Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AE4768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2001
Datum publicatie
16-07-2002
Zaaknummer
99/2655 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 39a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2001, 221
USZ 2001/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2655 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [Y.], gedaagde.

[verzekerde], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: verzekerde, heeft als partij aan het geding deelgenomen.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 25 maart 1998 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van verzekerde, die als 1e assistent accountant werkzaam was bij gedaagde, tegen zijn besluit van 20 oktober 1997 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit had appellant geweigerd de aan verzekerde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 4 weken na 20 mei 1997 te herzien op de grond dat de per die datum toegenomen arbeidsongeschiktheid van verzekerde niet is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als die waarvoor hij reeds uitkering ontving.

De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 16 maart 1999 het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verzekerde met ingang van 18 juni 1997 recht op uitkering ingevolge de WAO heeft naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100 en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 30 juni 1999 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft verzekerde, die als partij aan het geding voor de rechtbank had deelgenomen, te kennen gegeven ook als partij aan dit geding te willen deelnemen, heeft hij er in toegestemd dat zijn medische gegevens ter kennis worden gebracht van gedaagde en heeft hij zijn standpunt kort toegelicht.

Namens gedaagde heeft mr. E. Sportel, advocaat te Emmen, een verweerschrift d.d. 28 september 1999 ingediend.

Het geding is met gesloten deuren behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 april 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. K.B. van Someren, werkzaam bij Gak Nederland B.V., als zijn gemachtigde, en waar gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen. Ook verzekerde is niet ter zitting verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in rubriek IIb van de aangevallen uitspraak.

In dit geding ligt, gelet op hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, de vraag ter beantwoording voor of appellant zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de in artikel 39a, eerste lid, van de WAO gestelde voorwaarde voor het herzien van de aan verzekerde toegekende uitkering zodra de toename van diens arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Aan bedoelde voorwaarde wordt voldaan als de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten.

De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord en daartoe in de eerste plaats overwogen dat in het kader van de toepassing van artikel 39a, eerste lid, van de WAO niet dient te worden bezien of de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 20 mei 1997 van verzekerde voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid welke per 20 november 1995 tot toekenning van de uitkering krachtens de WAO heeft geleid, maar dat dient te worden bezien of de per 20 mei 1997 toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid welke bestond voorafgaande aan 1 maart 1997, de dag met ingang waarvan de mate van verzekerdes arbeidsongeschiktheid laatstelijk door appellant neerwaarts is herzien. In de tweede plaats heeft de rechtbank geoordeeld dat verzekerde reeds op de dag voorafgaande aan de herziening van de uitkering krachtens de WAO per 1 maart 1997 leed aan een geheel van afwijkingen dat tot het hartinfarct op 20 mei 1997 heeft gevoerd. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat het geheel van afwijkingen, reeds aanwezig voor 1 maart 1997, tot arbeidsongeschiktheid leidde, is zij van oordeel, gelet op de strekking van artikel 39a van de WAO, dat die onzekerheid niet voor rekening van verzekerde en gedaagde mag worden gelaten.

Appellant heeft zich in hoger beroep achter het oordeel van de rechtbank gesteld dat artikel 39a van de WAO het oog heeft op de gezondheidstoestand van de betrokkene onmiddellijk voorafgaande aan de laatst vastgestelde verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage (het peilmoment), derhalve de gezondheidstoestand van verzekerde op 28 februari 1997, omdat de uitkering van verzekerde laatstelijk per 1 maart 1997 was herzien. Appellant heeft echter de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist dat de strekking van artikel 39a van de WAO meebrengt dat onzekerheid omtrent het antwoord op de vraag of de oorzaak van latere uitval reeds op het peilmoment aanwezig was in situaties als in het voorliggende geval aan de orde niet voor rekening van werknemer en werkgever kan komen. In zijn aanvullend beroepschrift heeft appellant in dit verband onder meer aangevoerd (waarbij onder 'eiseres' dient te worden verstaan: gedaagde):

"Ten aanzien van [verzekerde] is voorafgaande aan 1 maart 1997 nimmer objectief-medisch vastgesteld dat hij beperkingen had op grond van hartklachten en dat die beperkingen leidden tot arbeidsongeschiktheid. Ook nadat hij op 20 mei 1997 was uitgevallen kon niet met voldoende zekerheid retrospectief vastgesteld worden dat [verzekerde] op 28 februari 1997 al in zodanige mate hartklachten had dat hij als gevolg daarvan arbeidsongeschikt was. In deze situatie behoefde [verzekerde] noch zijn werkgever te vrezen voor uitval in de toekomst als gevolg van hartklachten. Dientengevolge kan eiseres aan de strekking van de bedoelde bepalingen in redelijkheid niet de door de Rechtbank toegekende voordeel van de twijfel ontlenen. De bedoelde bepalingen beogen immers met name de vrees bij werkgevers weg te nemen om bij het in dienst nemen of in dienst houden van chronisch zieken een groter dan normaal financieel risico te lopen. Bij eiseres behoefde deze vrees echter - zoals gesteld - ten aanzien van de hartklachten van [verzekerde] redelijkerwijs niet te bestaan op 28 februari 1997.

Ondergetekende tekent hierbij voor de goede orde aan dat hij het voordeel van de twijfel wel aan de werkgever en werknemer toekent in het geval dat de oorspronkelijke oorzaak weliswaar niet in overwegende mate tot de nieuwe uitval heeft geleid, maar er ook geen andere oorzaak voor de uitval aan te wijzen is. Ondergetekende verwijst in dit verband naar de Tica-mededeling 96.93 van 21 juni 1996 (hierbij), die ondergetekende overgenomen heeft. De situatie, waarin het voordeel van de twijfel volgens deze mededeling geldt, is in casu echter niet aanwezig. Ondergetekende is hiertoe van mening dat die andere oorzaak in casu nu juist wel aan te wijzen is. De arbeidsongeschiktheid werd op 28 februari 1997 veroorzaakt door depressieve klachten. De oorzaak van de uitval op 20 mei 1997 was een andere, te weten een hartinfarct."

Gedaagde heeft zich in zijn verweerschrift - kort gezegd - gesteld achter het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad de in dit geding aan de orde zijnde vraag bevestigend. Met appellant ziet de Raad in de voorhanden zijnde medische gegevens voldoende steun voor het oordeel dat de toename van verzekerdes arbeidsongeschiktheid, het door hem op 20 mei 1997 doorgemaakte hartinfarct, niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan verzekerde op 28 februari 1997 reeds uitkering genoot. Hetgeen van de zijde van gedaagde ter zake van de gezondheidstoestand van verzekerde op en voorafgaande aan 28 februari 1997 is opgemerkt, vermag de Raad niet tot een andersluidend oordeel te brengen. De omstandigheid dat verzekerde te kennen heeft gegeven reeds enige weken voorafgaande aan 20 mei 1997 pijn op de borst te hebben ervaren, acht de Raad onvoldoende om aan te nemen dat de arbeidsongeschiktheid van verzekerde op 28 februari 1997 reeds mede door hartklachten werd veroorzaakt.

Gelet op het hierboven overwogene treft het hoger beroep doel, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het inleidende beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2001.

(get.) H.Bolt.

(get.) P.E. Broekman.

CVG+K