Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AE5854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
01/1049 AW, 01/4759 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2002-7156, 5 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Vastgoed en wonen 2001/484
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1049 AW + 01/4759 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad der gemeente [X], appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 januari 2001, nr. AWB 99/9886 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 12 april 2001, nr. 01/1118 AW-VV, heeft de President van de Raad het verzoek van appellant om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen.

Op 14 juni 2001 heeft appellant een nader besluit ten aanzien van gedaagde genomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 november 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door [burgemeester], burgemeester van [X], en [wethouder], wethouder in deze gemeente, bijgestaan door mr. J.M.M.B. Maes, werkzaam bij CAPRA te 's-Hertogenbosch.

Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.B. Vandeginste, advocaat te Arnhem.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Gedaagde is per 1 januari 1998 aangesteld als gemeentesecretaris van de gemeente [X]. Sedert 1 juli 1998 heeft zij na ziekmelding niet meer als zodanig gewerkt. Bij besluit van 28 april 1999 heeft appellant haar met ingang van 1 mei 1999 met toepassing van artikel 8:6, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst Sector Gemeenten (hierna: CAR/UWO) eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking van gemeentesecretaris, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Daarbij is tevens met toepassing van het tweede lid van genoemd artikel bepaald dat, nu het ontslag in overwegende mate aan eigen schuld of toedoen van gedaagde is te wijten, aan haar in plaats van wachtgeld op grond van hoofdstuk 10 een uitkering op grond van hoofdstuk 11 van de CAR/UWO wordt toegekend.

1.3. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 25 oktober 1999. Naar aanleiding van het daartegen ingestelde beroep was de rechtbank van oordeel dat op onvoldoende gronden tot ongeschiktheid is geconcludeerd en heeft zij bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd, evenals het primaire besluit van 28 april 1999. Voorts zijn bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht gegeven.

2.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen welke tot dat oordeel hebben geleid. De Raad voegt daaraan naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht nog het volgende toe.

2.2. Op grond van de stukken staat voor de Raad genoegzaam vast dat gedaagde bij haar aantreden in de gemeente [X] aanpassingsproblemen ondervond. Gedaagde heeft daarin ongetwijfeld een eigen rol gespeeld, maar de Raad is er geenszins van overtuigd geraakt dat deze problemen geheel en al aan (het optreden van) gedaagde te wijten waren. Veeleer is sprake geweest van een niet aanstonds te overbruggen cultuurverschil, mede ingegeven door gedaagdes onbekendheid met de volle implicaties van de in de gemeente gekozen managementstijl als neergelegd in de [titel publicatie] en de daarmee verband houdende competentieprofielen. De bij het ontslagvoornemen gevoegde lijst van verwijten welke gedaagde worden gemaakt acht de Raad in dit verband niet overtuigend. De lijst is samengesteld op basis van een groot aantal verklaringen, welke op verzoek van appellant zijn opgesteld, eerst nadat gedaagde zich ziek had gemeld. Het is niet geheel duidelijk geworden op welke wijze de verklaringen tot stand zijn gekomen, nu bijvoorbeeld een schriftelijke vraagstelling ontbreekt. Een groot deel van de gemaakte verwijten is afkomstig van personen die betrokken - zo geen partij - waren bij het na het telefoongesprek van 30 juni 1998 ontstane arbeidsconflict. De verklaringen bevatten voorts veeleer persoonlijke meningen over en stellingen betreffende eigenschappen van gedaagde dan dat daarin een opsomming te vinden is van feiten waaruit ongeschiktheid blijkt. Nadat gedaagde in een laat stadium alsnog in kennis is gesteld van de lijst, heeft zij de daarin opgesomde verwijten deels gemotiveerd weerlegd. De Raad heeft voorts geconcludeerd dat in een aantal gevallen sprake is van tegenover elkaar staande verklaringen, hetgeen evenzeer aan de geloofwaardigheid van de verwijten afbreuk doet.

