. Ten aanzien van de getroffen regeling overweegt de Raad als volgt. Ingevolge artikel 8:8, eerste lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling ACF kan een vast aangestelde ambtenaar worden ontslagen op een grond niet vallende onder de gronden in de vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd. In geval van ontslag op grond van dit artikel treft het algemeen bestuur ingevolge het tweede lid een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd, welke naar het oordeel van het bestuur, met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten. Daarbij is voorts bepaald dat deze uitkering meer kan bedragen dan die welke hij krachtens hoofdstuk 10 geniet. In hoofdstuk 10 is het recht op wachtgeld geregeld. De Raad kan de gebruikmaking door gedaagde van deze aan hem gegeven discretionaire bevoegdheid slechts terughoudend toetsen.

2.4. De bij het ontslagbesluit getroffen regeling behelst het volgende. Bepaald is dat:

a) appellant een uitkering wordt toegekend op de voet van hoofdstuk 10 van de Arbeidsvoorwaardenregeling ACF;

b) de voorwaarden van hoofdstuk 10 integraal van toepassing zijn, maar dat in afwijking van het bepaalde in artikel 10:15 eerst tot verrekening wordt overgegaan indien uitkering en nieuwe inkomsten 110% van het laatstgenoten salaris te boven gaan;

c) aan appellant een bijdrage van ƒ 5.000,- exclusief BTW wordt betaald als bijdrage in de kosten van juridische bijstand.

2.5. Appellant acht deze regeling onvoldoende. Hij was ten tijde van de ontslagverlening 41 jaar oud en wenst aanvullend in aanmerking te komen voor een uitkering op de voet van de verlengde wachtgelduitkering tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Daarenboven wenst appellant compensatie van pensioenschade ten bedrage van ƒ 50.000,-, vergoeding van immateriële schade ten bedrage van ƒ 10.000,-, een hogere inschaling met terugwerkende kracht tot 1 maart 1995 en een hogere vergoeding van de kosten van rechtsbijstand dan door gedaagde is vastgesteld. Appellant meent dat voor het inwilligen van zijn eisen alle aanleiding bestaat, gelet op het aandeel van gedaagde in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot zijn ontslag heeft geleid.

2.6. Dienaangaande is de Raad op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting duidelijk geworden dat de verantwoordelijkheid voor appellants uitval in juli 1994 in overwegende mate bij gedaagde moet worden gelegd. De omstandigheden waaronder appellant aantrad bij de Alarmcentrale waren niet gemakkelijk, het werkklimaat was niet goed, diverse collega's hadden bezwaren tegen de komst van appellant, en van de zijde svan gedaagde is niet steeds adequaat gereageerd toen appellant hulp zocht bij leidinggevenden teneinde de situatie waarin hij was terechtgekomen te verbeteren.

Dat ook appellant bijgedragen heeft aan die situatie heeft de Raad niet kunnen vaststellen. De stelling van gedaagde dat appellants functioneren te wensen overliet en dat hij daardoor irritaties opriep is niet met feiten onderbouwd.

2.7. Hier staat tegenover dat gedaagde in het najaar van 1994 zijn best heeft gedaan om tot reïntegratie van appellant bij de Alarmcentrale te komen en vervolgens, nadat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd bevonden, naar het oordeel van de Raad serieuze inspanningen heeft verricht teneinde appellant geplaatst te krijgen in een andere functie. Blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende verslag van het traject arbeidsbemiddeling van maart 1998 zijn door tussenkomst van het Interne Arbeidsbureau van de gemeente Leeuwarden diverse acties ondernomen richting mogelijke werkgevers, werden appellant vacatures toegezonden en is appellant voorts in de gelegenheid gesteld een opleiding te gaan volgen tot beveiligingsbeambte. Dat appellant deze opleiding niet heeft afgemaakt is hem wellicht niet euvel te duiden, maar kan evenmin gedaagde worden verweten. Daarnaast zijn onder meer gesprekken gevoerd met de politie, met Justitie en met Start. Uiteindelijk is voor appellant een proefplaatsing gerealiseerd bij de Stichting Werkwijzer, welke plaatsing evenwel binnen bijzonder korte tijd is mislukt. Deze mislukking is naar het oordeel van de Raad hoofdzakelijk aan appellants opstelling te wijten geweest. Voorts heeft appellant niet concreet aangegeven welke inspanningen - behoudens een sollicitatie bij de brandweer - van zijn zijde zijn gedaan teneinde elders een baan te bemachtigen. De Raad is echter van oordeel dat appellant niet valt tegen te werpen dat hij in oktober 1996 niet wilde terugkeren naar zijn werkplek, nu onvoldoende duidelijk was onder welke omstandigheden die terugkeer zou kunnen plaatsvinden, geen informatie van de bedrijfsarts was ingewonnen of beschikbaar was en met appellant over terugkeer op geen enkele wijze is gecommuniceerd. Van een serieus aanbod om terug te keren is dan ook geen sprake geweest. Na de mislukte pogingen ander werk te vinden werd ontslag, doordat terugkeer geen alternatief was, onontkoombaar.

2.8.De Raad is gelet op al het vorenstaande van oordeel dat niet kan worden gezegd dat gedaagde ook verantwoordelijk moet worden gehouden voor het blijven voortbestaan van de situatie na maart 1995, die uiteindelijk tot het uiteengaan van partijen heeft geleid. Gelet hierop kan naar het oordeel van de Raad, gegeven de terughoudende toetsing, niet worden staande gehouden dat appellant is tekortgedaan met de door gedaagde getroffen regeling. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat gedaagde naar eigen zeggen zijn aandeel in het ontstaan van de situatie - en met name houding en gedrag van appellants aanvankelijke begeleider - tot uitdrukking heeft gebracht in de regeling voorzover daarbij meer is toegekend dan een uitkering ter hoogte van het normale wachtgeld. De Raad wijst er in dit verband op dat het hier een uitkering van bijna 8½ jaar betrof. Gedaagde meent - naar het oordeel van de Raad niet ten onrechte - dat er voorts niet aan voorbij kan worden gegaan dat appellant over een periode van ruim 2½ jaar tussen hersteldverklaring en ontslag zijn volledige salaris is blijven ontvangen, zonder dat werkzaamheden werden verricht terwijl gedaagde zich - ook financiële - inspanningen getroostte om hem elders te plaatsen.

2.9. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit stand houdt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2001.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. Dierdorp.

HD

18.06