Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD8380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2001
Datum publicatie
24-01-2002
Zaaknummer
01/5157 NABW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 147
JABW 2002, 25
Gst. 2002-7161, 6 met annotatie van W.P.F. de Bruijn
Module Vastgoed en wonen 2001/838
USZ 2002/32 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5157 NABW-VV

U I T S P R A A K

van

DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoeker is bij brief van 21 september 2001 hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 10 augustus 2001 tussen partijen gewezen uitspraak nummer 00/3776 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. In dezelfde brief is verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De gronden voor het hoger beroep en die voor het verzoek om een voorlopige voorziening zijn aangevuld bij brief van 18 oktober 2001.

Verzoeker en Gak Nederland bv hebben desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Namens gedaagde heeft mr. Ph. Burgers, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp Amsterdam West, een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 4 december 2001, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Burgers, voornoemd.

II. MOTIVERING

Met betrekking tot de ontvankelijkheid

Uit de gedingstukken blijkt dat de aangevallen uitspraak is verzonden op 16 augustus 2001. De in rubriek I genoemde brief van 21 september 2001 is ter griffie van de Raad ontvangen op 25 september daaropvolgend. Dit geschrift is tijdig ingediend namens verzoeker en ondertekend door de chef Beroep van de Concernafdeling Juridische Zaken van de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam. Daarin is tevens een besluit van verzoeker tot het instellen van hoger beroep en tot schorsing van de aangevallen uitspraak in het vooruitzicht gesteld. Dit besluit is op voorstel van de wethouder Sociale Zaken door verzoeker genomen op 5 oktober 2001.

De president ziet in dit hem bij brief van 18 oktober 2001 toegezonden besluit van verzoeker aanleiding om de proceshandelingen tot het instellen van hoger beroep en tot het vragen van een voorlopige voorziening op nader aan te voeren gronden aan verzoeker toe te rekenen, aangezien op grond van dat besluit ervan uitgegaan moet worden dat voormelde chef met instemming van het college van burgemeester en wethouders is opgetreden toen zij deze handelingen namens verzoeker verrichtte. Daarmee is de termijn voor het instellen van het hoger beroep gesauveerd.

Anders dan namens gedaagde is betoogd is er naar het oordeel van de president geen grond om aan te nemen dat zowel het hoger beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard op grond van de omstandigheid dat dit al aangekondigde besluit na het verstrijken van de termijn is genomen en in het geding is gebracht. Ook overigens ziet de president geen gronden die aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening in de weg staan.

Met betrekking tot het verzoek

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Hierbij geldt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven.

Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Uit de gedingstukken blijkt onder meer het volgende.

Gedaagde ontving een bijstandsuitkering van verzoeker gedurende de periode van 9 december 1980 tot 1 juni 1992. In verband met door gedaagde verzwegen inkomsten uit arbeid besloot verzoeker tot terugvordering van aan gedaagde verleende bijstand over te gaan. Het totale bedrag van de terug te vorderen bijstand bedroeg f 19.276,86. In een brief van 28 augustus 1992 werd het met ingang van 1 september 1992 maandelijks af te lossen bedrag vastgesteld op f 200,--; voorts werd aan gedaagde bericht:

" Gelet op het tijdsverloop sinds het ontstaan van deze vordering, zal ik ter stuiting van de verjaring de rechter vragen zich een oordeel te vormen over uw betalingsverplichtingen. U kunt dus een oproep voor de rechtszitting verwachten.

Overigens heeft de uitspraak van de rechter, indien u stipt uw (toekomstige) betalingsverplichting nakomt, geen directe consequenties voor u.

Mocht met u geen regeling in der minne kunnen worden getroffen, dan zal ik deze vordering (ook) ter beoordeling aan de rechter voorleggen om uw betaalverplichting in rechte af te kunnen dwingen.".

De kantonrechter te Amsterdam stelde bij beschikking van 15 december 1992 vast dat de gemeente terstond een bedrag van f 19.276,82 (saldo per 1 december 1992) ten laste van gedaagde kon invorderen ter zake van gemaakte kosten van bijstand. Gedaagde bleef in gebreke te betalen ook nadat verzoeker het maandelijks door hem af te lossen bedrag ingaande 1 januari 1993 had verlaagd tot f 150,-- en hem bij brief van 5 februari 1993 had gewezen op de mogelijkheid van beslag op loon of uitkering bij het niet stipt nakomen van zijn betaalverplichting.

Verzoeker heeft vervolgens vereenvoudigd derdenbeslag gelegd ingaande 1 juli 1993 ten laste van gedaagde. Vanaf juli 1993 heeft de gemeente door middel van dit beslag maandelijks een bedrag van f 150,-- ontvangen. Dit bedrag wordt ingehouden op de arbeidsongeschiktheidsuitkering die gedaagde ontvangt.

Onder dagtekening 1 december 1999 heeft verzoeker mededeling gedaan van zijn besluit om niet van verdere terugvordering af te zien. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is ongegrond verklaard bij besluit van 9 juni 2000 op grond van in hoofdzaak de volgende overwegingen:

"Het invorderingsbeleid van de gemeente op grond van artikel 78c Abw is vastgelegd in de Nota Verantwoord afschrijven gepubliceerd op 23 april 1999 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 212). Voorzover hier van belang worden de volgende criteria van afschrijving gehanteerd. Tot afschrijving wordt overgegaan, indien:

- er geen sprake is van vermogenstoeval

- de debiteur drie of vijf jaar lang volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan;

- de inning niet geschiedt door middel van beslag;

- er geen sprake is van recidive.

