Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AE8575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2001
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
99/3319 AW, 99/3320 AW, 00/2637 AW en 00/2638 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/3319 AW, 99/3320 AW, 00/2637 AW en 00/2638 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante] wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 3 mei 1999, nr. AW 98/5250 (hierna: uitspraak 1), van 3 mei 1999, nr. AW 98/4318 (hierna: uitspraak 2), van 4 april 2000, nr. 98/7126 AW (hierna: uitspraak 3) en van

4 april 2000, nr. 98/8088 AW (hierna: uitspraak 4), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde zijn verweerschriften ingediend.

Van de zijde van appellante en namens gedaagde zijn nadere stukken ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 30 augustus 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.I. Feenstra, advocaat te Haarlem. Van de zijde van gedaagde zijn ter zitting verschenen mr. J.P. Kluth, [werknemer], I.D. van der Meer en D.M. Lalji, allen werkzaam bij gedaagdes ministerie.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing overigens naar de in de uitspraken 1 t/m 4 gegeven overzichten van feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Appellante was eerst van 1 april 1995 tot 1 augustus 1996 in tijdelijke dienst op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder i, van het Algemeen Rijksambtenaren-reglement (ARAR) als medewerker juridische zaken (schaal 9) werkzaam bij de Directie Noord-Holland van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van gedaagdes ministerie. Naar aanleiding van haar sollicitatie naar de functie van medewerker schadezaken bij voornoemde directie is haar bij brief van 18 juli 1996 met kenmerk 96/PI 871 meegedeeld dat zij met ingang van 1 augustus 1996 zonder wijziging van salarisschaal en salaris tijdelijk op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR in die functie werd benoemd, dat binnen twee jaar een beoordeling zou plaatsvinden waarna bij goed functioneren benoeming in vaste dienst zou plaatsvinden, alsmede dat de beschik-king haar zo spoedig mogelijk zou worden uitgereikt. Appellante heeft daartegen destijds geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. De in de brief van 18 juli 1996 bedoelde beschikking is eveneens van 18 juli 1996, heeft als kenmerk PXI/2853 en is indertijd niet aan appellante toegezonden. Er is niet komen vast te staan dat zij, zoals de bedoeling was, aan appellante is uitgereikt. Volgens appellantes brief van 8 april 1998, waarbij zij tegen deze beschikking bezwaar heeft gemaakt, heeft zij eerst op 31 maart 1998 van die beschikking kennis genomen. Bij besluit van 20 april 1998 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de bezwaartermijn gelet op de datum van de aan appellante verzonden brief van 18 juli 1996 op 29 augustus 1996 was geëindigd. Nadat appellante er bij brief van 28 april 1998 op had gewezen dat zij ten onrechte niet gehoord was en dat ten onrechte haar nadere motivering niet was afgewacht, heeft gedaagde het besluit van 20 april 1998 bij brief van 10 juni 1998 ingetrokken. Nadat appellante alsnog gehoord was, is haar bezwaar bij brief van 17 juli 1998 (hierna: besluit 2) wederom niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak 2 ongegrond verklaard.

1.3. Bij brief van 6 april 1998 is appellante meegedeeld dat haar functie bij de inmiddels uitgevoerde reorganisatie ongewijzigd was gebleven en dat zij daarom niet verder bij het plaatsingsproces zou worden betrokken. Nadat zij vervolgens haar belangstelling kenbaar had gemaakt voor de vacante functies van senior beleidsmedewerker BJ (privaatrecht; binnen de taakgroep Beheer), taakgroepcoördinator, onderscheidenlijk senior beleids-medewerker BJ (beiden binnen de taakgroep Algemene Zaken), is haar bij brief van 29 april 1998 meegedeeld dat zij in geen van deze functies zou worden benoemd. Haar bezwaar hiertegen is bij besluit van 17 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard (hierna: besluit 1). Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak 1 ongegrond verklaard.

