Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AE8572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
97/11642 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2001, 130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/11642 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [gedaagde], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 7 maart 1996 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 30 oktober 1995, waarbij aan hem met ingang van 18 september 1995 een nieuw uitkeringsrecht op grond van de Werkloosheidswet is toegekend op basis van 27,53 arbeidsuren per week en berekend naar een dagloon

van f 128,86.

De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 8 november 1997 het door gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gelast dat appellant het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van de Raad van 9 september 1999, waar partijen niet zijn verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 16 maart 2001 heeft appellant enkele vanwege de Raad gestelde vragen beantwoord.

Het geding is vervolgens behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 maart 2001, waar voor appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr. B.E. Francke, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar appellant niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde is van 1 juli 1970 tot 1 maart 1994 als kantinebeheerder werkzaam geweest.

In verband met een reorganisatie is hij ontslagen, waarna aan hem ingaande 1 maart 1994 een uitkering krachtens de WW is toegekend op basis van 36 uren per week en naar een dagloon van f 236,20. Met ingang van 1 december 1994 is gedaagde op oproepbasis werkzaamheden gaan verrichten als portier bij een ziekenhuis. Deze werkzaamheden hebben geleid tot een korting van de aan hem krachtens de WW toegekende uitkering. Per 18 september 1995 heeft appellant geconstateerd dat, uitgaande van een werkweek van gemiddeld 27,53 uur in de 26 weken daaraan voorafgaand, gedaagde per die datum werd geconfronteerd met een arbeidsurenverlies. Gelet hierop heeft appellant bij besluit van 30 oktober 1995 een nieuw uitkeringsrecht toegekend op basis van 27,53 uur en met een eigen duur en een eigen dagloon. Het dagloon is daarbij op basis van de verdiensten van gedaagde als portier vastgesteld op f 128,86.

Dit besluit heeft appellant bij zijn besluit van 7 maart 1996 gehandhaafd.

De rechtbank heeft appellant in verband met het bepaalde in de artikelen 3 en 4 van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Dagloonregels IWS) hierin niet gevolgd. Daartoe heeft zij bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiser, het volgende overwogen:

"Naar uit de stukken is gebleken en ook ter terechtzitting is komen vast te staan, heeft eiser bijna 25 jaar lang het beroep van kantinebeheerder uitgeoefend. Eiser heeft - naar verweerder niet heeft betwist - verwoede pogingen gedaan om weer aan het werk te komen, hetgeen mede gelet op de leeftijd van eiser niet gemakkelijk is. Eiser heeft er voor gekozen om per december 1994 als portier op oproepbasis tegen een aanzienlijk lager salaris dan hij voor zijn werkloosheid genoot te gaan werken. De rechtbank constateert voorts dat eiser na een werkloosheidsperiode van circa negen maanden tot 18 september 1995 (datum vaststelling door verweerder van het nieuwe recht op uitkering) negen maanden als portier-oproepkracht werkzaam is geweest.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de terzake toepasselijke Dagloonregels. Verweerder is volstrekt voorbij gegaan aan het bepaalde in de (hiervoor aangehaalde) artikelen 3 en 4 van de Dagloonregels, nu verweerder kennelijk er van uitgegaan is dat het door eiser uitgeoefende beroep (gedeeltelijk) portier is geworden.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat van een wezenlijke breuk met eisers gewoonlijk uitgeoefende beroep als kantinebeheerder in de loop van de hiervoorgenoemde perioden nog geen sprake is geweest. De rechtbank is van oordeel dat eiser door lager betaald werk te aanvaarden in een volstrekt andere sector dan waar eiser voorheen werkzaam was, zich flexibel op de arbeidsmarkt heeft opgesteld.

Hierbij tekent de rechtbank nog aan dat eiser als portier op oproepbasis werkte en het geen vaste betrekking betrof. De rechtbank is van oordeel dat deze werkwillige houding dient uit te werken in die zin, dat - na het teruglopen van de werkzaamheden als portier - een nieuw uitkeringsrecht met een nieuwe dagloonvaststelling kan worden vastgesteld.

Het hiervooroverwogene leidt tot de conclusie dat voor eiser zijn destijds uitgeoefende beroep als kantinebeheerder, ten tijde van de hier relevante datum 18 september 1995, nog geldt als het door hem gewoonlijk uitgeoefend beroep in de zin van de artikelen 3 en 4 van de Dagloonregels. Het in deze functie verdiende loon blijft dan ook in redelijkheid maatgevend voor de vaststelling van eisers

WW-dagloon."

