Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD8041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
11-01-2002
Zaaknummer
99/3957 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs 12.9
Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs 12.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/3957 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van Bestuur der Rijksuniversiteit [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 4 juni 1999, nr. AWB 97/1296 AW V08, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 november 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Vetter, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde], bijgestaan door [werknemer 1] en [werknemer 2], allen werkzaam bij de Rijksuniversiteit [woonplaats].

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is sedert 16 mei 1979 bij werkzaam bij de Rijksuniversiteit [woonplaats]. Met ingang van 1 augustus 1980 is zij in vaste dienst getreden. Per 1 januari 1986 is appellante aangesteld in de functie van bibliotheekbeheerder bij de faculteit der [naam] ([afkorting]). Sedert 1 juni 1993 is appellante werkzaam in de functie van coördinator [naam 2] ([afkorting 2]) van de Dienst Facilitaire Zaken van de faculteit der [naam 3].

1.2. Bij brief van 12 februari 1997 heeft gedaagde aan appellante het voornemen kenbaar gemaakt haar met toepassing van artikel 12.9. eerste lid, aanhef en onder g, van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (RWOO) ontslag te verlenen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Nadat appellante haar bedenkingen tegen het ontslagvoornemen kenbaar had gemaakt, heeft gedaagde bij primair besluit van 27 maart 1997 aan zijn voornemen uitvoering gegeven door appellante met ingang van 1 juli 1997 ontslag te verlenen op grond van voormelde bepaling van het RWOO. Bij het bestreden besluit van 3 juli 1997 heeft gedaagde, na door appellante gemaakte bezwaren, het primaire besluit gehandhaafd met dien verstande dat de ontslagdatum is gewijzigd in 1 augustus 1997. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. Ook in hoger beroep staat de vraag ter beantwoording of het aan appellante met ingang van 1 augustus 1997 gegeven ontslag in rechte stand kan houden. De Raad overweegt daartoe als volgt.

3.1. Het door gedaagde gestelde disfunctioneren van appellante betreft haar gemis aan leidinggevende en communicatieve vaardigheden welke zijn vereist om de functie van coördinator [afkorting 3] op een juiste wijze vorm te geven. Appellante zou door haar (belerende en ontmoedigende) manier van optreden weerstanden en irritaties in haar werkomgeving oproepen. Voorts zou in het functioneren van appellante, ondanks de door [coach], opleidingsadviseur/trainer bij de afdeling Mobiliteit en Opleiding, aan haar eind 1994/1995 gegeven management-coaching, en de in de periode september 1995 tot en met december 1995 aan appellante gegeven supervisie van [B.], afdelingshoofd van de Universiteitsbibliotheek, afdeling Buitendienst, geen verbetering zijn gekomen en ook geen verbetering te verwachten zijn.

3.2. Appellante erkent dat zij in de functie van coördinator [afkorting 3] niet optimaal functioneerde. Zij is evenwel van mening dat dit in hoofdzaak moet worden toegeschreven aan gebreken in de organisatie van de leiding van de [afkorting 3] en aan het disfunctioneren van de bibliothecaris als hoofd. Dit zijn omstandigheden die haars inziens voor rekening van gedaagde komen.

3.3. De Raad stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat zich bij de [afkorting 3] vanaf de oprichting in 1993 ernstige problemen hebben voorgedaan. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn deze problemen door gedaagde gedurende lange tijd opgevat als de gevolgen van een moeizame verstandhouding en een slechte communicatie binnen de driehoofdige leiding van de [afkorting 3], bestaande uit de bibliothecaris, de plaatsvervangend bibliothecaris en appellante als coördinator. De pogingen van de zijde van gedaagde om in de toestand verbetering te brengen waren dan ook in overwegende mate op de verhoudingen en de communicatie binnen die leiding gericht. De Raad wijst bijvoorbeeld op de door gedaagde overgelegde verklaring van [coach] van 2 april 1996, waarvan de aanhef luidt: "In najaar 1994 werd ik door de P&O afdeling van de Faculteit Geneeskunde gevraagd om de onderlinge communicatie van het management team van de [afkorting 3] te verbeteren" en waarin zij aangeeft te hebben geprobeerd de verschillende leidinggevende rollen van de betrokken functionarissen te verhelderen en communicatie in het managementteam te bewerkstelligen. Ook in het functioneringsgesprek dat

