Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD9253

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2001
Datum publicatie
15-05-2002
Zaaknummer
99/3403 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Ambtenarenwet 104
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/3403 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Justitie, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 9 juni 1999, nr. AW 97/7143/27, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

In antwoord op een verzoek van de Raad zijn namens appellant bij brieven van 26 juli 2001 en 21 augustus 2001 nadere inlichtingen verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 september 2001, waar appellant is vertegenwoordigd door H.A. Schoon, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Bij besluit van 4 oktober 1990 heeft appellant met toepassing van artikel 81, eerste lid, onder 1, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aan gedaagde de disciplinaire straf opgelegd van ontslag per 15 oktober 1990. Dit besluit is door de rechtbank te Utrecht bij uitspraak van 12 november 1992 nietig verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard bij beschikking van 's Raads voorzitter van 14 juni 1993, nr. AW 1992/1537.

1.2. Bij brieven van 3 mei 1994 en 2 oktober 1995 heeft (de raadsman van) gedaagde bij appellant aangedrongen op een reactie naar aanleiding van de nietigverklaring van het ontslag.

1.3. Bij brief van 10 november 1995 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat - en om welke redenen - hij geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 12 november 1992 en dat hij voornemens was op die beslissing niet terug te komen. Daarmee doelde appellant op de hem ten tijde van die uitspraak ingevolge artikel 104 van de toenmalige Ambtenarenwet 1929 toekomende bevoegdheid om aan een veroordeling door de ambtenarenrechter, in zover zij niet op geld luidt, niet of niet volledig gevolg te geven. Voor die situatie voorzag artikel 104 in een bevoegdheid voor de ambtenaar om binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de uitspraak deswege een beroep in te dienen bij het gerecht dat de zaak heeft behandeld, bij gegrondverklaring van welk beroep het gerecht het betrokken lichaam tot schadevergoeding veroordeelt.

1.4. Bij brief van 7 juni 1996 heeft appellant gedaagde medegedeeld, overeenkomstig het in de brief van 10 november 1995 kenbaar gemaakte voornemen, te hebben besloten tot afwijzing van het verzoek van gedaagde om terug te komen op zijn eerdere beslissing om geen gevolg te geven aan de rechterlijke uitspraak van 12 november 1992. Bij het bestreden besluit van 28 april 1997 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 7 juni 1996 ongegrond verklaard.

1.5. Bij de thans aangevallen uitspraak van 9 juni 1999 heeft de rechtbank te Amsterdam het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant gedaagdes brief van 2 oktober 1995 terecht heeft opgevat als een verzoek terug te komen van de weigering gedaagde weer te werk te stellen ingevolge de uitspraak van 12 november 1992. De afwijzing van dit verzoek kan volgens de rechtbank de rechterlijke toetsing doorstaan. Hieraan heeft de rechtbank "ten overvloede en ter voorlichting van partijen" toegevoegd, dat appellants weigering gevolg te geven aan de uitspraak van 12 november 1992 geen verandering brengt in het feit dat het aan gedaagde verleende ontslag bij die uitspraak nietig is verklaard. Nu die uitspraak rechtens onaantastbaar is geworden, is het dienstverband van gedaagde juridisch in stand gebleven, ook al vloeit daaruit vooralsnog geen tewerkstelling voort. Het staat gedaagde uiteraard vrij zich alsnog tot appellant te wenden met het verzoek hem in een functie te werk te stellen, aldus de rechtbank.

1.6. Appellant heeft zijn hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot deze door de rechtbank "ten overvloede en ter voorlichting van partijen" gegeven overwegingen. Hij stelt zich op het standpunt dat, gegeven zijn beslissing om aan de rechterlijke uitspraak van 12 november 1992 geen gevolg te geven, het dienstverband van gedaagde wel degelijk - ook juridisch - is geëindigd.

1.7. Gedaagde heeft betoogd dat de rechtbank met juistheid heeft aangenomen dat zijn dienstverband met appellant is blijven voortbestaan.

2. De Raad zal eerst ingaan op de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

2.1. In het algemeen staat voor het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank die - zoals de onderhavige - uitsluitend strekt tot ongegrondverklaring van het beroep. Het bestuursorgaan heeft geen processueel belang bij vernietiging van zo'n uitspraak, waarbij zijn besluit volledig in stand is gelaten en waarin ook overigens geen voor hem nadelige beslissingen zijn gegeven. Dat het bestuursorgaan zich niet kan verenigen met een of meer rechtsoverwegingen waarop de uitspraak steunt of die daarin ten overvloede zijn opgenomen, is op zichzelf onvoldoende grond om een hoger beroep toch ontvankelijk te achten. Het bestuursorgaan behoeft immers na een ongegrondverklaring niet opnieuw in de zaak te voorzien en voor andere door het bestuursorgaan te nemen besluiten hebben de overwegingen van de rechtbank geen rechtstreeks bindende werking.

