Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AE1367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2001
Datum publicatie
12-04-2002
Zaaknummer
97/9516 AW, 99/6324 AW, 99/6325 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/9516 AW

99/6324 AW

99/6325 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[A.], wonende te [B.], hierna: betrokkene,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, hierna: het College.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens betrokkene is op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 28 mei 1997 (lees: 28 augustus 1997), nummer 95/1446-G6, en tegen de uitspraak van de President van die rechtbank van 5 november 1999, nummer AW 99/2245 ZWI, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens het College is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen genoemde uitspraak van

5 november 1999.

Partijen hebben over en weer verweerschriften ingediend.

Namens het College zijn desverzocht bij brief van 26 februari 2001 twee nadere besluiten van 20 februari 2001 met betrekking tot de rechtspositie van betrokkene overgelegd. Namens betrokkene is verzocht één van die besluiten, te weten dat met betrekking tot de ontslaguitkering, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding te betrekken.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 28 februari 2001, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. I. Bruna, werkzaam bij de CFO, CNV-bond voor Overheid, Zorgsector en Verzelfstandigde Overheidsinstellingen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van Hassel-van Roon, mr. J. Schrijver en mr. P.H.A. Kuyl , allen werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. MOTIVERING

1. Betrokkene, vanaf 1973 in dienst van de gemeente [B.], vervulde sinds 1 september 1984 de functie van hoofd Straat- en Rivierhandel bij de Dienst Midden- en Kleinbedrijf, Marktwezen en Vrij-Entrepot (verder: DMKMV). Per 1 mei 1986 is betrokkene bevorderd naar schaal 9, de functionele schaal. Bij brief van 20 januari 1989 is aan betrokkene medegedeeld welke consequenties de invoering van een nieuw bezoldigingssysteem per 1 januari 1989 zou hebben. Hierbij is aangegeven dat hij op grond van een voor hem geldende garantie per 1 december 1990 in aanmerking kon komen voor een uitloopbevordering naar schaal 10, indien uit een schriftelijke beoordeling zou blijken dat zijn wijze van functioneren voldoende was om de bevordering te rechtvaardigen.

Op 28 november 1990 is tijdens een functioneringsgesprek door het hoofd van de DMKMV kritiek geleverd op de wijze van functioneren van appellant. Hierbij heeft dit hoofd hem medegedeeld dat hij, gezien de voor de uitloopbevordering geldende voorwaarden, voor die bevordering onvoldoende redenen ziet. Op 26 maart 1991 vond een vervolggesprek plaats, waarbij de afspraak is gemaakt dat zou worden aangekoerst op een andere functie binnen de gemeente [B.] en van de zijde van betrokkene is medegedeeld dat met betrekking tot het vooralsnog niet toekennen van de uitloopbevordering, ondanks het geschaad persoonlijk belang, een proceduregang via een beoordelingsgesprek niet werd beoogd. Bij brief van 27 maart 1991 is het vooralsnog niet toekennen van de uitloopbevordering door de (toen waarnemend) directeur van de DMKMV bevestigd, waarbij is aangegeven dat betrokkene, indien hij zich hiermee niet wenste te verenigen, een beoordelingsgesprek kon aanvragen. Betrokkene heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en in overleg tussen partijen is het besluit over de uitloopbevordering aangehouden tot medio december 1991. Op 28 oktober 1991 heeft betrokkene zich per die dag ziek gemeld. Op 18 december 1991 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen betrokkene en de directeur, in aanwezigheid van een vakbondsbestuurder en een personeelsconsulent, waarbij is vastgesteld dat heroverweging ten aanzien van een bevordering naar de uitloopschaal niet kon plaatsvinden, aangezien geen sprake was van een te beoordelen werkbare periode van ongeveer zes maanden. Afgesproken is dat medio 1992 zou worden bezien of van een daadwerkelijk gewerkte periode van circa zes maanden sprake was geweest en dat, indien dit het geval zou zijn en het functioneren over deze periode bij evaluatie zou leiden tot tevredenheid, alsnog de uitloopbevordering met terugwerkende kracht zou worden toegekend, naar het zich de Raad op grond van de stukken laat aanzien alsnog per 1 december 1990. In samenhang met deze toezegging is in het vooruitzicht gesteld dat, indien betrokkene erin zou slagen binnen deze periode van (uiterlijk) zes maanden tot een succesvolle herplaatsing te komen, eveneens deze bevordering onder dezelfde voorwaarden zou worden toegekend. Indien betrokkene door de bedrijfsarts niet geschikt zou worden geacht zijn werk te hervatten en die situatie lang zou voortduren, zou de situatie opnieuw moeten worden bezien.

