Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD8053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2001
Datum publicatie
11-01-2002
Zaaknummer
99/5571 AW en 00/980 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/5571 AW en 00/980 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 23 september 1999, nr. 98/79 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Namens gedaagde is ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een besluit van 19 oktober 1999 genomen. Het namens appellante tegen dit besluit bij de rechtbank ingestelde beroep is naar de Raad doorgezonden.

Namens appellante is schriftelijk gereageerd op het verweerschrift en het besluit van 19 oktober 1999 en zijn nadere stukken overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 november 2001. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. Rijpkema, advocaat te Groningen, en heeft gedaagde, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.J van Gastel, werkzaam bij USZO Diensten B.V. te Groningen.

II. MOTIVERING

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het navolgende.

1.2. In verband met een tweetal aan appellante toegekende ontslaguitkeringen zijn aan appellante bij besluiten van 5 december 1994 ziekte-uitkeringen toegekend over het tijdvak 6 juni 1994 tot 8 september 1994, met de mededeling dat de ontslaguitkeringen vanaf 8 september 1994 worden voortgezet. In verband met een ontslag per 1 augustus 1994 is aan appellante vanaf 1 augustus 1994 eveneens een ziekte-uitkering toegekend en is haar bij besluit van 8 december 1994 vanaf 8 september 1994 een werkloosheidsuitkering toegekend.

1.3. Bij besluit van 17 oktober 1995 is aan appellante meegedeeld dat de ziekte-uitkeringen, genaamd dienstverhouding 04 en 06 (DV 04 en DV 06) vanaf 8 september 1994 ten onrechte zijn doorbetaald en dat deze zullen worden teruggevorderd. Appellante heeft bezwaar gemaakt. Bij brief van 24 november 1995 is het terugvorderingsbedrag vastgesteld op f 17.780,04. Bij brief van 20 mei 1996 is het teruggevorderde bedrag nader bepaald op f 18.504,63.

1.4. Bij een zogenoemde schulduitleg van gedaagde van 4 februari 1997 is het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op f 26.135,09. Bij besluiten van 17 en 23 december 1997 is het bezwaar gegrond verklaard terzake van het teruggevorderde bedrag en is dit nader vastgesteld op (bruto) f 9.301,19 voor DV 04 en (bruto) f 16.556,99 voor DV 05 (lees DV06). Deze bedragen vormden het verschil tussen de bruto bedragen ten aanzien van DV04 en DV06 waarop in september 1994 aanspraak bestond en de feitelijk uitbetaalde bruto maandbedragen van september 1994 tot en met oktober 1995.

1.5. Lopende het beroep van appellante tegen de besluiten van 17 en 23 december 1997 heeft gedaagde bij besluit van 8 mei 1998 de terugvordering gematigd met 25% en het terug te vorderen bedrag met f 6.628,37 verlaagd tot f 19.885,11. Bij een brief van 4 mei 1999 aan de rechtbank heeft gedaagde doen weten dat het schuldbedrag was opgelopen tot f 20.635,32.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de terugvordering, neergelegd in de bestreden besluiten van 17 en 23 december 1997 en 8 mei 1998 - kort samengevat - geoordeeld, dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij teveel ontving. De verhoging van het teveel uitbetaalde bedrag met een opslag van 1,86% heeft de rechtbank onjuist bevonden. Voorts heeft zij geconcludeerd dat gedaagde in verband met de zes-maanden jurisprudentie niet bevoegd was om de bedragen terug te vorderen die waren uitbetaald na 8 maart 1995, door de rechtbank becijferd op f 12.181,72, aangezien dit bedrag aanzienlijk meer is dan het bedrag van f 6.628,37 waarmee gedaagde de terugvordering had gematigd. De evenvermelde besluiten zijn vernietigd.

2.2. Gedaagde heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 19 oktober 1999 het bedrag van de terugvordering nader vastgesteld op bruto f 15.081,97 (zijnde f 20.635,32 minus f 12.181,72).

2.3. Het - tot de terugvordering beperkte - hoger beroep van appellante is primair gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het haar ten tijde van de ontvangst van de betalingen redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij teveel uitkering ontving. Voorts acht appellante - en in zoverre betwist zij ook het nadere besluit van 19 oktober 1999 - de hoogte van terugvordering met name in verband met de successieve verhogingen van de terugvordering nog steeds niet inzichtelijk en is appellante van oordeel dat de aanvankelijk door gedaagde toegepaste matiging van 25% ook nog dient te worden toegepast op de teveel uitbetaalde bedragen in het tijdvak van 8 september 1994 tot 8 maart 1995. Tenslotte acht appellante de terugvordering van het bruto-bedrag van de uitbetalingen onjuist en vermoedt appellante dat gedaagde haar ten onrechte een WAO-conforme uitkering heeft onthouden in verband met een latere langdurige ziekteperiode.

