Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD8226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2001
Datum publicatie
08-10-2002
Zaaknummer
99/4467 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/6

Uitspraak

99/4467 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [B.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 6 augustus 1999, nr. AW 97/3409/27, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 augustus 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.G.M. de Koning, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Burghout, werkzaam bij de gemeente [B.].

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, die in januari 1980 bij het Gemeentevervoerbedrijf [B.] (GVB) in dienst is getreden, is binnen dat bedrijf sedert 9 april 1990 werkzaam in een gecombineerde functie van metro/sneltrambestuurder en stationsbeambte. Als stationsbeambte is appellant belast met kaartverkoop in verband waarmee hem door het GVB een depot ter beschikking wordt gesteld bestaande uit een geldbedrag (in papier- en muntgeld) en strippenkaarten.

1.2. Nadat in het jaar 1992 depottekorten bij appellant waren geconstateerd, heeft gedaagde bij brief van 1 februari 1993 appellant opgedragen om grote zorgvuldigheid te betrachten bij het depotbeheer en hem tevens gewezen op de consequenties wanneer niet aan die opdracht wordt voldaan.

1.3. Bij brief van 23 oktober 1995 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat is vastgesteld dat tijdens zijn stationsdiensten in de periode december 1994 tot oktober 1995, te weten op 14 december 1994, 3 mei 1995, 13 september 1995 en 8 oktober 1995, tekorten zijn geconstateerd waarvan het totaalbedrag meer dan ƒ 5.500,- bedraagt. Met betrekking tot die tekorten heeft appellant zich op 27 oktober 1995 ten overstaan van de depotcommissie moeten verantwoorden.

1.4. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 13 september 1996 appellant als disciplinaire straf een schriftelijke berisping opgelegd wegens plichtsverzuim. Na bezwaar heeft gedaagde die straf bij besluit van 14 maart 1997 gehandhaafd.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het besluit van 14 maart 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is in die uitspraak van oordeel dat, aangezien op grond van de door het GVB sinds 1994 gehanteerde procedure bij het depotbeheer van de kaartverkoop nauwkeurig kan worden vastgesteld op welk moment van de dag een depottekort is ontstaan, en op 14 december 1994 en 13 september 1995 bij appellant - als laatst dienstdoende stationsbeambte - een depottekort was ontstaan van respectievelijk ƒ 1.710,- en ƒ 550,-, voldoende vast is komen te staan dat het ontstaan van die depottekorten appellant kan worden verweten en hij zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

2. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van die uitspraak betwist. Hij heeft daartoe in hoofdzaak aangevoerd dat de sinds 1994 door gedaagde gehanteerde procedure op papier in orde lijkt, maar dat die procedure in de praktijk te wensen overliet. Als voorbeelden daarvan heeft appellant genoemd dat sluitzegels vrijelijk in omloop zijn en dat daarbij niet of nauwelijks op de nummers ervan werd gelet, dat depottasjes her en der verspreid op de werkvloer lagen, en dat bij het tellen van de inhoud van de depottasjes veelal gebruik werd gemaakt van uitzendkrachten in plaats van beëdigde ambtenaren. Voorst heeft appellant naar voren gebracht dat in het gehele traject van de depottasjes verschillende personen en afdelingen van het GVB betrokken zijn, terwijl personen die een moedersleutel tot hun beschikking hebben vrijelijk toegang hebben tot de depotzakjes. Aangezien gedaagde, naar het oordeel van appellant, heeft nagelaten de procedure, die met betrekking tot de hem verweten tekorten is gevolgd, feitelijk te onderzoeken, kan zijns inziens niet staande gehouden worden dat hij aansprakelijk is voor de ontstane depottekorten.

3. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

3.1. Op 23 november 1995 heeft de interne accountant, F. Witzen RA, een rapport uitgebracht inzake de procedure zoals die door het GVB dient te worden gevolgd bij de kaartverkoop op de metrostations. Deze procedure houdt in dat tijdens personeelswisselingen in de dagdienst het depot volledig wordt overgedragen nadat door het overdragende en ontvangende personeelslid de waarde van het depot is gecontroleerd en deze schriftelijk is vastgelegd op het daarvoor bestemde formulier. Na beëindiging van de dagdienst - derhalve door de laatst dienstdoende stationsbeambte - wordt het depot geteld en wordt de uitkomst samen met het nummer van het verstrekte sluitzegel in een proces-verbaal vermeld waarna het depot in een depottasje wordt gedaan dat dan wordt verzegeld en in een daarvoor bestemde kluisruimte wordt opgeborgen. Vervolgens wordt het depottasje door de afdeling waardetransport opgehaald en afgeleverd bij de afdeling depotbeheer alwaar telkens twee medewerkers van die afdeling de juistheid van de afrekening en de administratieve verantwoording controleren. Deze werkzaamheden houden in dat de aantallen verkochte kaarten worden genoteerd op een verzamelformulier en dat wordt aangegeven of de aanwezige opbrengst van kaartverkopen en wisselgeld daarmee in overeenstemming was, dan wel welk verschil daartussen werd geconstateerd.

3.2. In het licht van de hierboven weergeven procedure en de in het dossier aanwezige gedingstukken is de Raad tot het oordeel gekomen dat niet onomstotelijk is vast komen te staan dat appellant verantwoordelijk kan worden gehouden voor de vastgestelde depottekorten. Immers blijkens die procedure zijn meerdere personen betrokken bij de behandeling en afwerking van een depot, terwijl uit de in het dossier aanwezige stukken niet blijkt dat gedaagde in het geval van appellant naar de eventuele betrokkenheid van die verschillende personen bij het ontstaan van de gewraakte tekorten feitelijk onderzoek heeft verricht.

In de beschikbare gedingstukken is ook niet terug te vinden of telkens twee medewerkers van de afdeling depotbeheer daadwerkelijk de depots van appellant hebben gecontroleerd: de zogeheten afrekenstaat van 14 december 1994 is niet gedateerd en mist ondertekening door de depotcontroleur 1 en 2, terwijl er met betrekking tot de overige incidenten waarbij depottekorten zijn ontstaan in het geheel geen afrekenstaten in het dossier aanwezig zijn. Op grond van de wel in dossier aanwezige stukken blijkt naar het oordeel van de Raad onvoldoende dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan onzorgvuldig depotbeheer. In het licht van het voorgaande kan de Raad dan ook aan de aantekening van de medewerker [C.] ("Zegel intact! Nummer OK") op het proces-verbaal van overgave/overname kaartverkoop van 13 september 1995 niet het gewicht toekennen dat gedaagde daaraan gehecht wil zien.

3.3. De Raad merkt overigens nog op dat ten aanzien van het depottekort van 14 december 1994 van ƒ 1.710,- gedaagde heeft nagelaten appellant onmiddellijk, althans binnen zeer korte tijd met dat tekort te confronteren waardoor appellant de mogelijkheid is ontnomen zich tijdig te vergewissen van de feitelijke juistheid van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, en hij daardoor onnodig in een nadeliger bewijspositie is gebracht dan waarin hij zou hebben verkeerd wanneer hem eerder zou zijn voorgehouden welke feit gedaagde had geconstateerd.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat voor de Raad onvoldoende is komen vast te staan dat het slechts appellant kon zijn en niet iemand anders die voor meerbedoelde depottekorten verantwoordelijk moet worden gehouden. Derhalve is evenmin komen vast te staan dat appellant zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en komt gedaagde derhalve niet de bevoegdheid toe de desbetreffende disciplinaire straf op te leggen.

3.5. Het betreden besluit en het primaire besluit dat daarbij is gehandhaafd, komen bijgevolg voor vernietiging in aanmerking evenals de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van ƒ 2.840,-.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 14 maart 1997, alsmede het besluit van 13 september 1995 ;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot ƒ 1.420,- en in hoger beroep tot een bedrag groot ƒ 1.420,-, te betalen door de gemeente [B.];

Bepaalt dat de gemeente [B.] aan appellant het door hem betaalde griffierecht van ƒ 510,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. P.G.M. Zwartkruis als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

08.10

Q