Betrokkene is arbeidsongeschikt gebleven en in maart 1992 zijn de Herplaatsings-activiteiten gestaakt, waarna namens het College aan het Algemeen burgerlijk pensioenfonds de vraag is voorgelegd of betrokkene blijvend ongeschikt was voor de vervulling van zijn functie. Die vraag is negatief beantwoord.

Bij brief van 12 oktober 1992 heeft betrokkene de directeur van de DMKMV verzocht om toekenning van de uitloopbevordering met terugwerkende kracht tot 1 december 1990. Bij besluit van 24 februari 1993 is onder meer dit verzoek afgewezen. Namens betrokkene is tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarvan de behandeling in overleg tussen partijen is opgeschort, mede in verband met een detachering van betrokkene van juni tot en met september 1993 bij de Stafafdeling Juridische Zaken van de Bestuursdienst en het door hem aanvangen van nieuwe werkzaamheden op 21 maart 1994 in de functie van "assistant to the manager" bij de DMKMV.

Bij besluit van 8 februari 1995 heeft het College het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 februari 1993 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de in rubriek 1 genoemde uitspraak van 28 augustus 1997 het namens betrokkene tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Inmiddels is blijkens de gedingstukken betrokkene in zijn nieuwe functie "assistant tot the manager" gedurende het eerste half jaar positief beoordeeld. Ook betrokkene heeft zich enthousiast over de functie en de samenwerking met de directeur uitgelaten. Al vrij snel ontstonden echter strubbelingen in deze samenwerking, waarbij een rol heeft gespeeld de herhaaldelijk aan de orde gestelde wens van betrokkene om snel zijn functie te beschrijven en te waarderen en de uitloopbevordering alsnog te realiseren.Verder is door toedoen van betrokkene een discussie over de integriteit van de directeur ontstaan, waarna betrokkene heeft geweigerd hiervoor zijn excuses aan te bieden.

Eind 1995 heeft betrokkene zich ziek gemeld, waarna geen hervatting van de werkzaamheden meer heeft plaatsgevonden.

Namens betrokkene is in januari 1996 een klacht ingediend bij de Wethouder Personeelszaken omtrent het handelen van de directeur in deze, waarvan de behandeling is doorgegeven aan de wethouder die de DMKMV in zijn portefeuille had. Betrokkene is per 1 oktober 1996 weer arbeidsgeschikt verklaard. Betrokkene en zijn raadsman hebben op 11 oktober 1996 een gesprek met de wethouder gehad, waarbij de wethouder een bemiddelingstraject heeft voorgesteld, als laatste poging om tot een werkbare verhouding tussen betrokkene en de directeur te komen. Namens betrokkene is bij schrijven van

7 november 1996 aan de wethouder medegedeeld dat betrokkene akkoord ging met dit door de wethouder voorgestelde bemiddelingstraject. De door beide partijen acceptabel geachte externe bemiddelaar is er vervolgens niet in geslaagd tussen betrokkene en de directeur weer een relatie van wederzijds vertrouwen te laten ontstaan, hetgeen deze bemiddelaar op 22 november 1997 aan de wethouder heeft medegedeeld.

Uiteindelijk is aan betrokkene in mei 1998 medegedeeld dat geen hernieuwde bemiddelingspogingen zouden worden gedaan en dat een ontslag zou worden voorgesteld in overleg met de wethouder. Bij brief van 19 augustus 1998 is betrokkene in de gelegenheid gesteld te reageren op het ontslagvoorstel van de directeur van de DMKMV. Namens en door betrokkene is schriftelijk gereageerd, waarbij ervan is afgezien gebruik te maken van een door de wethouder te houden hoorzitting.

