Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD8046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2001
Datum publicatie
11-01-2002
Zaaknummer
99/4203 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/4203 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [B.], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [B.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 9 juli 1999, nr. 1999/118 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Namens appellante is een nader stuk ingezonden. Namens gedaagde is een vraag van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 oktober 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. B. Cornelissen, advocaat te Haarlem. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.W.H. Buiting, werkzaam bij Van Kleef & Partners te Boskoop, en door [werknemer], werkzaam bij gedaagde.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven feitenoverzicht volstaat de Raad met het navolgende.

1.1. Appellante, geboren in 1954, werkzaam van 1971 tot 1977 als administratief medewerkster bij een lampenfabriek, in 1979 als hondentrimster en van 1983-1984 als kinderverzorgster, is bij besluit van 17 maart 1988 met ingang van 25 januari 1988 als administratief medewerker bij de Sociale Dienst van de gemeente [B.] aangesteld. Zij werd ingedeeld in schaal 2 met een anciënniteit van twee jaar en twee maanden. Per 1 januari 1989 werd zij ingedeeld in schaal 3 met een anciënniteit van drie jaar en 0 maanden. Bij besluit van 18 november 1993 is appellante als uitvloeisel van een functiewaarderingsoperatie alsnog vanaf 1 maart 1988 in schaal 3 en vanaf 1 januari 1989 in schaal 4 ingedeeld, zonder dat haar anciënniteit werd gewijzigd.

1.2. Op 30 september 1996 heeft appellante zich met betrekking tot de per 1 maart 1988 toegekende anciënniteit tot de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) gewend, onder meer stellend dat haar beginsalaris bij de gemeente [B.] lager was dan haar salaris als administratief medewerkster in 1977 in het bedrijfsleven.

1.3. De Commissie heeft in haar oordeel van 3 september 1997 (gepubliceerd in TAR 1997, 220) overwogen dat gedaagde als uitvloeisel van zijn vaste gedragslijn geen rekening had gehouden met appellantes vroegere ervaring omdat gedaagde die niet voldoende recent achtte. De Commissie oordeelde dat door die gedragslijn herintreders, in grote meerderheid vrouwen, worden benadeeld en derhalve indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt. De Commissie zag hiervoor geen objectieve rechtvaardiging en achtte gedaagdes handelen daarom in strijd met artikel 1a, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen. Zij overwoog voorts dat de per 1 maart 1988 toegekende anciënniteit in 1997 nog steeds in appellantes bezoldiging doorwerkte en oordeelde dat gedaagde derhalve ook in 1997 nog indirect onderscheid naar geslacht maakte.

1.4. Met verwijzing naar het oordeel van de Commissie heeft appellante gedaagde op 24 september 1997 verzocht het besluit van 18 november 1993 met terugwerkende kracht tot 1 maart 1988 te herzien.

1.5. Bij besluit van 5 december 1997, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 6 januari 1999, heeft gedaagde het verzoek afgewezen. Gedaagde overwoog dat salarisinpassing plaatsvindt op grond van opleiding en ervaring en dat bij eerste aanstelling in beginsel geen anciënniteit wordt toegekend, zij het dat er een zekere onderhandelingsmarge bestaat. Gedaagde stelde dat appellantes ervaring bij de inpassing per 1 maart 1988 wel was meegewogen en dat dit niet op dermate onredelijke wijze was geschied dat er aanleiding was van die rechtens onaantastbare inpassing terug te komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit laatste oordeel onderschreven en appellantes beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, overwegend dat appellante (i) noch feiten en omstandigheden had aangedragen die bij het besluit van 18 november 1993 geen rol hebben gespeeld en destijds evenmin als beroepsgrond naar voren gebracht hadden kunnen worden, (ii) noch de evidente onjuistheid van dat besluit had aangetoond.

3. In hoger beroep heeft appellante de Raad verzocht zelf in de zaak te voorzien en haar salarisanciënniteit vanaf 1 maart 1988 of althans vanaf 24 september 1997 te verhogen. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Bij de aanstelling in 1988 is, naar appellante ter zitting heeft verklaard, haar arbeidsverleden ter sprake gekomen. Gedaagde was niet bereid een hogere anciënniteit dan twee jaar toe te kennen. Appellante kon zich met die uitkomst niet verenigen, maar achtte het niet aangewezen om daartegen rechtsmiddelen aan te wenden. Derhalve is het besluit van 17 maart 1988, zo stelt de Raad vast, rechtens onaantastbaar geworden. Hetzelfde geldt voor het herzieningsbesluit van 18 november 1993.

3.2. Eerst in 1997 heeft appellante om herziening van de per 1 maart 1988 toegekende anciënniteit verzocht. De Raad vermag niet in te zien dat het oordeel van de Commissie van 3 september 1997 een nieuwe omstandigheid was die gedaagde noopte van het besluit van 17 maart 1988 of van het besluit van 18 november 1993 terug te komen. Appellante had destijds in beroep kunnen aanvoeren dat met haar eerdere ervaring en haar positie als herintreedster onvoldoende rekening was gehouden. De omstandigheid dat de besluiten van 17 maart 1988 en 18 november 1993 geen rechtsmiddelenverwijzing bevatten, verplichtte gedaagde naar het oordeel van de Raad niet om naar aanleiding van het verzoek van 24 september 1997 om herziening die besluiten in heroverweging te nemen.

3.3. Appellante stelt dat de per 1 maart 1988 toegekende anciënniteit te laag was, omdat haar aanvangssalaris bij de gemeente [B.] door die inpassing lager was dan het salaris dat zij in 1977 in haar werkkring in het bedrijfsleven had genoten. Deze stelling kan, reeds nu dit - overigens niet concreet aangegeven - verschil in honorering niet is komen vast te staan, niet tot het oordeel leiden dat de per 1 maart 1988 toegekende anciënniteit van twee jaar evident onjuist was. Evenmin heeft appellante aangetoond dat haar vóór 1988 opgedane ervaring van zodanige betekenis was voor haar functie bij de gemeente [B.], dat gedaagde haar per 1 maart 1988 een hogere anciënniteit had moeten toekennen.

3.4. Nu niet is komen vast te staan dat de per 1 maart 1998 toegekende anciënniteit evident onjuist was, kan de Raad niet tot het oordeel komen dat gedaagde naar aanleiding van het verzoek om herziening gehouden was de salarisanciënniteit vanaf 1 maart 1988 of vanaf 24 september 1997 te verhogen. Ook appellantes stelling dat gedaagde in een identiek geval de betrokken werknemer in verband met een uitspraak van voormelde rechtbank van 17 juli 2000 wel is tegemoetgekomen, betekent niet dat het bestreden besluit rechtens niet houdbaar is, reeds omdat appellante onvoldoende gegevens heeft verschaft om te kunnen beoordelen of dat geval in relevante mate gelijk was aan het onderhavige geval.

4. Aangezien het bestreden besluit derhalve in rechte standhoudt, moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd, zij het met enige aanvulling van gronden. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen termen, zodat als volgt wordt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr A. Beuker-Tilstra en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

Q