Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD7717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
04-01-2002
Zaaknummer
99/5399 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 23
USZ 2002/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/5399 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[appellant], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar op 15 september 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 oktober 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L. Bosma, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar namens gedaagde is verschenen, mr. Klinkert, voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde, geboren [datum] 1942, is van 30 januari 1961 tot 1 juni 1996 werkzaam geweest als melkpoedermaker in een zuivelfabriek, laatstelijk in dienst van [werkgever], waar hij een bruto-loon (inclusief toeslagen) van ongeveer f 5.200,-- per maand verdiende. In verband met een reorganisatie is de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ontbonden onder toekenning van een schadevergoeding van f 120.000,-- bruto. Ingaande 3 juni 1996 is aan gedaagde een uitkering ingevolge de WW toegekend.

Naar aanleiding van een door gedaagde op 8 april 1998 verzonden sollicitatiebrief heeft de aangeschreven werkgever contact met appellant gezocht en daarbij zijn verwondering uitgesproken over de inhoud van die brief, waarvan in het bijzonder de toevoeging "wegens sollicitatieplicht". Appellant heeft vervolgens bij de andere drie op het, door gedaagde over de periode van 30 maart 1998 tot en met 26 april 1998 ingediende, werkbriefje vermelde werkgevers afschriften van gedaagdes sollicitatiebrieven opgevraagd. Deze bleken precies dezelfde inhoud te hebben.

Naar aanleiding van die bevindingen heeft appellant bij besluit van 13 mei 1998 een maatregel opgelegd van 20% gedurende 16 weken ingaande 27 april 1998 wegens het in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen. Daarbij heeft appellant aangegeven dat de hoeveelheid sollicitaties weliswaar voldoende is, maar dat de inhoud van de sollicitatiebrieven zodanig is dat daaruit slechts blijkt van de bedoeling om formeel aan de sollicitatieplicht te voldoen en niet van daadwerkelijke interesse in de desbetreffende vacature.

In bezwaar tegen dat besluit heeft gedaagde toegegeven dat de toevoeging "wegens sollicitatieplicht" wellicht wat ongelukkig is, maar dat hij die toevoeging is gaan gebruiken nadat hij al een jaar sollicitatiebrieven had verstuurd zonder ooit een uitnodiging te krijgen, waardoor hij zich genoopt voelde om de aangeschreven werkgevers te verklaren waarom hij ondanks zijn leeftijd, geringe opleiding en eenzijdige ervaring toch solliciteerde. Daarbij is in twijfel getrokken of gedaagde die maar 5 jaar lagere school heeft doorlopen, op zijn dertiende jaar is gaan werken en vanaf zijn achttiende hetzelfde werk in een zuivelfabriek heeft gedaan, zonder de gewraakte toevoeging in de sollicitatiebrieven een meer dan hypothetische kans zou hebben gehad om passende arbeid te vinden. In dat verband is de vraag opgeworpen of er voldoende passende vacatures voor gedaagde waren, nu hij was aangewezen op functies zonder opleidingseisen, waaraan evenwel doorgaans salarissen verbonden zijn welke maar ongeveer de helft van zijn oude loon bedragen en zelfs aanzienlijk onder de hoogte van de uitkering liggen. Ook was gedaagde - subsidiair - van mening dat de zwaarte van de opgelegde maatregel niet in evenredige verhouding staat tot de ernst van de overtreding.

Bij het besluit op bezwaar van 18 september 1998 is appellant gebleven bij zijn visie dat gedaagde door zijn wijze van solliciteren in onvoldoende mate heeft getracht arbeid te verkrijgen en derhalve het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, als nader uitgewerkt in het door appellant als beleidsregel gehanteerde "Besluit sollicitatieplicht werknemers WW", heeft overtreden. Appellant heeft daartoe onder meer overwogen dat de sollicitatiebrieven niet alleen door de eerdergenoemde toevoeging maar ook overigens te negatief van toonzetting waren, waardoor de kans op resultaat al bij voorbaat zeer klein was. Voorts heeft appellant aangegeven dat er vol-doende passende arbeid voorhanden is, nu gedaagde ingevolge de "Richtlijn passende arbeid" zich vanwege de duur van de werkloosheid ook op ongeschoolde arbeid waarin voldoende vacatures op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, diende te richten, zodat uitgegaan moet worden van het bestaan van causale samenhang tussen de wijze van solliciteren en het voortduren van de werkloosheid. Appellant heeft evenwel bij nader inzien gedaagde, gelet op de door hem gegeven verklaring voor zijn handelwijze, wat betreft de intentie waarmee hij de desbetreffende verplichting niet is nagekomen het voordeel van de twijfel gegeven, in die zin dat alsnog op basis van het tweede lid van artikel 6 van het Maatregelenbesluit Tica de ingevolge het eerste lid van die bepaling in beginsel verplichte maatregel is gematigd tot een korting van 10% gedurende 16 weken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van die uitspraak. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van renteschade, proceskosten en griffierecht.

De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde door de formulering van zijn sollicitatiebrieven op potentiële werkgevers een ongemotiveerde indruk heeft gemaakt De rechtbank is tevens tot het oordeel gekomen dat er voldoende passende arbeid voorhanden was, nu gedaagde in de periode van zijn werkloosheid (nagenoeg) wekelijks heeft gesolliciteerd, zodat derhalve ook het vereiste causaal verband aanwezig moet worden geacht. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de toegepaste maatregel weliswaar in overeenstemming is met het Maatregelenbesluit Tica, maar dat geen evenredigheid bestaat tussen (kennelijk) de zwaarte van die maatregel en de ernst van de overtreding. Zij heeft daartoe niet alleen de achterliggende bedoeling van gedaagde in aanmerking genomen maar ook het ontbreken van aanwijzingen zijdens appellant over de wijze van solliciteren en het feit dat het om een eerste overtreding ging. Een waarschuwing was daarom volgens de rechtbank meer op zijn plaats geweest.