Bij besluit van 19 maart 1999 is aan betrokkene per 1 juni 1999 eervol ontslag verleend wegens onverenigbaarheid van karakters op grond van artikel 96, eerste lid, en artikel 97, eerste lid, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (AR). Hierbij is aan hem een ontslaguitkering toegekend ter grootte van 70% van het in de gemeentelijke Wachtgeld- en Uitkeringsverordening 1996 genoemde percentage. Na gemaakt bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van het College van 7 september 1999.

4. De President van de rechtbank heeft bij de in rubriek 1 genoemde uitspraak van 5 november 1999 het tegen dit ontslagbesluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met bepalingen omtrent betaling van griffierecht en proceskosten.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en op grond van de in deze gedingen overigens voorhanden zijnde gegevens, overweegt de Raad als volgt.

6. De uitloopbevordering

Tussen partijen is in geschil of appellant met ingang van 1 december 1990 aanspraak kon maken op een uitloopbevordering.

De Raad stelt vast dat ten tijde hier van belang, blijkens de APO-circulaire 88/40 van 14 december 1988, omtrent het bezoldigingsbeleid van gedaagde, voor bevordering naar de uitlooprang onder meer als voorwaarde gold dat moest blijken dat sprake was van tenminste voldoende functioneren. Op de in rubriek 2 beschreven wijze zijn met appellant nadere (minder vergaande) afspraken gemaakt omtrent de normen waaraan betrokkene om in aanmerking te komen voor bevordering diende te voldoen. De Raad heeft noch uit de gedingstukken, noch uit het verhandelde ter zitting aanwijzingen gevonden dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Betrokkene heeft blijkens de voorhanden zijnde gegevens zowel in de functie van hoofd Straat- en Rivierhandel als in de functie van "assistant to the manager" niet gedurende zes maanden voldoende gefunctioneerd.

Derhalve houdt de weigering van gedaagde om appellant alsnog in aanmerking te brengen voor de uitloopbevordering in rechte stand en komt de aangevallen uitspraak van 28 augustus 1997 voor bevestiging in aanmerking.

7. Het ontslagbesluit

De Raad stelt vast dat ook door en namens betrokkene niet wordt ontkend dat in elk geval na de hiervoor omschreven bemiddelingspoging door de wethouder sprake was van blijvend verstoorde werkverhoudingen, waardoor voor betrokkene terugkeer naar de DMKMV onmogelijk was geworden. Nu de pogingen om de problemen tussen partijen op te lossen zich met instemming van betrokkene uitsluitend hebben gericht op functioneren binnen de DMKMV, was gedaagde naar het oordeel van de Raad ten tijde hier in geding bevoegd aan betrokkene ontslag te verlenen met toepassing van artikel 96, eerste lid, en artikel 97, eerste lid, van het AR.

7.1. Ingevolge artikel 96, tweede lid, van het AR wordt ontslag, als bedoeld in het eerste lid, verleend onder toekenning van een uitkering welke met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Evenals de rechtbank en in lijn met hetgeen de Raad omtrent vergelijkbare ontslaguitkeringen als hier aan de orde heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 juli 1997, TAR 1997, 202) brengt het voorschrift van een behoorlijke belangenafweging in het algemeen met zich dat een ontslagverlening "op andere gronden" dan de in de toepasselijke voorschriften voorziene specifieke ontslaggronden gepaard gaat met aanspraak op een uitkering die tenminste gelijk is aan het ten tijde van de ingangsdatum van het ontslag gebruikelijke wachtgeld bij eervol, niet aan betrokkenes schuld of toedoen te wijten, ontslag.

7.2. Van omstandigheden die in dit geval aanleiding zouden moeten geven om van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Weliswaar zijn aan betrokkene enkele zaken, met name in zijn opstelling ten opzichte van de directeur van de DMKMV, te verwijten, maar ook van de zijde van het College is niet altijd even gelukkig en slagvaardig opgetreden, zoals door het College ook is erkend. De Raad noemt in dit verband de keuze van de kant van het College om bij de poging tot herstel van de arbeidsrelatie toch weer te trachten betrokkene en de directeur tot (nauwe) samenwerking te krijgen, ondanks de inmiddels al langdurig zeer problematische verhouding. Voorts acht de Raad onjuist het vooraf stellen van de voorwaarde voor bemiddeling dat betrokkene alle juridische procedures diende in te trekken. Daarmee is immers een onnodig zware wissel op deze bemiddelingspoging getrokken. Ook is op grond van de voorhanden zijnde gedingstukken te weinig inzicht te verkrijgen in het verloop van de bemiddeling. Hier staat echter weer tegenover dat ook betrokkene en zijn gemachtigde hiermee steeds hebben ingestemd en de houding van betrokkene bij de bemiddelingspoging evenmin bevordelijk was voor een succesvolle afloop.