1.4. Appellante heeft op 21 juli 1998 bij gedaagde bezwaar gemaakt tegen de ten aanzien van haar op 25 juni 1998 door gedaagde vastgestelde beoordeling. Bij besluit van 1 oktober 1998 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak 3 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 17 juli 1998 heeft gedaagde beslist appellante aansluitend op het tijdelijk dienstverband per 1 augustus 1998 niet een vast dienstverband te verlenen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 18 november 1998 (hierna: besluit 4) ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak 4 ongegrond verklaard.

2.1. Ter zitting heeft appellante betoogd dat het in strijd met regels van goede procesorde zou zijn als [werknemer] ter zitting namens gedaagde zou optreden omdat zij, nu zij destijds appellantes leidinggevende was, in feite tevens als getuige zou optreden. De Raad wijst er op dat aan hetgeen [werknemer] ter zitting heeft verklaard, nu zij niet als getuige is verschenen, niet de waarde van een getuigenverklaring kan worden toegekend, maar - net als ten aanzien van hetgeen door en namens appellante ter zitting is verklaard - die van een partijstandpunt.

2.2. Ter zitting heeft appellante voorts gesteld dat de namens gedaagde verleende machtiging om in de onderhavige procedures te verschijnen niet deugdelijk is voorzover zij [werknemer] betreft, omdat deze gezien haar positie in de organisatie alleen door gedaagde zelf of door de Secretaris-Generaal van gedaagdes ministerie had kunnen worden gemachtigd namens gedaagde op te treden. De Raad ziet geen aanleiding op deze grief in te gaan, nu wat er zij van deze grief, mr. J.P. Kluth als gemachtigde ter zitting is opgetreden en zich daarbij door onder meer [werknemer] heeft laten bijstaan, hetgeen niet in strijd met het bepaalde in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is te achten.

3. Zaak 99/3320 AW (duur van de aanstelling)

3.1. Bij besluit 2 is appellantes bezwaar tegen het besluit van 20 april 1998 niet-ontvankelijk verklaard. De Raad is van oordeel dat de rechtbank, nu er voor appellante geen misverstand over kan hebben bestaan dat dit een kennelijke verschrijving was aangezien appellantes bezwaar onmiskenbaar tegen de besluitvorming van 18 juli 1996 was gericht, terecht heeft geoordeeld dat die onjuiste aanduiding niet tot vernietiging van besluit 2 kan leiden.

3.2. De Raad overweegt vervolgens dat het bezwaar tegen de zogeheten beschikking van 18 juli 1996 was gericht. Evenwel bij de aanstellingsbrief van 18 juli 1996 was appellantes rechtspositie reeds ten volle bepaald: de functie, inschaling, datum van ingang en aard en duur van het dienstverband zijn daarin vastgesteld. Dat in de brief niet met zoveel woorden is vermeld dat de aanstelling tot uiterlijk 1 augustus 1998 geschiedde, neemt niet weg dat dit door de verwijzing naar artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR - waarin gesproken wordt van een aanstelling voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar - voldoende vaststond. De brief van 18 juli 1996 houdt derhalve een besluit in waartegen appellante bezwaar had kunnen maken, zoals aan de voet van die brief ook is vermeld. De beschikking van 18 juli 1996 bevat niet meer of andere gegevens dan de brief van die datum. Die beschikking is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en is mitsdien geen besluit waartegen bezwaar mogelijk was.

3.3. Bij besluit 2 is het bezwaar kennelijk (mede) geacht te zijn gericht tegen de brief van 18 juli 1996 en is op die grond geoordeeld dat het bezwaar te laat en niet-ontvankelijk was. Appellante voert daartegen aan dat zij uit de brief mocht begrijpen dat haar tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd plaatsvond. Eerst toen zij op 31 maart 1998 van de beschikking van 18 juli 1996 kennisnam, bleek haar dat de aanstelling tot uiterlijk 1 augustus 1998 zou voortduren. Derhalve valt haar niet te verwijten dat zij eerst op 8 april 1998 tegen (die beperking van) haar aanstelling bezwaar heeft gemaakt.

3.4. De Raad kan dit standpunt niet onderschrijven. Uit de brief van 18 juli 1996 kon appellante reeds door de verwijzing naar artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR, ten volle duidelijk zijn dat de aanstelling voor een proeftijd tot uiterlijk 1 augustus 1998 plaatsvond.