[B.] op 14 november 1995 met appellante heeft gevoerd is blijkens het daarvan overgelegde verslag op dit aspect de nadruk gelegd. Dat in het functioneringsgesprek bovendien enige aandacht is besteed aan de krampachtige wijze waarop appellante haar taak uitoefende, doet daaraan niet af, te minder nu [B.] aan het begin van het gesprek heeft medegedeeld dat het doel daarvan nadrukkelijk niet was een oordeel te geven over het functioneren van appellante, omdat daarvoor de tijd te kort is geweest en dit ook niet het doel was van de haar verstrekte opdracht.

De notitie "Problematiek [afkorting 3]" van [B.], gedateerd 27 november 1995, staat eveneens vooral in het teken van de ongelukkige organisatiestructuur, de ontoereikende beschrijving van verantwoordelijkheden en bevoegdheden, alsmede het gebrek aan overleg en samenwerking binnen de leiding. In die notitie constateerde [B.] tevens gebreken in het persoonlijk functioneren van alle drie leidinggevenden en concludeerde zij dat het zowel voor de [afkorting 3]-organisatie als voor de leidinggevenden het beste en het meest rechtvaardig zou zijn als zij allen de [afkorting 3]-organisatie zouden verlaten. Kort na het opstellen van deze notitie is appellante in een gesprek op 13 december 1995 van de zijde van gedaagde medegedeeld dat was besloten alle leidinggevenden binnen het [afkorting 3], onder wie appellante, van hun taken te ontheffen. Die mededeling is haar bij brief van 21 december 1995 bevestigd.

3.4. Deze gang van zaken in aanmerking genomen, stelt de Raad vast dat niet is gebleken dat gedaagde appellante concreet met de haar thans verweten tekortkomingen heeft geconfronteerd op een zodanige wijze dat haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat bij gebreke van verbetering ontslag dreigde en op een zodanig tijdstip dat zij nog een reële kans had om de gewenste verandering in haar functioneren tot stand te brengen. In tegendeel, nog tijdens het functioneringsgesprek op 14 november 1995 heeft [B.], in haar hoedanigheid van supervisor van appellante, zich uitdrukkelijk van een oordeel over appellantes persoonlijk functioneren onthouden. Zelfs in haar notitie van 27 november 1995 heeft [B.] niet uitgesloten geacht dat appellante, indien goed aangestuurd, een en ander zou kunnen aanleren, zij het dat de omstandigheden binnen de [afkorting 3] daarvoor niet bevorderlijk waren. Een verbetertraject is niet uitgezet en nog geen maand na het functioneringsgesprek heeft gedaagde appellante medegedeeld haar van haar taken te zullen ontheffen. Onder deze omstandigheden was er onvoldoende grondslag voor het oordeel van gedaagde dat appellante voor haar functie van coördinator [afkorting 3] ongeschikt is in de zin van artikel 12.9. eerste lid aanhef en onder g, van het RWOO. Daarbij tekent de Raad aan, dat het feit dat sprake was van onwerkbare verhoudingen binnen de leiding van het [afkorting 3] op zichzelf dit oordeel van gedaagde niet kan rechtvaardigen.

4. Anders dan de rechtbank concludeert de Raad derhalve dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten en voor vernietiging in aanmerking komt. Dit brengt mee dat ook de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden. Gelet op de aard van de gebreken die ertoe hebben geleid dat het oordeel van gedaagde op ontoereikende gronden berust, acht de Raad het aangewezen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ook het primaire besluit van 27 maart 1997 te vernietigen.

5. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 2.840,- aan kosten wegens aan appellante in eerste aanleg en in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

6. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van appellante tegen het besluit van 3 juli 1997 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit, alsmede het primaire besluit van 27 maart 1997;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van f 2.840,- te betalen door de Rijksuniversiteit [woonplaats];

Bepaalt dat de Rijksuniversiteit [woonplaats] aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal f 550,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter, en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2001.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) C. Dierdorp.

HD