Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD8035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
10-01-2002
Zaaknummer
99/5089 AW, 00/2338 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 66
Besluit algemene rechtspositie politie 76
Besluit algemene rechtspositie politie 77
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/5089 AW en 00/2338 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [X.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 26 augustus 1999, nr. AWB 98/5736 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij besluit van 7 december 1999 heeft gedaagde naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank opnieuw op het bezwaar van appellant beslist.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 november 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. N.J. van der Giessen, advocaat te Den Haag, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Kruizinga, werkzaam bij de politieregio [X.].

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Aan appellant, destijds als medewerker milieuzaken in de rang van brigadier werkzaam in het gebiedsgebonden onderdeel [Y.] van het regiokorps [X.], zijn door gedaagde bij besluit van 18 februari 1998 met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder e en j, in samenhang met artikel 78 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straffen van voorwaardelijk ontslag en inhouding van salaris tot een bedrag van f 1.670,28 opgelegd. Gedaagde heeft dit besluit doen steunen op de overweging dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door in strijd met artikel 66 van het Barp - zoals dit destijds luidde - vanaf 1 oktober 1996 naast zijn ambt ten behoeve van derden, tegen betaling, in welke vorm dan ook, werkzaamheden te verrichten en/of vennoot te zijn van een vennootschap, terwijl daardoor het aanzien van het ambt kan worden geschaad.

1.2. Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 19 juni 1998 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het besluit van 19 juni 1998 vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Hieraan heeft de rechtbank in hoofdzaak de overweging ten grondslag gelegd dat het feit dat appellant ten behoeve van de vennootschappen werkzaamheden heeft verricht nog niet wil zeggen dat zulks tegen betaling, in welke vorm ook, is geschied en dat daardoor het aanzien van het ambt kon worden geschaad. Wel achtte de rechtbank bewezen dat appellant door zijn hoedanigheid van vennoot en door het indirect deelnemen in een besloten vennootschap (B.V.) in oprichting het aanzien van het politie-ambt heeft geschaad, nu daardoor licht de indruk van ongeoorloofde belangenverstrengeling kon ontstaan en inderdaad verdenkingen van dien aard zijn gerezen. In aanmerking nemende dat de door gedaagde opgelegde straf berustte op een te ruime bewezenverklaring, was de rechtbank van oordeel dat gedaagde zich bij een nieuwe beslissing op bezwaar in het licht van de wel bewezen feiten opnieuw over de strafmaat zou moeten uitlaten.

1.4. Bij zijn besluit van 7 december 1999, kenmerk 99P008663, heeft gedaagde het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard voor zover dit was gericht tegen het opleggen van de straf van inhouding van salaris, onder herroeping in zoverre van het primaire besluit van 18 februari 1998. Gedaagde heeft het bezwaar echter opnieuw ongegrond verklaard voor zover dit was gericht tegen het opleggen van de straf van voorwaardelijk ontslag. Daartoe heeft gedaagde - kort gezegd - overwogen dat de inhouding van salaris betrekking had op het tegen betaling verrichten van werkzaamheden, welk aspect blijkens de uitspraak van de rechtbank bij de strafoplegging buiten beschouwing dient te blijven, en dat het voorwaardelijk ontslag in verhouding staat met hetgeen de rechtbank wel bewezen heeft geacht.

2. Nu gedaagde met de hernieuwde beslissing op bezwaar van 7 december 1999 niet volledig aan appellant is tegemoet gekomen, zal de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding betrekken.

3. Gezien de inhoud van de nieuwe beslissing op bezwaar en gelet op de omstandigheid dat gedaagde zijnerzijds geen hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft ingesteld, betreft het geding thans uitsluitend nog de rechtmatigheid van de oplegging van de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag aan appellant wegens zijn betrokkenheid bij vennootschappen. De Raad overweegt daaromtrent als volgt.