2.4. Aangezien gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld en gelet op het (primaire) besluit van 17 oktober 1995, is het geschil thans beperkt tot de terugvordering van hetgeen aan appellante met betrekking tot DV04 en DV06 onverschuldigd is betaald over het tijdvak van 8 september 1994 tot 8 maart 1995.

3. De aangevallen uitspraak

3.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellante ten aanzien van de uitkeringen DV04 en DV06 die haar zijn uitbetaald over het tijdvak van 8 september 1994 tot 8 maart 1995 redelijkerwijs kon weten dat deze nagenoeg geheel ten onrechte waren uitbetaald.

3.2. Bij een uitkeringsgerechtigde als appellante, die als uitkeringsgerechtigde nieuwe werkzaamheden aanvaardt en na ontslag daaruit ook weer desgevraagd uitkering verkrijgt onder aanvaarding van wederom nieuwe werkzaamheden, waarbij de omvang van de werkzaamheden ook nog wel eens fluctuaties te zien geeft, is niet te voorkomen dat er correcties achteraf moeten plaats vinden in de hoogte van de aanspraak van de uitkeringsgerechtigde en de hoogte van de bijbehorende uitkeringsbedragen. Dat daardoor een nogal complexe situatie kan ontstaan is dan een gegeven waarmee ook de uitkeringsgerechtigde redelijkerwijs rekening kan houden en vormt op zich zelf geen reden om een niet redelijkerwijs kunnen weten aanwezig te achten.

3.3. Vast staat dat appellante maandelijks per uitkering een specificatie ontving, dat zij de bruto maandbedragen ten aanzien van DV04 en DV06, zoals vermeld in het besluit van 23 december 1997, nimmer heeft bestreden en evenmin heeft betwist dat zij in deze periode ongeveer f 1.200,- (bruto) per maand meer uitkering ontving dan zij voorheen aan salaris en uitkering tezamen kreeg. Derhalve is de Raad van oordeel dat het appellante ook in de zich hier voordoende betrekkelijk complexe situatie bij enige oplettendheid redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat er een fout werd gemaakt. Aan het vorenstaande doet niet af dat appellante in de maanden september 1994 tot en met december 1994 in het geheel geen betalingen van gedaagde kreeg en dat na een signaal van appellante in december 1994 - waarna bleek dat de gelden op een verkeerd gironummer waren gestort - in januari 1995 de uitkeringen van de afgelopen maanden tegelijkertijd werden overgemaakt. Appellante had immers in de periode september 1994 tot en met december 1994 wel de maandelijkse specificaties ontvangen. Dat appellante aan de gegevens op de specificaties geen aandacht besteedde en volstond met het opbergen daarvan, is een omstandigheid die voor risico van appellante komt, te meer omdat appellante uit eigen ervaring wist dat zij geen blind vertrouwen mocht hebben in de juiste verwerking van alle uitkeringen.

3.4. Aangezien de rechtbank de besluiten van 23 december 1997 en 8 mei 1998 heeft vernietigd behoeven de grieven van appellante over de onduidelijkheid van de daarbij teruggevorderde bedragen hier geen bespreking.

3.5. Uit de aangevallen uitspraak valt af te leiden dat de rechtbank de beperking van het tijdvak waarover teruggevorderd mocht worden in de plaats heeft gesteld van de matiging van 25% die gedaagde bij het besluit van 8 mei 1998 had toegepast. Aangezien de toepassing door de rechtbank van de zogenoemde zes-maanden jurisprudentie op dezelfde overwegingen is gestoeld als de motivering van gedaagde voor de matiging, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien te oordelen dat de matiging van 25% ook over het in het tijdvak van 8 september 1994 tot 8 maart 1995 had moeten worden toegepast.

3.6. Al het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten in rechte stand kan houden en voor bevestiging in aanmerking komt.

3.7. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad voor wat betreft het hoger beroep geen aanleiding.

4. Het besluit van 19 oktober 1999

4.1. Nu het besluit van 19 oktober 1999 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is gegeven en niet geheel aan appellentes bezwaren tegemoet komt, wordt appellante ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht geacht tevens tegen dit besluit beroep te hebben ingesteld. Gelet op het hiervoor overwogene spitst de beantwoording van de vraag of het besluit van 19 oktober 1999 in rechte stand kan houden zich toe op de vraag of gedaagde het bedrag van de terugvordering bij dit besluit, als zijnde het totaal van de onterecht betaalde uitkeringen DV04 en DV06 in het tijdvak van

8 september 1994 tot 8 maart 1995, met juistheid heeft vastgesteld op f 15.081,97.

