Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD9661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
99/4712 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 27
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/4712 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 8 mei 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat er aan appellant wordt opgelegd de maatregel van korting zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met 10% over de periode

26 februari 1998 tot 26 april 1998.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 juli 1998 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 26 juli 1999 het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 10 juli 1998 ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, bij beroepschrift van 6 september 1999 van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op 3 februari 2000 zijn namens appellant de beroepsgronden aangevoerd.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 september 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.T.I. Oey, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken ontvangt appellant een uitkering krachtens de WAO, berekend naar een mate van arbeids- ongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft appellant een inlichtingenformulier AAW/WAO en Toeslagenwet op

26 januari 1998 doen toekomen met de mededeling dat dit formulier uiterlijk 10 februari 1998 in het bezit van gedaagde dient te zijn, op straffe van een maatregel in de vorm van een korting op de uitkering. Aangezien gedaagde dit formulier niet van appellant had ontvangen, heeft gedaagde hem een tweede inlichtingenformulier, gedateerd 3 april 1998, gezonden. Op

27 april 1998 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat beide formulieren niet zijn ontvangen en dat hij er rekening mee dient te houden dat over iedere dag dat het formulier later wordt ontvangen dan een maand na toezending, een kortings- maatregel op de uitkering toegepast zal worden. Op 28 april 1998 heeft appellant de beide formulieren bij gedaagde ingeleverd.

Bij besluit van 10 juli 1998 heeft gedaagde appellant doen weten dat zijn bezwaren tegen het besluit van 8 mei 1998 waarbij een maatregel van 10% over een periode van 59 kalenderdagen is opgelegd ongegrond zijn verklaard. Gedaagde heeft hiertoe overwogen dat appellant het controlevoorschrift, waarin is bepaald dat een inlichtingenformulier binnen een maand na datum dagtekening ingevuld en ondertekend geretourneerd dient te worden, heeft overtreden door het op 26 januari 1998 gedateerde formulier eerst op 28 april 1998 in te leveren. Gedaagde meent dat het te laat inleveren van het formulier voor rekening van appellant dient te komen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bovenvermeld besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant en zijn echtgenote zich ten tijde van de datum in geding weliswaar in een lastige situatie bevonden, maar dat het volgens vaste jurisprudentie geheel voor risico van de uitkeringsgerechtigde is door wie en hoe hij zijn belangen laat behartigen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid en dat gedaagde derhalve in redelijkheid heeft kunnen besluiten de in geding zijnde maatregel op te leggen.

Namens appellant is in hoger beroep erkend dat het betreffende inlichtingenformulier niet tijdig is geretourneerd. Appellant stelt zich echter op het standpunt dat het hem, onder de gegeven omstandigheden, niet kan worden verweten dat hij het formulier niet tijdig heeft teruggezonden. Appellant stelt analfabeet te zijn en laat zijn belangen door zijn echtgenote behartigen. Ten tijde hier van belang was zij echter ziek en bovendien was het betreffende formulier in het hand- schoenenkastje in de auto blijven liggen. Namens appellant wordt betoogd dat in de gegeven situatie elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het in de aangevallen uitspraak ingenomen standpunt is naar het oordeel van appellant in strijd met de redelijkheid en de billijkheid.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 5, tweede lid, van de, op basis van artikel 27 WAO, vastgestelde Controlevoorschriften WAO, Waz en Wajong 1998, is bepaald dat de aanvrager en uitkeringsgerechtigde die in Nederland wonen, verplicht zijn een vragenformulier van de uitvoeringsinstelling volledig ingevuld en ondertekend binnen één maand na datum dagtekening van het schriftelijk verzoek daartoe terug te sturen. Blijkens de bijlage bij het Maatregelenbesluit Tica valt deze op de verzekerde rustende verplichting in de eerste categorie zoals bedoeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit Tica.

In artikel 3 van het Maatregelenbesluit Tica, zoals luidende ten tijde van belang, is in het eerste lid sub b bepaald dat de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting opgenomen in de eerste categorie, 10% over de te late termijn bedraagt, indien het gestelde tijdstip met meer dan 7, respectievelijk 56 kalen- derdagen, doch niet meer dan 28, respectievelijk 112 kalenderdagen wordt overschreden. In het tweede lid van artikel 3 van het Maatregelenbesluit is voorts, voorzover hier van belang, bepaald dat indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft de hoogte van de maatregel 5% bedraagt.

Voorts is in artikel 29, eerste lid, van de WAO nog bepaald dat een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

De Raad constateert, zoals ook ter zitting namens appellant naar voren is gebracht, dat niet in geschil is dat appellant het inlichtingenformulier te laat aan gedaagde heeft geretourneerd. Appellant meent echter dat hem terzake geen verwijt kan worden gemaakt en beroept zich op overmacht.

De Raad is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat het te laat inleveren van het inlich- tingenformulier appellant niet volledig kan worden aangerekend. Gelet op hetgeen daarover ter zitting is medegedeeld acht de Raad aannemelijk dat niet alleen de omstandigheid dat appellant analfabeet is, en de ziekte van appellants echtgenote er toe hebben geleid dat appellant het inlichtingenformulier te laat bij gedaagde heeft ingeleverd, maar ook en vooral het gegeven dat het formulier in de auto is blijven liggen.

Hoewel de Raad begrip heeft voor de situatie waarin appellant ten tijde hier van belang verkeerde, is de Raad gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden van oordeel dat het te laat inleveren van het inlichtingenformulier appellant in het onderhavige geval is toe te rekenen. De Raad kan er voorts ook niet aan voorbijzien dat appellant heeft verklaard, reeds

25 jaar een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen en ieder jaar het inlichtingenformulier tijdig bij gedaagde te hebben ingediend en derhalve, ondanks zijn analfabetisme, geacht mag worden op de hoogte te zijn van de verplichting tijdig een inlichtingenformulier in te dienen.

Gelet op de het voorgaande is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval niet gesproken kan worden van verminderde verwijtbaarheid zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Maatregelenbesluit Tica, of het geheel ontbreken van verwijtbaarheid zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de WAO. Gedaagde heeft dan ook terecht een maatregel van 10% korting op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant over de periode van 26 februari 1998 tot 26 april 1998 opgelegd.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-Van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2001.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J. Verrips.

MvB