Bij het aanvullend beroepschrift heeft appellant gesteld:

- dat de Dagloonregels IWS niet de mogelijkheid bieden om voor het dagloon per

18 september 1995 uit te gaan van de inkomsten als kantinebeheerder, welk beroep

gedaagde in de periode van 26 weken voor 18 september 1995 in het geheel niet heeft

uitgeoefend;

- dat de hoogte van het dagloon met name niet afhankelijk is van de al dan niet

werkwillige houding van de werknemer;

- dat artikel 17 van de Dagloonregels IWS een garantie biedt bij het aanvaarden van

lager betaalde arbeid, echter gedaagde aan dit artikel, zoals dit luidde op

18 september 1995, geen aanspraak kan ontlenen op een dagloon, gebaseerd op zijn

verdiensten als kantinebeheerder, omdat hij niet binnen zes maanden na het intreden

van zijn primaire werkloosheid zijn werkzaamheden als portier heeft aangevangen.

In antwoord op vanwege de Raad gestelde vragen heeft appellant bij brief van 16 maart 2001 laten weten

- dat hij niet van opvatting is dat onder het gewoonlijk uitgeoefend altijd het laatstelijk

uitgeoefend beroep moet worden verstaan;

- dat hij evenmin van opvatting is dat na een periode van werkloosheid in alle gevallen

onder het gewoonlijk uitgeoefende beroep moet worden verstaan het laatstelijk

uitgeoefende beroep;

- dat naar zijn mening de systematiek van de WW met zich brengt dat er meerdere

rechten kunnen ontstaan en om die reden, anders dan bij de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), er meer ruimte is om uit te gaan van

verschillende gewoonlijk uitgeoefende beroepen.

- dat zijn aan zijn besluit van 7 maart 1996 ten grondslag liggende standpunt niet

(mede) is ontleend aan de garantiebepaling van artikel 17 van de Dagloonregels IWS.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Onder "gewoonlijk uitgeoefend beroep" als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Dagloonregels IWS dient, gelijk appellant bij zijn brief van 16 maart 2001 ook heeft erkend, niet in alle gevallen te worden verstaan het laatstelijk voor het intreden van de werkloosheid uitgeoefende beroep. Aan de hand van de voor betrokkene geldende omstandigheden moet worden beoordeeld of een breuk in het arbeidsverleden tot gevolg heeft dat een bepaald laatstelijk uitgeoefend beroep aangemerkt moet worden als het gewoonlijk uitgeoefende beroep. Relevante omstandigheden kunnen daarbij zijn de totale duur van het arbeidsverleden, de lengte van de daarin gelegen perioden van werken in een bepaalde functie, de opstelling van betrokkene op de arbeidsmarkt, alsmede de reden waarom op een bepaald moment voor een andere functie is gekozen. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van18 september 1991, WAO-D 1990/27 (RSV 1992/109). Weliswaar ziet deze uitspraak op het gewoonlijk uitgeoefende beroep in de zin van de op de WAO gebaseerde dagloonregels, doch de Raad vermag niet in te zien waarom bij toepassing van de Dagloonregels IWS een andere uitleg van dit begrip geboden zou zijn. Daarvoor is noch in de WW, noch in deze dagloonregels enige steun te vinden. De systematiek van de WW is een andere dan die van de WAO. De omstandigheid dat op grond van de WW een nieuw uitkeringsrecht met een eigen omvang, een eigen duur en een eigen dagloon kan ontstaan naast of gedeeltelijk in de plaats van een bestaand uitkeringsrecht, laat evenwel onverlet dat de Dagloonregels IWS bepalend blijven voor de vaststelling van het aan dat nieuwe uitkeringsrecht verbonden dagloon. In dit verband verwijst de Raad tevens naar zijn (niet gepubliceerde) uitspraak van 4 november 1992, WW-D 1992/13.

Met inachtneming van het hiervoor overwogene is de Raad met de rechtbank en met overneming van de door haar gebezigde overwegingen van oordeel dat op 18 september 1995 in het geval van gedaagde nog geen sprake was van een wezenlijke breuk met zijn werk als kantinebeheerder en deswege dit beroep op die datum nog steeds als zijn gewoonlijk uitgeoefend beroep gold. Aan de door de rechtbank in aanmerking genomen feiten en omstandigheden voegt de Raad nog toe dat het salaris dat gedaagde ontving voor zijn het werk als portier lager was dan 70% van het dagloon van de aan hem ingaande 1 maart 1994 toegekende uitkering krachtens de WW.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad stelt tot slot vast dat van appellant een recht van f 675,-- dient te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verstaat dat van appellant een recht van f 675,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2001.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

JdB

2404