4.2. Namens gedaagde is desgevraagd ter zitting aangegeven dat het door hem gehanteerde geautomatiseerde berekeningssysteem op het moment waarop het geraadpleegd wordt, uitsluitend kan laten zien welke bedragen op dat moment over en weer verschuldigd zijn, als ging het om een rekening-courant verhouding.

Indien het systeem enige tijd na het primaire terugvorderingsbesluit - bijvoorbeeld bij de zogenoemde schulduitleg of in bezwaar of in beroep - wordt geraadpleegd, kan het zijn dat de daaruit blijkende bedragen inmiddels hoger of lager zijn dan het bedrag dat bij het in geding zijnde terugvorderingsbesluit is (of mocht worden) teruggevorderd. Dit komt doordat het berekeningssysteem automatisch ook eventuele foutieve betalingen van gedaagde over latere dan de in geding zijnde tijdvakken verdisconteert alsmede verrekeningen en terugbetalingen door betrokkene. Het berekeningssysteem biedt dan niet meer de mogelijkheid inzicht te geven in het (juiste) over de in geding zijnde tijdvakken verschuldigde bedrag. Dit inzicht kan, zo is namens gedaagde verklaard, dan slechts door middel van een handmatige berekening worden geboden.

4.3. Namens gedaagde is voorts aangegeven dat de verhogingen van de terugvordering, die in het onderhavige geval na de aanvankelijke terugvordering bij de besluiten van 17 oktober 1995 en 24 november 1995 hebben plaatsgevonden, een - onvermijdelijk - gevolg waren van evenvermeld systeem. Aangezien gedaagde dienovereenkomstig ook bij het besluit van 19 oktober 1999 is uitgegaan van de op die datum "openstaande rekening-courant-schuld" van f 20.635,32, het totale vanaf mei 1999 aanwezige schuldbedrag, dat mede tot stand is gekomen door (foutieve) betalingen aan appellante over na oktober 1995 gelegen tijdvakken, kan de Raad niet anders concluderen dan dat gedaagde bij dit besluit op bezwaar niet is gebleven binnen de grenzen van het primaire besluit waarbij gedaagde tot terugvordering heeft besloten. Bij de omstandigheid dat gedaagde via het geautomatiseerde systeem later niet meer een tot de in geding zijnde tijdvakken beperkte berekening kon maken, had gedaagde, zoals hij ook op inzichtelijke wijze heeft gedaan bij het besluit van 23 december 1997, via een handmatige berekening de hoogte van de terugvordering moeten vaststellen.

4.4. De Raad heeft voorts moeten vaststellen dat gedaagde bij het besluit van 19 oktober 1999 de verhoging met 1,86%, die ook in het schuldbedrag van f 20.635,32 was opgenomen en die de rechtbank onjuist had geoordeeld, ten onrechte niet achterwege heeft gelaten.

4.5. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep dat appellante geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 19 oktober 1999 gegrond moet worden verklaard en dat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

4.6. Appellantes grief dat de terugvordering beperkt zou moeten blijven tot het netto bedrag van de onterechte uitbetalingen slaagt niet, aangezien naar vaste jurisprudentie van de Raad een bestuursorgaan gerechtigd is om het bruto bedrag van het teveel uitbetaalde terug te vorderen. Aan appellantes stellingen over een mogelijkerwijs niet uitbetaalde WAO-conforme uitkering komt de Raad niet toe aangezien dit aspect het thans voorliggende besluit niet raakt.

4.7. Gedaagde zal met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. De Raad merkt op dat gedaagde ter zitting heeft aangegeven dat er, indien appellante zulks wenst, een afbetalingsregeling getroffen kan worden.

4.8. Appellantes verzoek om gedaagde met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de door appellante geleden schade komt niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien niet is gebleken dat appellante door het thans vernietigde besluit schade heeft geleden. Appellante is immers nog niet tot terugbetaling overgegaan en appellante heeft overigens geen concrete schadeposten genoemd.

4.9. De Raad zal gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht veroordelen in de proceskosten van appellante met betrekking tot het besluit van 19 oktober 1999, die worden begroot op f 1.065,- aan kosten voor rechtsbijstand.

5. De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep dat appellante geacht moet worden hebben ingesteld tegen het besluit van 19 oktober 1999 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van f 1.065,- te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Pijper.

HD

Q