Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD9262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
99/4391 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:3
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 228 met annotatie van E.M. Vogelezang-Stoute
JB 2002/96 met annotatie van R.J.N. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/4391 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Directeur van [X.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 15 juli 1999, nr. Awb 97/1109, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft de Raad nog nadere reacties en stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 november 2001, waar appellant, zoals hij had bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.H.H. van Eijck, verbonden aan CAPRA te Den Haag.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1 september 1990 in dienst bij [X.] als bedrijfsmaatschappelijk werker. In verband met conflicten, ziekte en blijvend verstoorde verhoudingen heeft hij vanaf mei 1995 zijn functie niet meer vervuld. Laatstelijk voor de hier in geding zijnde datum van 4 oktober 1996 is hem op zijn verzoek vakantie verleend over de periode van 21 augustus 1995 tot en met 8 september 1995.

1.2. Bij brief van 14 augustus 1996 heeft appelllant met betrekking tot "verlof en adv 1996" het volgende aan de personeelschef van [X.] geschreven:

"Hierbij deel ik u mede dat ik nog niet van voornemens ben op korte termijn vakantieverlof op te nemen.

Vanwege de lopende onderhandelingen inzake een eventuele beëindigingsovereenkomst en de komende behandeling van mijn verzoekschrift aan de President van de Centrale Raad van Beroep te Utrecht van 12 augustus jl. voor het treffen van voorlopige voorzieningen ben ik hoogstwaarschijnlijk niet in staat voor medio oktober 1996 vakantie te plannen. Zo gauw omtrent e.e.a. meer duidelijkheid is zal ik u de data en duur van mijn vakantieverlof doorgeven. Gezien mijn saldo van 69 verlofdagen en het gegeven dat u niet genegen bent tot uitbetaling van mijn verlof over te gaan ben ik voornemens een vakantie van langere duur op te nemen in het najaar voor zover de omstandigheden rondom de afhandeling van het arbeidsconcflict dat toelaten.

Voor de goede orde heb ik de 2 collectieve verlofdagen van 1996 en mijn restant adv. op resp. mijn copie-verlofkaart en copie-adv-kaart ingevuld. Beide kaarten zijn als bijlagen toegevoegd."

Bij schrijven van 11 september 1996 heeft appellant nog, in verband met afwezigheid op 20 september 1996, een vakantiedag van zijn tegoed doen afschrijven, zodat een tegoed van 68 dagen resteerde.

1.3. Bij aangetekend verzonden brief van 4 oktober 1996 heeft gedaagde de volgende beslissing aan appellant bekendgemaakt:

"Sedert 1 mei 1995 is de situatie deze dat u in formele zin arbeidsgeschikt bent, maar dat werkhervatting niet mogelijk is. U oefent uw functie al geruime tijd niet uit zodat er in feite sprake is van verlof. In die situatie acht ik het redelijk dat u eerst het u toekomende vakantieverlof geniet.

Met toepassing van artikel 6:1:1 UWO verleen ik u dan ook met ingang van heden vakantie tot uw vakantietegoed van 63 dagen (68 minus 5 in verband met de uitvoering van de disciplinaire straf) is opgemaakt. Wel wijs ik u erop dat verleende vakantie op grond van het bepaalde in artikel 6:2:5 UWO kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Met het oog daarop verzoek ik u mij er vooraf van op de hoogte te stellen indien u voor langer dan één week onbereikbaar zult zijn."

Gedaagde heeft, zo is ter zitting bevestigd, deze beslissing eenzijdig genomen en niet naar aanleiding van de onder 1.2. vermelde brief of een aanvraag van appellant om vakantie.

1.4. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hangende de bezwaarprocedure heeft gedaagde uiteengezet dat het besluit gebaseerd was op artikel 2, derde lid, van de Regeling vakantie, welke regeling getroffen is ter uitvoering van hoofdstuk 6 van de in de gemeente [C.] toepasselijke Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten (CAR) , welke beide regelingen ook van toepassing zijn op ambtenaren in dienst van [X.]. Bij bestreden besluit van 22 januari 1997 heeft gedaagde zijn besluit van 4 oktober 1996 gehandhaafd.

1.5. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten en daartoe, samengevat, overwogen dat de CAR en de Regeling vakantie geen bepaling bevatten die in de weg staat aan eenzijdige vakantieverlening door gedaagde en dat de wijze waarop gedaagde van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Gedaagde heeft zich onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze wijze van vakantieverlening de voorkeur verdiende boven uitbetaling van het aanmerkelijke tegoed bij appellants te verwachten ontslag.