3.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is omtrent de bedoelde betrokkenheid het volgende komen vast te staan. Op 17 oktober 1996 heeft appellant tezamen met zijn echtgenote de beheermaatschappij [V.] B.V. opgericht, waarvan zij beiden directeur zijn. Per 1 januari 1997 is deze B.V. met derden een vennootschap onder firma aangegaan genaamd [W.] B.V. i.o., welke vennootschap blijkens haar inschrijving in het handelsregister ten doel heeft het milieu-vriendelijk verzamelen en verwerken van afval. Voorts is appellant als vennoot toegetreden tot de vennootschappen onder firma [T.] en [W.]. Als zodanig heeft hij zich in oktober 1996 in het handelsregister doen inschrijven, met terugwerkende kracht tot onderscheidenlijk 28 oktober 1994 en 15 november 1994. Blijkens de doelomschrijving in het handelsregister gaat het hierbij om een reststoffen management adviesbureau respectievelijk een facilitair adviesbureau.

3.2. Uit de verklaringen van appellant is naar voren gekomen dat zijn betrokkenheid bij het bedrijf [W.] in oktober 1996 tot stand is gekomen, met het oog op het sluiten van een overeenkomst tussen dit bedrijf en de gemeente Den Haag inzake het beheer van een project voor het schoonhouden van terreinen in het industriegebied [U.] met gebruikmaking van zogenoemde Melkert-banen. Dit project is in januari 1997 van start gegaan.

3.3. Appellant heeft aanvankelijk bij zijn superieuren geen melding gemaakt van het feit dat hij nevenactiviteiten ontplooide. Eerst op 20 februari 1997 heeft appellant hierover op zijn eigen verzoek een gesprek gehad met een meerdere, de commissaris [C.]. Bij brief van 24 februari 1997 heeft appellant deze commissaris een - zoals appellant het zelf noemde - verkorte versie van de inhoud van dit gesprek doen toekomen, inclusief een schriftelijke omschrijving van de door hem eventueel te ontwikkelen activiteiten. In de brief heeft appellant melding gemaakt van de oprichting van [V.] B.V, met de toelichting dat deze B.V. zich in belangrijke mate zal gaan bezig houden met het adviseren omtrent het beheer van onroerend goed, het geven van adviezen en het geven van cursussen en scholing met betrekking tot wets- en milieukennis. Hij heeft hieraan toegevoegd dat er reeds wat activiteiten zijn geweest, voornamelijk in de regio Rotterdam. Voorts heeft appellant daarin verklaard dat door hem geen contracten met derden zullen worden afgesloten en/of contacten worden aangegaan met instellingen of instanties die direct of indirect met de dagelijkse uitvoering van zijn politiewerk te maken hebben. Van enige betrokkenheid van de B.V. bij [W.] B.V. i.o. blijkt uit de brief van 24 februari 1997 niet, evenmin van de toetreding van appellant tot de vennootschappen onder firma [T.] en [W.].

3.4. Gelet op hetgeen in 3.1 is overwogen, stelt de Raad vast dat appellant feitelijk in ieder geval sedert oktober 1996 directeur van een B.V. en vennoot van vennootschappen onder firma is geweest. Door als vennoot toe te treden met terugwerkende kracht tot in oktober/november 1994 - zij het wellicht om belastingtechnische redenen - heeft appellant bovendien bewerkstelligd dat ook de activiteiten van die vennootschappen onder firma in de tussenliggende periode moeten worden geacht mede voor zijn rekening en risico te zijn uitgeoefend.

3.5. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat door de directe en indirecte betrokkenheid van appellant bij de in 3.1 genoemde vennootschappen onder firma het aanzien van zijn ambt van politieambtenaar kon worden geschaad. Daarbij is vooral van belang dat die vennootschappen ten doel hadden werkzaam te zijn op het gebied van de zorg voor de milieuhygiëne, feitelijk op dat gebied werkzaam waren en/of bezig waren met voorbereidingen om daarop werkzaam te worden. Nu deze (voorgenomen) werkzaamheden geheel of gedeeltelijk waren gericht op de Haagse industrieterreinen waar appellant als ambtenaar milieutechnisch politietoezicht uitoefende, werd reeds door het enkele feit van appellants betrokkenheid bij de vennootschappen een situatie in het leven geroepen waarin de vrijheid en de objectiviteit van zijn ambtelijk handelen voor gerede twijfel vatbaar waren en - zowel bij degenen die aan zijn toezicht waren onderworpen als bij concurrenten van de vennootschappen - gemakkelijk de schijn van belangenverstrengeling kon worden gewekt. Anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, was ook de rechtbank die opvatting toegedaan; waar in de aangevallen uitspraak is overwogen dat "licht" de indruk van ongeoorloofde belangenverstrengeling kon ontstaan, heeft de rechtbank kennelijk niet tot uitdrukking willen brengen dat de kans op het ontstaan van die indruk slechts in lichte mate aanwezig was, maar veeleer - en terecht - dat het ontstaan van die indruk voor de hand lag. De Raad merkt nog op dat afgaande op overgelegde getuigenverklaringen daadwerkelijk bij derden twijfel is gerezen aan de integriteit van appellant als politieambtenaar, waarmee het gevaar voor schade aan het aanzien van het ambt zich zelfs heeft verwezenlijkt. Dat appellant zich volgens zijn stellingen nimmer actief met de bedrijfsvoering van de vennootschappen heeft bemoeid, kan - wat er overigens van zij - aan het vorenstaande niet afdoen, nu appellant hoe dan ook de (schijn van) medeverantwoordelijkheid voor het handelen van de vennootschappen op zich had geladen. Hetzelfde geldt voor de verzekering van appellant dat hij voornemens was om, zodra duidelijkheid zou zijn verkregen omtrent de haalbaarheid van zijn plannen, een keuze te maken tussen voortzetting van zijn bedrijfsactiviteiten en voortzetting van zijn loopbaan bij de politie.