3.5. Appellante heeft subsidiair nog aangevoerd dat gedaagde haar bezwaarschrift van 8 april 1998 mede als een verzoek om herziening van de brief van 18 juli 1996 had moeten opvatten. Ook deze stelling kan niet slagen, nu in het bezwaarschrift uitsluitend en herhaaldelijk van "bezwaar" wordt gesproken en appellante ook tijdens de bezwaar-schriftprocedure geen aanleiding heeft gezien gedaagde er op te wijzen dat haar bezwaar-schrift mede als verzoek om herziening moest worden beschouwd.

3.6. Besluit 1 houdt dan ook terecht slechts een niet-ontvankelijkverklaring van appellantes bezwaar tegen haar aanstelling in, zodat uitspraak 2 moet worden bevestigd.

4. Zaak 99/3319 AW (de sollicitaties)

4.1. Besluit 1 berust op de opvatting dat de afwijzingen van de drie sollicitaties geen besluiten inhielden jegens een ambtenaar als zodanig - als bedoeld in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb - nu die sollicitaties niet aan een in redelijkheid te stellen carrièreperspectief beantwoordden omdat de drie functies waarnaar appellante in april 1998 vanuit haar schaal 9-functie had gesolliciteerd gewaardeerd waren op het niveau van schaal 12. Gedaagde heeft gesteld dat een schaal 12-functie niet als een logische vervolg-stap van een schaal 9-functie kan worden gezien en een dergelijke stap bij gedaagdes ministerie ook ongebruikelijk was en er voorts op gewezen dat appellantes functie voornamelijk van uitvoerende aard was, terwijl de geambieerde functies beleidsfuncties waren.

4.2. Appellante stelt dat de bezwaren tegen de bestreden afwijzingen ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zij heeft daartoe allereerst geopperd dat de afwijzingen appellabel zijn omdat anders haar sollicitatierechten zouden zijn beknot. Voorts heeft zij betoogd dat zij aan het formele functievereiste van de schaal 12-functies - te weten een universitaire opleiding - voldeed, dat haar functie ook een beleidscomponent bevatte, dat zij goed functioneerde, alsmede dat een overstap ineens naar een drie schalen hoger gewaardeerde functie ook bij de Directie Noord-Holland, waarbij zij werkzaam was, niet ongebruikelijk was.

4.3. De Raad kan appellante niet volgen. Zoals de Raad reeds eerder overwogen heeft (bijvoorbeeld in zijn in TAR 1997, 228 gepubliceerde uitspraak), is gelet op de wetsgeschiedenis bezwaar op grond van de Awb tegen de afwijzing van een sollicitatie door een ambtenaar slechts mogelijk als de sollicitatie direct voortkomt uit een bestaand loopbaanperspectief of carrièrepatroon, dan wel uit bij de betrokken ambtenaar opgewekte verwachtingen op benoeming in de geambieerde functie.

4.4. Een directe overstap van appellantes functie naar een van de door haar geambieerde schaal 12-functies kan niet worden gezien als passend binnen een bestaand loopbaan-perspectief of carrièrepatroon, reeds gezien het aanmerkelijke verschil in niveau. Appellantes functie was voornamelijk van uitvoerende aard (het afhandelen van schadezaken) met een lichte beleidscomponent (het vertalen van ontwikkelingen, die in wet- en regelgeving en in rechtspraak plaatsvinden, in richtlijnen voor de dienstkringen). Zij is daar in de praktijk ook niet bovenuit gestegen. De geambieerde functies waren typische beleidsfuncties waarvoor naast een universitaire opleiding onder meer ruime kennis van en ervaring met het ontwikkelen en uitvoeren van beleid en ruime ervaring in ambtelijke beleidsadvisering werd geëist. Voorts was geen sprake van enige toezegging of anderszins opgewekte verwachting op benoeming in één van de geambieerde functies.

