Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD9035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2001
Datum publicatie
08-10-2002
Zaaknummer
00/5 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:8
Besluit algemene rechtspositie politie 76
Besluit algemene rechtspositie politie 77
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], gemeente [C.], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [X.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 24 november 1999, nr. 99/385 AW K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 oktober 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.R.G. Smulders, advocaat te Roermond. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Schoonhoven, werkzaam bij CAPRA.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant was werkzaam als hoofdagent [Y.] in gedaagdes politieregio. Bij besluit van 10 februari 1998 heeft gedaagde appellant wegens plichtsverzuim, bestaande uit het bij herhaling geen gevolg geven aan het bevel zijn financiële verplichtingen na te komen hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot meerdere derdenbeslagen, voorwaardelijk strafontslag verleend op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, in verbinding met artikel 78, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van gronden. Appellant heeft hierin berust.

1.3. Bij brief van 15 juni 1998 heeft gedaagde appellant erop gewezen dat hij recent wederom is geconfronteerd met derdenbeslagen. Gedaagde heeft daarbij opgemerkt thans nog niet tot tenuitvoerlegging van het strafontslag over te zullen gaan, maar appellant dringend verzocht hem per omgaande schriftelijk mee te delen of er wel of niet nog meer loonbeslagen kunnen worden verwacht, welke zien op de periode gelegen vóór 10 februari 1998. Gedaagde heeft daaraan toegevoegd dat elk volgend loonbeslag, gelegen in de periode vóór 10 februari 1998 waarvan appellant hem niet per omgaande schriftelijk in kennis heeft gesteld, zal leiden tot het ten uitvoer leggen van het strafontslag. Een loonbeslag dat ziet op de periode na 10 februari 1998, ongeacht of een dergelijk loonbeslag op een zelfde feitencomplex berust, zal eveneens leiden tot het ten uitvoer leggen van het strafontslag.

1.4. Bij besluit van 15 oktober 1998 is gedaagde overgegaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafontslag, ingaande op de datum volgend op die waarop dat besluit wordt uitgereikt aan appellant. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 maart 1999.

De rechtbank heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2.1. De Raad stelt allereerst vast dat het besluit tot voorwaardelijk strafontslag en het daarbij vastgestelde plichtsverzuim als een vaststaand gegeven moet worden beschouwd. In het onderhavige geding dient derhalve slechts de vraag te worden beantwoord of gedaagdes besluit tot tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafontslag in rechte stand kan houden. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

2.2. Aan het besluit van 10 februari 1998 had gedaagde de voorwaarde verbonden dat appellant zich gedurende een termijn van twee jaar niet schuldig zou maken aan plichtsverzuim als waarvoor die bestraffing plaatsvond, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim. Bij brief van 15 juni 1998 heeft gedaagde daaraan onder meer toegevoegd dat elk volgend niet aangemeld loonbeslag zal leiden tot tenuitvoerlegging van het strafontslag en daarbij appellant uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om per omgaande opening van zaken te bieden. Appellant heeft op dit schrijven, daartoe medio juli nog aangespoord door zijn leidinggevende, eerst eind augustus 1998 gereageerd richting gedaagde. In een (ongedateerde) brief - welke gedaagde op 2 september 1998 onder ogen kreeg - deelt appellant onder andere mee te weten dat er loonbeslagen liggen en er niet aan te twijfelen dat er nog meer zullen volgen o.a. van de gemeente [D.]. Hij vermeldt voorts bezig te zijn alle zaken op een rij te zetten voor de Gemeentelijke Kredietbank. Tenslotte deelt appellant mee nog niet te kunnen zeggen of er nog loonbeslagen volgen en welke.

Gedaagde is op 18 augustus 1998 en op 29 september 1998 geconfronteerd met nieuwe loonbeslagen en is op 13 oktober 1998 benaderd door een deurwaarderskantoor met het verzoek over te gaan tot inhouding van een bedrag op appellants salaris, omdat appellant gemaakte afbetalingsafspraken niet (meer) nakomt en ook niets meer van zich laat horen. Gedaagde heeft daarin aanleiding gezien over te gaan tot tenuitvoerlegging van het strafontslag, waarbij met name gewicht is toegekend aan het feit dat appellant er door zijn gedragingen geen blijk van heeft gegeven de ernst van de situatie onder ogen te willen zien en zich ten overstaan van zijn werkgever op de vlakte houdt.

2.3. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant terecht en op goede gronden geconstateerd dat aan de voorwaarden tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag was voldaan. Appellant heeft geen, althans onvoldoende, gebruik gemaakt van de hem bij brief van 15 juni 1998 geboden gelegenheid opening van zaken te geven omtrent zijn financiële positie. Zo heeft hij nagelaten gedaagde op de hoogte te brengen van een op handen zijnd executoriaal derdenbeslag in verband met de verschuldigdheid van ruim ƒ 50.000,-, terwijl hij daarvan naar het oordeel van de Raad ten tijde van zijn brief aan gedaagde wel behoorde te weten, nu het desbetreffend vonnis van de rechtbank reeds geruime tijd daarvoor was uitgesproken. Appellant wist voorts op dat moment dat hij in gebreke was gebleven zich te houden aan een gemaakte betalingsafspraak met de gemeente [D.]. Dat appellant destijds het overzicht over zijn schulden kwijt was acht de Raad niet geheel onbegrijpelijk, doch dit mocht appellant er niet van weerhouden zoveel mogelijk open kaart te spelen teneinde financieel orde op zaken te stellen en tevens te voorkomen dat zijn werkgever bij voortduring met onverwachte derdenbeslagen werd geconfronteerd. Appellant heeft aan het dringende verzoek in de brief van gedaagde van 15 juni 1998 niet voldaan en heeft ermee volstaan te melden dat hij geen concrete informatie kon verstrekken, welke keuze voor zijn rekening komt.

2.4. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat de ernst van het in vorenbedoelde gedraging besloten liggend plichtsverzuim de kwalificatie ernstig plichtsverzuim en daarmee de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. De Raad onderschrijft in dit verband de opvatting van gedaagde dat aan een executief politieman als appellant hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid mogen worden gesteld en dat appellant niet langer kon waarborgen aan die eisen volledig en blijvend te voldoen.

3. Gedaagde heeft verzuimd om, alvorens het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag te nemen, appellant in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze daaromtrent naar voren te brengen. Aldus is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet hierin in dit geval geen aanknopingspunt voor vernietiging van het bestreden besluit gelegen. Hij overweegt daartoe dat de feitelijke gegevens met betrekking tot de derdenbeslagen bekend waren aan gedaagde en voorts dat appellant bij de hoorzitting in de bezwaarfase alsnog in de gelegenheid is geweest zijn zienswijze met betrekking tot het ontslag naar voren te brengen. Niet gebleken is dat appellant door het achterwege blijven van het eerder bedoelde horen in zijn belangen is geschaad.

4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2001.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

08.11