Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD8574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
00/6286 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 8:55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/58
USZ 2002/65 met annotatie van Red.
JB 2002/75 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6286 AW

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,

en

de Raad van Bestuur van het Kadaster, geopposeerde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij uitspraak van 6 juli 2001 heeft de Raad het door mr. L. Stové, werkzaam bij de Utrechtse Juristen Groep B.V., namens opposant ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van opposant gegeven uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg op 23 oktober 2000, onder nummer Awb 00/62, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de beroepsgronden niet tijdig bij de Raad zijn ingediend.

Tegen die uitspraak is namens opposant verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 15 november 2001, waar mr. L. Stové namens opposant is verschenen. Geopposeerde heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1.1. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Deze bepaling is ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van de Awb in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

1.2. Het door mr. L. Stové namens opposant op 30 november 2000 ingediende beroepschrift bevat echter geen gronden.

1.3. De Raad heeft bij schrijven van 8 januari 2001 die gemachtigde in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. De gemachtigde heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

1.4. Bij schrijven van de Raad van 8 februari 2001 is de gemachtigde van opposant wederom de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van twee weken gesteld en is erop gewezen dat indien de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend, de gemachtigde er rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

1.5. Op 8 februari 2001 heeft de gemachtigde om uitstel voor het indienen van nadere gronden verzocht. Hierop heeft de Raad bij brief van 13 februari 2001 de gemachtigde medegedeeld dat de termijn voor het indienen van de gronden is verlengd tot en met 12 maart 2001. Ook deze nadere termijn heeft de gemachtigde ongebruikt voorbij laten gaan.

1.6. Bij brief van 12 maart 2001 heeft de Raad de gemachtigde wederom de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van twee weken gesteld en is er opnieuw op gewezen dat indien de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend, de gemachtigde er rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

1.7. Bij geschrift van 4 april 2001 heeft de gemachtigde van opposant de gronden van het beroep - zoals zij daarin aangeeft - nader aangevuld.

2. Bij de onder I genoemde uitspraak heeft de Raad met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Awb het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de beroepsgronden niet binnen de in het schrijven van 12 maart 2001 gestelde termijn zijn ontvangen.

3.1. In verzet betoogt de gemachtigde van opposant dat het hoger beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat zij in haar op 30 november 2000 bij de Raad ingediende beroepschrift gronden heeft aangevoerd. In dat beroepschrift is immers het volgende aangevoerd:

"Eiser kan zich op de volgende, nog nader aan te vullen gronden, met deze beslissing niet verenigen. De beslissing komt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dan met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel."

3.2. Desgevraagd heeft de gemachtigde verklaard dat onder de door haar bedoelde beslissing de in hoger beroep aangevallen uitspraak moet worden verstaan.

4.1. In hetgeen namens opposant in verzet is aangevoerd, acht de Raad onvoldoende reden gelegen om de door de Raad op 6 juli 2001 gegeven uitspraak niet in stand te laten. De Raad is van oordeel dat de hiervoor geciteerde door de gemachtigde in het voorlopige beroepschrift gebezigde passage geen enkele duidelijkheid verschaft omtrent hetgeen partijen naar het oordeel van opposant verdeeld houdt. Die passage kan dan ook niet als grond, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb worden beschouwd.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het door opposant gedane verzet ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

Q