3.6. Door aldus bestuurder en vennoot te zijn van vennootschappen terwijl daardoor het aanzien van zijn ambt kan worden geschaad, heeft appellant het in artikel 66, aanhef en onder c, van het Barp (oud) neergelegde verbod overtreden. Terecht heeft gedaagde die overtreding aangemerkt als plichtsverzuim in de zin van artikel 76 van het Barp, dat grond oplevert voor het opleggen van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 77 van het Barp. De Raad voegt daaraan toe dat het verzwijgen door appellant van een wezenlijk deel van de door hem ontplooide nevenactiviteiten niet alleen een verzwarende omstandigheid oplevert waaronder de genoemde overtreding is begaan, maar ook een zelfstandig plichtsverzuim. Weliswaar vloeit uit (het toenmalige) artikel 66 van het Barp geen verplichting voort om nevenactiviteiten eigener beweging te melden, maar het niet volledig en dus niet naar waarheid opgeven van nevenactiviteiten aan een meerdere die daar uitdrukkelijk naar vraagt, is in strijd met hetgeen een goed ambtenaar betaamt. Voor het oordeel dat appellant, in weerwil van hetgeen uit zijn brief van 24 februari 1997 voortvloeit, commissaris [C.] wel degelijk juist en volledig over de nevenactiviteiten heeft ingelicht, heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden.

3.7. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot strafoplegging heeft gedaagde gekozen voor de zwaarste sanctie, te weten die van ontslag, echter met de bepaling dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd indien appellant zich tot 19 januari 2001 niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim. De Raad is van oordeel dat deze strafmaat de toetsing van de Raad kan doorstaan. Appellant heeft zich met het oogmerk van geldelijk gewin begeven op het terrein van de zorg voor de milieuhygiëne, waarover hem als ambtenaar het toezicht is toevertrouwd en waar veelal grote financiële belangen in het geding zijn. Door zijn handelwijze heeft appellant inbreuk gemaakt op de integriteit van het korps en zowel het aanzien van het politie-apparaat als de betrouwbaarheid daarvan in de ogen van het publiek in gevaar gebracht. Zou hieromtrent al twijfel mogelijk zijn geweest, dan zou appellant gebruik hebben kunnen maken van de - door gedaagde bij circulaire van 30 november 1993 geopende - mogelijkheid nevenactiviteiten preventief te laten toetsen. Appellant heeft dit nagelaten. Zelfs toen hij uitdrukkelijk met de onwenselijkheid van zijn nevenactiviteiten werd geconfronteerd, heeft hij over aard en omvang daarvan geen volledige openheid betracht. De gedragingen kunnen appellant dan ook zonder meer worden toegerekend. De Raad is voorts van oordeel dat een voorwaardelijke verwijdering uit het korps, met een ruime proeftijd, gelet op de aard en de ernst van de gedragingen, niet onevenredig is te achten.

4. De Raad komt derhalve tot de slotsom dat de uitspraak van de rechtbank, voor zover door appellant bestreden, moet worden bevestigd. Het uit de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb voortvloeiende beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 7 december 1999 dient ongegrond te worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 december 1999 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2001.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. Dierdorp.

HD

04.12