Blijkens punt 5.3 Instructies van de sociale dienst ten aanzien van het gemeentelijke beleid is beslag geen absolute uitsluitingsgrond voor toepassing van artikel 78c lid 1 Abw. Indien de debiteur het initiatief heeft genomen met een verzoek tot beslaglegging, teneinde er zeker van te zijn dat maandelijks correct wordt betaald, moet de zaak worden beoordeeld, als zou er geen beslag liggen, en moet de debiteur zijn betaalverplichting zelf nakomen.

Op grond van het beleid inzake artikel 78c Abw is doorslaggevend dat er in casu feitelijk beslag is gelegd. Volgens het beleid kan slechts indien u geen enkel verwijt voor het toepassen van beslagmaatregelen kan worden gemaakt, een uitzondering worden gemaakt. Wij menen dat wij de juistheid en rechtsgeldigheid van het beslag op grond van het onderhavige besluit niet diepgaand behoren te beoordelen. Wel kunnen wij ambtshalve beoordelen of de beslaglegging evident onterecht was. U stelt dat u pas wist dat er geen beslag was gelegd, toen u de onderhavige bestreden beschikking ontving en derhalve nu pas het beslag kunt aanvechten en dat aan u derhalve geen verwijt kan worden gemaakt van het beslag. Wij menen dat de beschikking van 5 februari 1993 en de acceptgiro die in ieder geval in juni 1993 is verzonden, aan het juiste adres zijn verzonden, zoals dit was geregistreerd in het bevolkingsregister en bij de sociale dienst. Door de beschikking van 5 februari 1993 wist u, dan wel had u behoren te weten, dat het overleg met de advocaat was afgerond, dat de betalingsverplichting van f 150,-- vaststond en dat u hieraan diende te voldoen. Het is onbestreden dat er een betalingsachterstand was van vier termijnen, voordat beslag werd gelegd. Afgezien van de vraag of dit een wettelijke vereiste was bij de beslaglegging in juni 1993 is vóór het beslag een schikkingsvoorstel gedaan. Het overleg over de hoogte van de maandelijkse betaling is naar ons oordeel een overleg over een minnelijke schikking.".

De rechtbank heeft het besluit van 9 juni 2000 vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker niet overeenkomstig zijn eigen beleid gehandeld en kan het gelegde beslag niet aan gedaagde worden tegengeworpen bij de beantwoording van de vraag of gedaagde voor kwijtschelding in aanmerking komt.

Namens verzoeker is dit oordeel gemotiveerd bestreden.

De president overweegt het volgende.

Artikel 78c, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

Op grond van de thans beschikbare gegevens gaat de president er van uit dat verzoeker ten tijde hier van belang gedurende vijf jaar volledig aan de hem opgelegde betalingsverplichting van f 150,-- per maand had voldaan. Dit betekent dat verzoeker op grond van artikel 78c, eerste lid aanhef en onder a, van de Abw in dit geval bevoegd was om van verdere terugvordering af te zien.

Het oordeel van de rechtbank dat verzoeker niet overeenkomstig zijn ter zake geformuleerde beleid heeft gehandeld met als consequentie dat het gelegde beslag aan gedaagde niet kan worden tegengeworpen acht de president niet juist.

Dat oordeel ziet er aan voorbij dat het uitgangspunt van verzoekers beleid is om in geval van betaling door middel van beslag niet tot kwijtschelding van (restant)vorderingen over te gaan. De in de zogeheten werkvoorschriften van verzoeker geformuleerde uitzondering op dat uitgangspunt voor de situatie dat blijkt "dat niet in voldoende mate is getracht tot een minnelijke schikking te komen" leest de president in samenhang met de uitleg van dat beleid zoals deze in het bestreden besluit is weergegeven. In dat licht bezien kan naar het oordeel van de president bezwaarlijk worden aangenomen dat gedaagde het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag niet kan worden verweten en ook niet worden aangenomen dat in het geval van gedaagde met succes een beroep op deze uitzondering zou kunnen worden gedaan.

De hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting van gedaagde alsook de mogelijke gevolgen van niet stipte nakoming van die verplichting - waaronder die van beslag - zijn immers duidelijk gemarkeerd in de aan gedaagde verzonden brief van 5 februari 1993; vervolgens is op 9 juni 1993 in gedaagdes dossier genoteerd "er is geen rooie cent afgelost op VI 82400 ondanks bemiddeling door advocaat".

Het gestelde niet ontvangen van acceptgiro's en aanmaningen door gedaagde maakt dit niet anders; voorzover daarvan al in het eerste halfjaar van 1993 sprake is geweest, had het na de ontvangst van de brief van 5 februari 1993 op de weg van gedaagde gelegen om hierover contact op te nemen met verzoekers sociale dienst en het vanaf 1 januari 1993 maandelijks verschuldigde bedrag eventueel op andere wijze te voldoen.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de president tot het oordeel gekomen dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in het bodemgeschil geen stand zal houden. De gevraagde voorlopige voorziening komt voor toewijzing in aanmerking en de werking van de aangevallen uitspraak zal worden opgeschort totdat de Raad heeft beslist op het hoger beroep.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president ten slotte geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De president van de Centrale Raad van Beroep,

Schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 10 augustus 2001, reg. nr. 00/3776 NABW.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.

BvW

1112