Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD8133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
99/6303 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Weigering WW-uitkering op de grond dat appellant niet voldoet aan de referte-eis als bedoeld in art. 17 sub a WW.

De Raad acht de weigering terecht en bevestigt de aangevallen uitspraak. De Raad is van oordeel dat in dit geval sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De enkele stelling van appellant dat hij in méér dan 25 weken werkzaam is geweest is volstrekt onvoldoende ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij aan de referte-eis voldoet. Appellant laat bovendien in hoger beroep opnieuw na enig bewijs aan te dragen voor zijn stelling en is noch bij de hoorzitting van gedaagde noch ter zitting bij de rechtbank noch ter zitting van de Raad verschenen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 57 met annotatie van H.E. Bröring
JB 2002/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/6303 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr E.J.C. Asselbergs, advocaat te Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Roermond op 12 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 november 2001, waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.H.A.J. Cremers, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant heeft tot en met 24 december 1998 gewerkt via uitzendburo Start. Op 31 december 1998 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd, waarbij de eerste werkloosheidsdag is vastgesteld op 28 december 1998.

Bij brief van 11 februari 1999 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat hij ter zake van zijn per 28 december 1998 ingetreden werkloosheid geen recht heeft op WW-uitkering op de grond dat appellant, nu hij in het tijdvak van 39 weken voorafgaand aan die eerste werkloosheidsdag slechts in 25 weken heeft gewerkt, niet voldoet aan de referte-eis als bedoeld in artikel 17 sub a van de WW. De periode van 39 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag is door gedaagde voorverlengd met weken waarin appellant ziek is geweest, welke conform artikel 17a, eerste lid aanhef en sub a, van de WW worden aangemerkt als weken waarin appellant als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten. De referteperiode loopt aldus van 19 januari 1998 tot 27 december 1998.

Namens appellant is in bezwaar gesteld dat appellant vanaf 10 juli 1997 onafgebroken in loondienst heeft gewerkt.

Bij het op bezwaar gegeven - bestreden - besluit van 21 mei 1999 heeft gedaagde zijn standpunt nader gemotiveerd en gehandhaafd. Gedaagde, die (de gemachtigde van) appellant tevoren uitdrukkelijk heeft uitgenodigd gegevens omtrent andere dienstverbanden over te leggen, heeft er op gewezen dat namens appellant weliswaar is gesteld dat appellant in voornoemde referteperiode naast de reeds bekende, in 25 weken via Start verrichte werkzaamheden, nog andere werkzaamheden heeft verricht, maar dat daarvoor geen bewijs is aangedragen.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak onder meer overwogen dat gedaagde voor het verkrijgen van informatie omtrent andere dienstverbanden in hoge mate is aangewezen op de bereidheid van appellant om informatie daaromtrent te verschaffen en dat namens appellant, ook na hiertoe diverse malen te zijn uitgenodigd, geen bewijzen zijn ingediend ter staving van het standpunt dat appellant in bedoelde referteperiode - welke periode tussen partijen in confesso is - in méér dan 25 weken heeft gewerkt. Volgens de rechtbank is zelfs geen begin van bewijs hiervoor geleverd.

Namens appellant is in hoger beroep erkend dat hij feitelijk in 25 weken heeft gewerkt bij Start uitzendburo. Niettemin is hij van mening dat appellant aan de referte-eis voldoet omdat, evenals in eerste aanleg is gesteld, voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij vanaf 10 juli 1997 zonder onderbreking werkzaam is geweest bij diverse werkgevers.

In het verweerschrift geeft gedaagde aan dat deze enkele stelling namens appellant volstrekt onvoldoende is ter onderbouwing van het standpunt dat appellant in genoemde periode in méér dan 25 weken werkzaam is geweest. Omdat appellant in hoger beroep opnieuw nalaat enig bewijs aan te dragen voor zijn stelling en noch bij de hoorzitting van gedaagde noch ter zitting bij de rechtbank is verschenen, is naar de mening van gedaagde sprake van een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, reden waarom gedaagde de Raad verzoekt appellant te veroordelen in de proceskosten.

De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich daartoe achter de overwegingen van de rechtbank.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat aan appellant terecht uitkering is ontzegd op de grond dat hij niet voldoet aan de in artikel 17 van de WW neergelegde referte-eis.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Naar aanleiding van het verzoek van gedaagde om appellant te veroordelen in de proceskosten overweegt de Raad dat naar zijn oordeel in dit geval sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht om de door gedaagde in het verweerschrift uiteengezette redenen en nu bovendien van de zijde van appellant niet is gereageerd op het verweerschrift en noch appellant noch diens gemachtigde ter zitting van de Raad zijn verschenen.

Gezien het vorenstaande acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op f 58,-- aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de Raad; van andere op grond van het Besluit proceskosten Bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de navolgende beslissing.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 58,--;

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2001.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

GdJ