4.5. Dat een directe overgang naar een drie schalen hoger gewaardeerde functie bij de Directie Noord-Holland niet ongebruikelijk was, is voor de Raad niet aannemelijk geworden. Appellante heeft gewezen op een functionaris die direct na zijn afstuderen in een schaal 12-functie werd aangesteld. Ter zitting is aannemelijk geworden dat deze functionaris al jarenlang ruime beleidservaring had en reeds in een hogere schaal dan schaal 9 was aangesteld. Een andere functionaris is inderdaad vanuit een schaal 7-functie in een schaal 10-functie benoemd. Doch van de zijde van gedaagde is aannemelijk gemaakt dat dit het gevolg was van de bijzondere situatie bij het grondbedrijf waar betrokkene werkzaam was.

4.6. Tenslotte kan de Raad appellantes argument inzake het beweerdelijke beknotten van sollicitatierechten niet volgen. Artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb, beoogt de competentie van de bestuursrechter te beperken, waardoor gelet op artikel 7:1, eerste lid, aanhef, van de Awb, tevens geen bezwaar op grond van de Awb mogelijk is. Dit brengt mee dat terzake van de afwijzingen wel een actie bij de burgerlijke rechter mogelijk was. Reeds daarom kan het door appellante gestelde niet tot het oordeel leiden dat het bezwaar in afwijking van de bedoeling van de wetgever wel ontvankelijk verklaard had moeten worden.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene zijn bij besluit 1 appellantes bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard, zodat uitspraak 1 moet worden bevestigd.

5. Zaak 00/2637AW (de beoordeling)

5.1. Bij besluit 3 is de eerder vastgestelde beoordeling van appellantes functioneren over de periode van 1 augustus 1996 tot 7 mei 1998 gehandhaafd. Het betreft een proeftijd-beoordeling die heeft plaatsgevonden met het oog op een beslissing van gedaagde omtrent aanstelling van appellante in vaste dienst en die op 7 mei 1998 is opgemaakt door [werknemer], hoofd van de afdeling juridische zaken en appellantes directe chef, en A.J.H. Athmer, het plaatsvervangend afdelingshoofd van de afdeling juridische zaken en vervolgens op 25 juni 1998, nadat daartegen bedenkingen waren ingebracht, ongewijzigd is vastgesteld. Op de vier beoordeelde algemene gezichtspunten: kennis, zelfstandigheid, uitdrukkingsvaardigheid en contact voldeed appellante naar het oordeel van de beoor-delaars niet aan de gestelde eisen. Het eindoordeel over de functievervulling zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin is negatief. De daaraan ten grondslag liggende kernpunten van kritiek waren dat de toepassing van betrokkenes theoretische kennis onder de maat blijft, dat het beleidsmatige aspect van de functie onvoldoende wordt ingevuld, dat zij niet in staat is voldoende zelfstandig en oplossingsgericht te opereren, dat complexe zaken onvoldoende prioriteit hebben, dat zij niet of onvoldoende in staat is gebleken helder, beknopt en puntig te formuleren en dat zij een negatieve niet coöperatieve werkhouding heeft die haar totale functioneren nadelig beïnvloedt en veel klachten oplevert van directe en indirecte collega's. Als werkomstandigheden die de functievervulling hebben beïnvloed is vermeld dat appellante in verband met zwanger-schaps- en ouderschapsverlof van de beoordeelde periode feitelijk tien maanden aanwezig is geweest, te weten gedurende de perioden van 11 november 1996 tot 20 mei 1997 en van 3 januari 1998 tot 3 mei 1998.

5.2. Appellante betoogt in de onderhavige procedure dat het plaatsvervangend afdelings-hoofd niet als beoordelaar had mogen optreden omdat hij niet in een hiërarchisch verband boven haar is geplaatst. Zij stelt verder dat deze beoordelaar niet onbevooroordeeld over haar kon oordelen. Voorts heeft zij aangevoerd dat de beoordeling mede gebaseerd is op functioneringseisen die het bevoegd gezag niet heeft gesteld en dat de beoordeling op onvoldoende feitelijke grondslag berust mede omdat ten onrechte grote nadruk is gelegd op de beleidscomponent in haar functie-omschrijving.