7.3. Het College heeft verder overwogen dat ter stimulering van de herplaatsings-activiteiten reeds op voorhand een vermindering van de ontslaguitkering en een verkorting van de duur van de uitkering aangewezen is te achten.

Anders dan het College is de Raad van oordeel dat bedoelde in de toekomst gelegen omstandigheden geen rol mogen spelen bij het vaststellen van de omvang van de bij het ontslag toe te kennen ontslaguitkering. Een en ander laat uiteraard onverlet de voor het College bestaande mogelijkheid om, indien de gemeentelijke Wachtgeld- en Uitkeringsverordening 1996 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, op de uitkering een korting toe te passen indien in de toekomst zou blijken van onvoldoende herplaatsingsactiviteiten van betrokkene.

7.4. De Raad acht echter evenmin omstandigheden aanwezig die zouden moeten leiden tot de conclusie dat een hogere uitkering dan het gebruikelijke wachtgeld zou moeten worden toegekend. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat betrokkene en zijn gemachtigde steeds hebben ingestemd met de door het College gekozen aanpak. Gezien de opstelling van beide partijen leek de nieuwe functie toch een echte nieuwe kans voor betrokkene na een problematische periode en leek ook de bemiddelingspoging niet bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Betrokkene heeft zich na een positieve start echter snel nogal negatief opgesteld ten opzichte van de directeur van de DMKMV tijdens zijn functioneren als "assistant to the manager" en ook tijdens de bemiddelingsprocedure. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de weigering door betrokkene zich ten opzichte van de directeur loyaal op te stellen, nadat hij duidelijk te ver was gegaan door zich in beledigende bewoordingen over hem uit te laten. Deze weigering is zelfs nog schriftelijk bevestigd door de gemachtigde van appellant, terwijl de wethouder, naar voor betrokkene ook duidelijk moest zijn, een ultieme poging deed om te bemiddelen en als bewijs van goede, ernstig te nemen wil van betrokkene om die bemiddelingspoging een kans van slagen te geven om deze loyaliteitsverklaring verzocht.

8. Gezien het vorenstaande, komt de aangevallen uitspraak van 5 november 1999 eveneens voor bevestiging in aanmerking, zij het onder aanvulling van de gronden.

9. Het besluit van 20 februari 2001

Ter uitvoering van de uitspraak van de President van de rechtbank van 5 november 1999 heeft het College bij besluit van

20 februari 2001 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, inhoudende gedeeltelijke gegrondverklaring van de bezwaren tegen de ontslaguitkering en alsnog toekenning van een ontslaguitkering ter hoogte en voor de duur van het gebruikelijke wachtgeld op grond van de Wachtgeld- en Uitkeringsverordening 1996 en ongegrondverklaring van de bezwaren voor het overige.

Nu betrokkene van oordeel is dat hem meer dan het reguliere wachtgeld dient te worden toegekend, is met dit besluit niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep tegen de ontslaguitkering en wordt dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dit nieuwe besluit.

De Raad acht dit beroep, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de ontslaguitkering is overwogen, ongegrond.

10. De Raad acht ten slotte termen aanwezig om het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene, begroot op f 1420,- voor kosten van rechtsbijstand inzake het hoger beroep van het College.

11. Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

Bevestigt de aangevallen uitspraken van 28 augustus 1997 en 5 november 1999;

Verklaart het beroep van betrokkene, voor zover gericht tegen het besluit van het College van 20 februari 2001 met betrekking tot de ontslaguitkering, ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van f 1420,- , te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat terzake van het hoger beroep van het College van de gemeente Rotterdam griffierecht wordt geheven ten bedrage van f 675,-.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Madunic als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S.P. Madunic.

HD