2.1. Appellant kan zich met die uitspraak niet verenigen en heeft onder meer gesteld dat gedaagde ten onrechte geen acht heeft geslagen op de zowel in de CAR als in artikel 2, derde lid, van de Regeling vakantie vervatte bepaling dat bij de beslissing omtrent de tijdstippen waarop vakantie zal worden verleend, zoveel mogelijk rekening gehouden moet worden met de wensen van de ambtenaar. Zijns inziens heeft gedaagde ten onrechte zonder enig overleg het totaal van zijn vakantietegoed verleend, waarbij gedaagde voorts in strijd heeft gehandeld met onder meer de artikelen 3:2, 3:3 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. Omdat appellant gedurende 17 van de resterende 63 dagen wegens arbeidsongeschiktheid geen vakantie heeft kunnen genieten, heeft gedaagde hem die dagen alsnog vergoed. Appellant verzoekt de Raad daarom gedaagde op te dragen aan hem, appellant, met toepassing van artikel 3, vijfde lid, van de Regeling vakantie een bedrag te betalen van 46/22 van het salaris per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

3.1. De op appellant toepasselijke CAR bepaalt dat de ambtenaar recht heeft op vakantie en dat die vakantie wordt verleend door, in zijn geval, het hoofd van dienst. Anders dan bijvoorbeeld in artikel 23 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is niet bepaald dat de ambtenaar, onder voorwaarden, vrij is te bepalen wanneer hij vakantie opneemt. Ook in de eveneens toepasselijke Regeling vakantie ontbreekt een dergelijke bepaling. In de eerste volzin van het derde lid van artikel 2 van de Regeling vakantie is integendeel bepaald dat de beslissing omtrent tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, bij het bestuursorgaan berust dat de vakantie verleent. Gedaagde is derhalve bevoegd tot het eenzijdig verlenen van vakantie.

3.2. Uit het onder 3.1. overwogene vloeit evenwel nog niet de vrijheid voort voor gedaagde om zonder enige vorm van overleg met de betrokken ambtenaar hem met onmiddellijke ingang - in het onderhavige geval, als gevolg van de wijze van bekendmaking van het besluit, zelfs met terugwerkende kracht - ongevraagd vakantie te verlenen. Door appellant is er terecht op gewezen dat in (de tweede volzin van) het derde lid van de Regeling vakantie is bepaald dat bij de beslissing omtrent de vakantieverlening - voor zover de belangen van de dienst en die van andere ambtenaren dit toelaten - zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de ambtenaar. Dit laatste vergt deugdelijk overleg van het bestuursorgaan met de betrokken ambtenaar. Dit overleg heeft met appellant ten onrechte niet plaatsgevonden. Aldus is in strijd gehandeld met de Regeling vakantie.

3.3. De Raad kan appellant ook volgen in zijn stelling dat gedaagde in strijd heeft gehandeld met het in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht vervatte verbod van détournement de pouvoir. Gedaagde heeft immers niet van zijn bevoegdheid gebruik gemaakt voor het doel waarvoor hem die bevoegdheid is verleend, te weten het verlenen van vakantie in een omvang en op tijdstippen die, gegeven de aanspraak van betrokkene en gelet op de wensen en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene en van degenen met wie de vakantie wordt genoten, gebruikelijk is, ook in een situatie waarin sprake is van een groot aantal opgebouwde dagen en van een door appellant zelf eerder uitgesproken wens om een vakantie van langere duur op te nemen. Het ongevraagd verlenen van het gehele aantal van 63 dagen werd ook niet gerechtvaardigd door de omstandigheid dat gedaagde het voornemen had op een relatief korte termijn nadien over te gaan tot ontslag en hij, in verband met de grote omvang van appellants vakantie-aanspraak, de ontslagdatum op een (beduidend) later tijdstip heeft vastgesteld dan gebruikelijk zou zijn geweest: het voornemen tot het ontslag op andere gronden en het treffen van de daarbij behorende regeling van de uitkering moest immers op 4 oktober 1996 nog worden medegedeeld - die mededeling geschiedde eerst op 13 november 1996 - en appellant moest nog de gelegenheid worden gegeven zijn zienswijze naar voren te brengen over dat voornemen; bij besluit van 8 januari 1997 is het ontslag verleend met ingang van 1 februari 1997.

3.4. De Raad komt op grond van het bovenstaande tot de slotsom dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en derhalve moet worden vernietigd. Omdat het aan het primaire besluit klevende gebrek thans niet meer hersteld kan worden, zal de Raad ook dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vernietigen. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij die besluiten in stand zijn gelaten, moet daarom worden vernietigd.

3.5. Ter voorlichting van partijen merkt de Raad op dat appellant als gevolg van de vernietiging van de besluiten betreffende de vakantieverlening en in verband met het feit dat hem inmiddels ontslag is verleend, welk ontslag als gevolg van de uitspraak die de Raad heden heeft gedaan onder de nrs. 99/4386 AW en 99/4388 AW, in rechte onaantastbaar is geworden, alsnog aanspraak heeft op vergoeding met toepassing van artikel 3, vijfde lid, van de Regeling vakantie van 46 niet genoten vakantiedagen. De Raad gaat er daarbij van uit dat gedaagde over die alsnog te betalen vergoeding tevens renteschade zal vergoeden op de voet van het bepaalde in de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek.

4. Gelet op het bovenstaande en omdat aan de Raad niet is gebleken van voor vergoeding krachtens artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komende proceskosten, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 22 januari 1997 alsnog gegrond;

Vernietigt dat bestreden besluit alsmede het primaire besluit van 4 oktober 1996;

Bepaalt dat [X.] aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal f 540,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

Q