5.3. De Raad overweegt dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende is gebleken dat het plaatsvervangend afdelingshoofd was belast met het beoordelen van de concepten van appellante en deze concepten voor akkoord diende te paraferen. Naar het oordeel van de Raad is hier sprake van een mate van leidinggeven aan appellante. Dit betekent derhalve dat het plaatsvervangend afdelingshoofd, onder toepassing van artikel 3, eerste lid, van het betrokken beoordelingsvoorschrift, op grond van (mede)verantwoor-delijkheid als beoordelaar kon worden aangewezen. Appellantes stelling dat deze beoordelaar niet onbevooroordeeld was vindt de Raad niet bevestigd in de stukken. Uit het feit dat deze beoordelaar uit hoofde van zijn controlerende taak het werk van appellante diende te corrigeren indien daartoe aanleiding was kan geenszins voorin-genomenheid jegens appellante worden afgeleid. De Raad heeft voorts geen enkel aanknopingspunt gevonden voor de juistheid van appellantes opvatting dat het aan haar verleende zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof voor de beoordelaars zodanig problematisch was, dat sprake was van vooringenomenheid. De Raad is verder van oordeel dat de functioneringseisen die zijn vermeld op een bijlage bij de beoorde-lingslijst d.d. 6 mei 1998 geen uitbreiding van de functievereisten inhouden maar nadere uitwerkingen zijn van de functie-eisen die in de voor appellantes functie geldende functiebeschrijving voorkomen. De Raad overweegt verder dat niet staande gehouden kan worden dat gedaagde ten onrechte zijn negatieve oordeel mede heeft doen steunen op de opvatting dat het beleidsaspect niet uit de verf is gekomen. Dit aspect maakt gezien de functiebeschrijving een wezenlijk - zij het in kwantitatief opzicht beperkt - deel uit van appellantes functie.

5.4. De Raad komt tot het oordeel dat de onderhavige beoordeling niet op onvoldoende gronden berust. De Raad ziet het uit de beoordeling blijkende ontoereikende functioneren van appellante in de gedingstukken in voldoende mate bevestigd. Uit het verslag dat gemaakt is van het functioneringsgesprek d.d. 7 januari 1997 maakt de Raad op dat appellante toen nog niet volledig functioneerde. Appellante heeft aangevoerd dat dit functioneringsgesprek niet goed is verlopen. De Raad is van oordeel dat, wat daarvan zij, de in dat functioneringsgesprek naar voren gebrachte bevindingen door gedaagde betrokken mochten worden bij de vaststelling van de onderhavige beoordeling. Voorts komt uit de gedingstukken genoegzaam naar voren dat appellantes functioneren in de periode tussen januari 1997 en de aanvang van haar ouderschapsverlof, 20 mei 1997, aan kwaliteit heeft ingeboet. In dit verband wijst de Raad op een memo d.d. 10 maart 1997 van het plaatsvervangend afdelingshoofd en een aantekening d.d. 26 maart 1997 van het hoofd Hoofdgroep Bestuurs- en Juridische zaken over de problemen die met appellante worden ondervonden in het werk en in contacten met haar over het werk. De Raad neemt eveneens in aanmerking dat de kritiek op het functioneren van appellante tussen januari 1997 en 20 mei 1997 mede voor haar leidinggevende aanleiding was om appellante, direct na haar terugkeer van het aansluitend aan het ouderschapsverlof genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof, begin 1998 een begeleidingsplan voor te leggen. Uit de weergave van een gesprek d.d. 2 april 1998 tussen appellante en haar leidinggevenden wordt aannemelijk dat de kwaliteit van appellantes concept-brieven veelal niet voldoende was en dat zij, omdat zij het beleidsdeel van haar functie niet goed uitvoerde, die functie niet volledig vervulde. De Raad acht voorts op grond van de gedingstukken voldoende aannemelijk geworden dat appellantes productie niet aan de redelijkerwijs te stellen eis voldeed. Tenslotte heeft de Raad in hetgeen daaromtrent door appellante naar voren is gebracht geen aanleiding gevonden te twijfelen aan gedaagdes oordeel dat appellante de ruimte die zij na januari 1997 heeft gekregen om het beleidsaspect in te vullen niet adequaat heeft weten te benutten.