2.2. In het thans aan de orde zijnde geval doet zich evenwel in zoverre een bijzondere situatie voor dat het primaire besluit van 7 juni 1996 er volgens zijn bewoordingen toe strekt niet terug te komen van de eerdere beslissing om geen uitvoering te geven aan de rechterlijke beslissing van 12 november 1992. Daargelaten of van zo'n eerdere beslissing sprake is geweest, kan uit deze formulering niet worden afgeleid of appellant zich op het standpunt stelde (a) dat de dienstbetrekking van gedaagde door het geen gevolg geven aan de rechterlijke uitspraak was geëindigd en appellant gedaagde niet opnieuw in dienst zou nemen, dan wel (b) dat de dienstbetrekking nog voortduurde en appellant (slechts) volhardde in zijn weigering om gedaagde opnieuw feitelijk te werk te stellen. Ook de bestreden beslissing op bezwaar verschaft dienaangaande geen volledige duidelijkheid. De rechtbank stond voor de taak om, alvorens het bestreden besluit op rechtmatigheid te toetsen, eerst de strekking van het primaire besluit nader vast te stellen, mede gelet op de juridische context waarbinnen dit is genomen. De rechtbank is daarbij gekomen tot een kwalificatie als bedoeld onder b en heeft het bestreden besluit dienovereenkomstig op rechtmatigheid beoordeeld. Aan het slot van zijn uitspraak heeft de rechtbank "ten overvloede en ter voorlichting van partijen" als zijn oordeel gegeven dat - kort samengevat - het dienstverband van gedaagde juridisch in stand is gebleven, daarmee impliciet een strekking van het primaire besluit als bedoeld onder a verwerpend.

2.3. Gelet op het onder 2.2 overwogene, stelt de Raad vast dat de door appellant bestreden overwegingen van de rechtbank geenszins een subsidiaire redengeving voor de rechterlijke beslissing inhouden of buiten de grenzen van het geding tredende aanwijzingen aan partijen behelzen, doch deel uitmaken van het oordeel dat in rechte over het besluit is gegeven. Het gaat hier om een wezenlijk onderdeel van de aangevallen uitspraak, namelijk de wijze waarop de rechtbank het voorwerp van het geding heeft afgegrensd en gekwalificeerd. Van een overweging ten overvloede in de gebruikelijke betekenis is dus geen sprake.

2.4. De Raad overweegt voorts dat de kwalificatie die de bestuursrechter aan het hem voorgelegde besluit heeft gegeven tussen partijen verbindend is, in die zin, dat het betrokken bestuursorgaan daarvan niet zonder meer eenzijdig mag afwijken met een beroep op de werkelijke bedoelingen die bij het nemen van het besluit hebben voorgezeten. Niet ten onrechte acht appellant zich dan ook - behoudens hoger beroep - aan het oordeel van de rechtbank over zijn onderliggende rechtsverhouding met gedaagde gebonden.

2.5. Daar komt in het onderhavige geval bij, dat de kwalificatie van het besluit van 7 juni 1996 onverbrekelijk is verbonden met het oordeel van de rechtbank over de onderliggende rechtsverhouding tussen partijen. Voor het verkrijgen van dit oordeel is geen gereder kader meer beschikbaar, nu de aanspraak van appellant op bezoldiging gelijktijdig met het ontslag vervallen is verklaard en het daartoe strekkende besluit, anders dan het ontslagbesluit zelf, in rechte onaantastbaar geworden.

2.6. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat, hoezeer het hoger beroep is gericht tegen een zuivere ongegrondverklaring van het beroep bij de rechtbank, in dit bijzondere geval aan het betrokken bestuursorgaan niet ieder belang kan worden ontzegd bij beantwoording van de vraag of de rechtbank de strekking van het primaire besluit, gezien de juridische context daarvan, op juiste wijze heeft vastgesteld. Op die vraag heeft appellant zijn hoger beroep toegespitst. Nu ook anderszins van gronden voor niet-ontvankelijkverklaring niet is gebleken, zal de Raad het hoger beroep ontvangen.

3. Met betrekking tot het aangevallen gedeelte van de uitspraak van de rechtbank overweegt de Raad als volgt.

3.1. Een beslissing van appellant om met toepassing van artikel 104 van de Ambtenarenwet 1929 aan de rechterlijke uitspraak van 12 november 1992 geen gevolg te geven kan niet verder strekken dan tot het terzijde stellen van de niet te executeren, doch slechts in schadevergoeding op te lossen veroordeling van appellant om gedaagde wederom in staat te stellen zijn functie als penitentiair inrichtingswerker te gaan uitoefenen. Het rechtsgevolg van de vernietiging van het ontslagbesluit als zodanig, te weten het tenietgaan van de disciplinaire straf van ontslag, wordt door de beslissing om aan de uitspraak geen gevolg te geven niet geraakt. Dit rechtsgevolg vloeit immers voort uit de rechterlijke uitspraak zelf; niet uit enige door appellant ter uitvoering of op de grondslag van die uitspraak te verrichten (rechts)handeling. De Raad verwijst bijvoorbeeld naar zijn uitspraken van 18 oktober 1949, nr. AW 1949/B 53 en 54 (AB 1949/796) en van 9 maart 1989, nr. AW 1987/467 (TAR 1989, 99).

3.2. Ter zitting is komen vast te staan dat de dienstbetrekking ook niet anderszins is geëindigd op een van de in het ARAR omschreven wijzen.

3.3. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat het tussen partijen bestaande dienstverband juridisch in stand is gebleven, ook al vloeit daaruit vooralsnog geen tewerkstelling voort.

3.4. Aan een verdergaande beoordeling van de aangevallen uitspraak komt de Raad niet toe. Daarvoor is geen plaats, nu het hoger beroep van appellant daartoe niet strekt en gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld.

4. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt, voorzover bestreden, in aanmerking om te worden bevestigd.

5. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 710,- aan kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

6. Voorts zal de Raad met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet bepalen dat van appellant een griffierecht van f 675,- wordt geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover bestreden;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van f 710,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van f 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2001.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A. de Gooijer.

HD

22.10

Q