Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD7956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
09-01-2002
Zaaknummer
99/5717 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 27
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/5717 WW

U I T S P R A.A K

in het geding tussen

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder dagtekening 11 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 november 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.A.M. van Aerle, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar appellant in persoon is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde is als directeur en enig aandeelhouder van [X.] Beheer B.V. ingaande 16 augustus 1993 een zogenoemde managementovereenkomst aangegaan met Autoschade [Y.] B.V. (hierna [Y.]). Gedaagde heeft bij brief van 20 oktober 1996 die overeenkomst opgezegd per 1 januari 1998. Bij besluit van 27 maart 1997 heeft appellant aan [Y.] medegedeeld dat de arbeidsverhouding met gedaagde is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking dan wel daarmee gelijk is te stellen, en dat [Y.] terzake daarvan premie verschuldigd is. Tegen dat besluit heeft gedaagde namens [Y.] bezwaar aangetekend, dat in hoofdzaak op de ingangsdatum van de premieplicht was gericht. Het beroep tegen het op dat bezwaar gegeven besluit zou door [Y.] in de loop van 1999 zijn ingetrokken.

Gedaagde heeft ingaande 1 januari 1998 een aanvraag voor een (gedeeltelijke) WW-uitkering ingediend. Bij besluit van 6 februari 1998 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat hij weliswaar voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een WW -uitkering, maar dat die uitkering blijvend geheel wordt geweigerd op de grond dat gedaagde verwijtbaar werkloos is.

Bij besluit van 10 juni 1998 (het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard en zijn primaire besluit gehandhaafd. Daarbij heeft appellant overwogen dat hij bij verwijtbare werkloosheid verplicht is de uitkering blijvend geheel te weigeren en dat hij alleen wanneer de verwijtbaarheid van die werkloosheid niet in overwegende mate aan de werknemer is te wijten, de maatregel kan matigen tot 35% gedurende 26 weken. Het feit dat gedaagde ten tijde van de opzegging van de managementovereenkomst in de veronderstelling verkeerde als zelfstandige werkzaam te zijn, wordt hem niet verweten. In oktober 1996 heeft gedaagde echter bewust het risico genomen dat hij per 1 januari 1998 geen of weinig opdrachten zou hebben. Ten tijde van de opzegging, die was ingegeven doordat gedaagde liever voor meer opdrachtgevers werkzaam wilde zijn, was de situatie in elk geval niet zodanig dat van gedaagde niet gevergd kon worden de werkzaamheden voor [Y.] voort te zetten. Appellant verwijst daarbij naar het bepaalde in artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW.

Gedaagde acht het niet juist dat de aard van de per 1 januari 1998 ingetreden werkloosheid wordt beoordeeld tegen de achtergrond van een dienstbetrekking, omdat de opzegging een beëindiging van de managementovereenkomst betrof. Als hij zich ervan bewust was geweest dat rechtens sprake was van een dienstbetrekking, had hij waarschijnlijk een andere beslissing genomen. Voorts wijst gedaagde erop dat de vaststelling van de premieplicht een zware wissel heeft getrokken op de toch al niet optimale relatie tussen hem en [Y.], aangezien [Y.] gedaagde verantwoordelijk hield voor het feit dat die verplichtingen bestonden. Gedaagde stelt zich dan ook op het standpunt dat hij niet verwijtbaar werkloos is.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, onder overweging dat appellant bij het bestreden besluit geen overweging heeft gewijd aan de door gedaagde naar voren gebrachte bezwaren tegen de eventuele voortzetting van het dienstverband. De rechtbank acht de enkele overweging dat de werksituatie bij [Y.], toen gedaagde in oktober 1996 zijn werk aldaar prijsgaf, niet zodanig was dat van hem niet kon worden verwacht die werkzaamheden voort te zetten, onvoldoende. Het aan gedaagde als zelfstandige gerichte verwijt kon appellant niet zonder nadere motivering handhaven jegens gedaagde als werknemer, welke situatie na maart 1997 aan de orde was. Dit klemt temeer nu appellant heeft aangegeven gedaagde niet te verwijten dat hij in de veronderstelling verkeerde zelfstandig ondernemer te zijn, aldus de rechtbank.

Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de situatie na maart 1997 niet relevant is, omdat gedaagde, toen hij op 20 oktober 1996 zijn managementovereenkomst met [Y.] opzegde per 1 januari 1998, willens en wetens het risico heeft genomen dat er geen dan wel onvoldoende werkzaamheden voor hem zouden zijn om het verlies aan inkomsten als gevolg van het wegvallen van de werkzaamheden bij [Y.] te dragen. Dat hij toen in de veronderstelling verkeerde zelfstandig te zijn, terwijl achteraf is gebleken dat hij als werknemer diende te worden gezien, doet niets af aan de gedraging dat hij in oktober 1996 werkzaamheden per 1 januari 1998 prijsgaf en dat hij bereid was het risico van geen dan wel onvoldoende werkzaamheden per 1 januari 1998 te dragen en dat dit, nu zich dit risico heeft geopenbaard, niet kan worden afgewenteld op de werkloosheidsfondsen enkel en alleen omdat later is gebleken dat gedaagde als werknemer valt aan te merken. De situatie van na maart 1997 heeft geen invloed op de verwijtbaarheid van de handeling van gedaagde in oktober 1996, aldus appellant.

Gedaagde herhaalt dat hem niet kan worden verweten 'in de rol van werknemer vrijwillig afstand te hebben gedaan van werk'. Hij stelt thans dat hij, als destijds duidelijk was in welke situatie hij verkeerde, waarschijnlijk pas als werknemer ontslag zou hebben genomen, als hij een andere werkgever had gevonden.

De Raad overweegt als volgt.

Bij artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. In het onderhavige geval is aan de tussen gedaagde en [Y.] bestaande dienstbetrekking op 1 januari 1998 een einde gekomen. De op dat moment ingetreden (gedeeltelijke) werkloosheid is het gevolg van de opzegging door gedaagde d.d. 20 oktober 1996 van de zogenoemde managementovereenkomst. Gesteld noch gebleken is dat van gedaagde op 20 oktober 1996 redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsrelatie voort te zetten. Dat die verhouding, naar eerst later door appellant is vastgesteld, als een dienstbetrekking moest worden aangemerkt, doet daaraan niet af. De conclusie moet derhalve zijn dat gedaagde op 1 januari 1998 verwijtbaar werkloos is geworden, in welk geval appellant in beginsel gehouden is de maatregel van blijvend gehele weigering op te leggen.

Het standpunt van appellant dat erop neerkomt dat de gebeurtenissen na 20 oktober 1996 niet relevant kunnen zijn, deelt de Raad echter niet. Voor de beoordeling van de vraag of er grond is voor matiging van de op te leggen maatregel op de grond dat de verwijtbaarheid van de op 1 januari 1998 ingetreden werkloosheid niet in overwegende mate aan gedaagde is toe te rekenen, acht de Raad, evenals de rechtbank, de gebeurtenissen sedert maart 1997 potentieel niet zonder betekenis. Indien gedaagde, toen hij in maart 1997 geconfronteerd werd met het gegeven dat appellant zijn werkverhouding met [Y.] aanmerkte als een dienstbetrekking, serieuze pogingen in het werk zou hebben gesteld om [Y.] te bewegen hem niet aan de opzegging van de managementovereenkomst te houden en om zijn werk bij [Y.] alsnog te behouden teneinde op die manier werkloosheid te voorkomen, zouden die pogingen van belang kunnen zijn ter bepaling van de ernst van de verwijtbaarheid van de werkloosheid op 1 januari 1998. Dergelijke pogingen heeft gedaagde echter niet gedaan. Voor zover gedaagde van dergelijke pogingen heeft afgezien, omdat inmiddels door de gevolgen van het premiebesluit van appellant, waarvoor [Y.] gedaagde verantwoordelijk hield, de relatie met [Y.] verstoord was, moet worden geoordeeld dat die omstandigheid voor risico van gedaagde moet blijven. In het kader van de managementovereenkomst was gedaagde immers belast met het bestuur van de onderneming, zodat niet onbegrijpelijk is dat (de technisch directeur tevens enig aandeelhouder van) [Y.] gedaagde ervoor verantwoordelijk hield de gevolgen van eventuele premieplichtigheid niet beter te hebben geregeld.

Op grond van het hiervoor overwogene is de Raad tot de slotsom gekomen dat appellant terecht geen reden aanwezig heeft geacht om tot matiging van de maatregel over te gaan en dat het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van 8: 75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. Th.M. Schelfhout als leden in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2001.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

GdJ

412