2.3. Hoewel gedaagde zich ervan bewust was en ook moest zijn dat een en ander in het eerste halfjaar na haar aantreden niet vlekkeloos verliep, is haar, naar ook ter zitting nogmaals duidelijk is geworden, nimmer van de zijde van appellant een duidelijk signaal voorgehouden dat haar optreden als disfunctioneren werd gezien en dat verbetering diende plaats te vinden op straffe van ontslag. In die periode was, naar de burgemeester heeft verklaard, sprake van positief-kritische en coachende opmerkingen in de richting van gedaagde. Nadat gedaagde uit het rapport van 19 juni 1998 van de door haar ingestelde werkgroep uit het Management Team de ernst van de situatie duidelijk was geworden heeft zij - op eigen initiatief - de burgemeester verwittigd van de inhoud van het rapport en van de daarin voorgestelde procedure - welke door haar werd ondersteund - om tot een oplossing te geraken. Als gevolg van de escalatie die heeft plaatsgevonden na deze mededeling, heeft gedaagde geen gelegenheid meer gehad haar voornemen tot uitvoering te brengen. Hoewel ook gedaagde heeft bijgedragen aan de ontstane situatie - zij heeft zich immers ziekgemeld en niet willen buigen voor de visie van de burgemeester dat de oplossing van buitenaf moest komen - had appellant haar de gelegenheid om op de in het rapport voorgestelde wijze alsnog tot een goede functievervulling te komen niet mogen onthouden. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat gedaagde zelf het initiatief had genomen tot het instellen van de werkgroep nadat haar gebleken was dat tussen haar en het Management Team samenwerkingsproblemen bestonden, dat gedaagde ook heeft aangegeven zich de conclusies van het rapport te willen aantrekken, dat in het rapport een voorstel voor de te volgen procedure was opgenomen en dat haar stelling dat bemoeienis van derden gemakkelijk zou kunnen leiden tot een ondermijning van haar positie als ambtelijk hoofd van de gemeentelijke organisatie zeker niet onbegrijpelijk is. De Raad is met appellant van oordeel dat gezien de aard en het niveau van de functie een uitgebreid verbetertraject niet voor de hand ligt, maar dit gegeven sluit het geven van aanwijzingen omtrent de wijze waarop gedaagde geacht werd om te gaan met de eigenheid van de organisatie en een laatste kans niet uit. Gedaagde had toen nog slechts een halfjaar gefunctioneerd, hetgeen in een functie als de onderhavige kort genoemd kan worden. Anders dan appellant is de Raad van opvatting dat geenszins op voorhand vaststond dat gedaagde een laatste kans niet zou weten te benutten. Gedaagde was weliswaar onervaren als gemeentesecretaris en haar optreden kan op sommige punten naïef worden genoemd, maar ook appellant heeft onderkend dat op basis van het aan haar benoeming voorafgegane assessment moest worden geconcludeerd dat gedaagde in aanleg over de vaardigheden beschikte om goed te kunnen functioneren als gemeentesecretaris. Dat de functie van gemeentesecretaris een spilfunctie betreft en dat bij appellant blijkbaar het vertrouwen in verbetering ontbrak betekent nog niet dat met een voldoende mate van objectiviteit was vastgesteld dat gedaagde ongeschikt was voor haar ambt, laat staan dat daarbij sprake was van eigen schuld en toedoen.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat appellant niet bevoegd was tot het geven van het in geding zijnde ontslag. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van ƒ 1.420,-. Van de gemeente [X] dient op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet alsnog griffierecht te worden geheven.

3.1. Ten aanzien van het nader ingezonden besluit overweegt de Raad het volgende. Bij dit besluit is aan gedaagde overeenkomstig hetgeen bij de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening aan de orde is gekomen buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging en tot de datum waarop de tekst van de uitspraak in de hoofdzaak bekend is geworden. Daarbij is bepaald dat onder voorwaarden nevenactiviteiten zijn toegestaan en dat de inkomsten daaruit in mindering zullen worden gebracht op de bezoldiging. Partijen hebben verklaard dat het aangevraagde verlof is verleend bij wijze van compromis, om te voorkomen dat gedaagde, die als gevolg van de aangevallen uitspraak in dienst van de gemeente [X] was gebleven, haar werkzaamheden als gemeentesecretaris zou (moeten) hervatten. Gedaagde heeft tegen dat besluit inmiddels bezwaar aangetekend bij appellant vanwege de daarin aangezegde anticumulatie. Hierop is nog niet beslist.

3.2. De Raad stelt vast dat met dit besluit niet is bedoeld uitvoering te geven aan de aangevallen uitspraak, alsmede dat het een ander karakter draagt en op een andere grondslag berust dan het bestreden besluit, zodat het niet valt aan te merken als een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht en niet op de voet van artikel 6:19 van deze wet bij het onderhavige geding kan worden betrokken.

4. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van ƒ 1.420,-, te betalen door de gemeente [X];

Bepaalt dat van de gemeente [X] een griffierecht van ƒ 722,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2001.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) C. Dierdorp.

HD

04.12