5.5. De Raad komt daarom tot de slotsom dat uitspraak 3 moet worden bevestigd.

6. Zaak 00/2638 AW (het niet voortzetten van het dienstverband)

6.1. Bij brief van 17 juli 1998 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat haar tijdelijke aanstelling op 1 augustus 1998 afliep en dat in verband met een onvoldoende proeftijdbeoordeling het besluit was genomen haar aansluitend geen vast dienstverband aan te bieden. Dit besluit is na bezwaar bij besluit 4 gehandhaafd. Dat besluit, dat mede gezien moet worden als inhoudende een weigering om het dienstverband op enigerlei wijze te verlengen, berust op het standpunt van gedaagde dat appellante niet over de noodzakelijke capaciteiten beschikt dan wel deze niet op de juiste wijze inzet om de functie op voldoende wijze uit te oefenen en dat de wijze van functioneren niet beantwoordt aan de functie-eisen. Daarbij heeft gedaagde ook in aanmerking genomen dat appellante een aangeboden begeleidingsplan niet heeft geaccepteerd en dat zij een aanhoudend polariserende en defensieve werkhouding aan de dag legt.

6.2. Appellantes bezwaren tegen besluit 4 zijn in de kern gelijk aan die welke zij tegen besluit 3 heeft aangevoerd. Indien de beoordeling geen stand houdt komt de grondslag aan besluit 4 te ontvallen. Daarnaast heeft appellante het standpunt ingenomen dat, eventueel onder het aanbieden van de mogelijkheid haar functioneren te verbeteren, verlenging van de proeftijd in de rede ligt. Indien dit niet mogelijk is en plaatsing in de functie van medewerker Schadezaken of herplaatsing evenmin aan de orde is, dan is appellante de mening toegedaan dat gedaagde aan haar schadevergoeding dient te betalen.

6.3. Met betrekking tot gedaagdes weigering appellante na afloop van de proeftijd een vast dienstverband te verlenen stelt de Raad voorop dat de toetsing door de rechter van een dergelijk besluit een terughoudende is. In dat kader moet de vraag worden beantwoord of gezegd moet worden dat gedaagde tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellante niet aan de door gedaagde in redelijkheid aan haar te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan. Bij bevestigende beantwoording van die vraag dient vervolgens te worden bezien of bij het nemen van het bestreden besluit anderszins is gehandeld in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht.

6.4. Evenals de rechtbank kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de op 7 mei 1998 ten aanzien van appellante gemaakte beoordeling over de periode 1 augustus 1996 tot 7 mei 1998. De Raad acht gezien hetgeen hij met betrekking tot besluit 3 heeft overwogen voldoende onderbouwd dat appellante niet aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan.

6.5. Naar het oordeel van de Raad was gedaagde niet gehouden om de tijdelijke aanstel-ling van appellante te verlengen, noch op de grond dat appellante met zwangerschaps- en ouderschapsverlof is geweest gedurende de beoordeelde periode, noch om haar alsnog in staat te stellen een verbeteringstraject te doorlopen. In dit verband wijst de Raad erop dat appellante reeds op 19 maart 1998 door haar leidinggevenden een - op 5 februari 1998 aangekondigd - begeleidingsplan is aangeboden teneinde haar functioneren, met het oog op een beslissing over haar aanstelling in vaste dienst per 1 augustus 1998, op het vereiste niveau te brengen. Appellante heeft toen en nadien geweigerd begeleiding als voorgesteld te accepteren, daarbij te kennen gevend van mening te zijn dat zij goed functioneerde. De Raad meent gelet hierop dat gedaagde terecht tot het oordeel kon komen dat verlenging van de proeftijd geen kans op verbetering zou bieden.

6.6. De Raad is voorts van oordeel dat er geen aan een geschreven of ongeschreven regel te ontlenen rechtsgrond is die gedaagde noopte tot het herplaatsen van appellante elders binnen zijn gezagsbereik. Om dezelfde reden ziet de Raad geen verplichting aan de zijde van gedaagde tot het geven van schadevergoeding.

6.7. Gezien het vorenoverwogene moet ook uitspraak 4 worden bevestigd.

7. De Raad ziet tot slot geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2001.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. Dierdorp.