In hoger beroep heeft appellant in het bijzonder naar voren gebracht dat door de categorie-indeling van het Maatregelenbesluit Tica recht gedaan wordt aan het evenredigheidsbeginsel en dat artikel 6, tweede lid, van die regeling geen verdergaande matiging mogelijk maakt dan een korting van 10% gedurende 16 weken, terwijl de toepasselijke wetgeving in het geheel niet in het geven van een waarschuwing voorziet.

Namens gedaagde is opnieuw in twijfel getrokken of er voldoende passende functies waren waarvoor gedaagde in aanmerking had kunnen komen en is de opvatting herhaald dat het vereiste causaal verband tussen de wijze van solliciteren en het voortduren van de werkloosheid ontbreekt, waartoe onder meer is betoogd dat gedaagde noodgedwongen veelal op niet passende functies heeft gesolliciteerd. Wat betreft het evenredigheidsaspect heeft gedaagde zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard. Naar aanleiding van de door appellant aangevoerde gronden van het hoger beroep is namens gedaagde nog beklemtoond dat het feit dat in artikel 6, tweede lid, van het Maatregelenbesluit slechts één matigingsmogelijkheid wordt gegeven, niet wegneemt dat krachtens artikel 27, vierde lid, van de WW een maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin deze de werknemer verweten kan worden, hetgeen onder omstandigheden tot het buiten toepassing blijven van het Maatregelenbesluit dient te leiden.

De Raad oordeelt als volgt.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, houdt in dat de werk-nemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht om passende arbeid te verkrijgen. Dit impliceert in de eerste plaats dat overtreding van die bepaling slechts aan de orde is als er voor de betrokken werknemer passende arbeid in de zin van het derde (thans vierde) lid van die bepaling beschikbaar is. Voorts dient volgens vaste jurisprudentie van deze Raad een zeker causaal verband aanwezig te zijn tussen het sollicitatiegedrag van de betrokken werknemer en het bestaan of voortduren van de werkloosheid, in die zin dat er bij adequate pogingen om de voorhanden passende arbeid te verkrijgen een meer dan louter hypothetische kans had bestaan zulks te verwezenlijken.

Naar uit het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW (Besluit van het Lisv van 14 januari 1998, Stcrt. 1998, 22) volgt en ook uit het bestreden besluit zelf blijkt, wordt door appellant voorts in dit soort gevallen de Richtlijn passende arbeid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (mede) als maatstaf gehanteerd. Zoals van de kant van appellant ter zitting van de Raad is bevestigd, gaat deze richtlijn er weliswaar vanuit dat naarmate de werkloosheid langer duurt, de eisen van de betrokken werknemer wat betreft de aard en het salarisniveau van de arbeid waarop hij zich richt, moeten worden teruggeschroefd, maar houdt de richtlijn ook in dat een functie met een salaris beneden het niveau van de uitkering ook bij een langere duur van de werkloosheid niet passend is, tenzij het loon waarvan de uitkering is afgeleid afwijkt van hetgeen in het desbetreffende beroep in de regel wordt verdiend dan wel is gebaseerd op seizoenwerk of uitzendarbeid. Wat betreft het door gedaagde, gelet op zijn opleidingsniveau als hoog aan te merken, verdiende loon in zijn vroegere beroep heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat zich een uitzonderingsgeval als zojuist bedoeld voordoet.

De Raad constateert vervolgens dat de in het dossier voorhanden gegevens betreffende de vacatures waarop gedaagde heeft gesolliciteerd, zijn beperkt tot de vier functies die op het werkbriefje over de periode van 30 maart tot en met 26 april 1998 zijn vermeld. Die functies betreffen evenwel alle meer of minder specialistische werkzaamheden waarvoor gedaagde onmiskenbaar de qua opleiding en/of werkervaring vereiste kwalificaties mist. Ook zijdens appellant is ter zitting van de Raad de veronderstelling uitgesproken dat deze functies de krachten en bekwaamheden van gedaagde te boven gingen, in welk geval deze niet beschouwd kunnen worden als passende arbeid. Gelet op hetgeen namens gedaagde aangaande zijn sollicitatiegedrag verder is opgemerkt, acht de Raad het voorts aannemelijk dat hij ook overigens veelal op soortgelijke, niet passende, functies heeft gesolliciteerd.

Nu voorts concrete (arbeidsmarkt)gegevens betreffende de inhoud, beloning en aantallen van de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in, (potentieel) voor gedaagde passende, functies geheel ontbreken, vermag de Raad niet tot de gevolgtrekking te komen dat er voldoende arbeid voorhanden was die voor de krachten en bekwaamheden van gedaagde was berekend en waaraan tevens een loon was verbonden op of boven het niveau van gedaagdes uitkering. Als zulks niettemin het geval is geweest, blijft bovendien, gelet op gedaagdes leeftijd, opleiding en arbeidsverleden welke bepaald niet gunstig zijn voor het vinden van werk, onzeker of aan de voormelde causaliteitseis is voldaan. Het bestreden besluit kan dan ook wegens het ten aanzien van voormeld aspecten ontbreken van een toereikende feitelijke grondslag in rechte geen stand houden.

De Raad tekent daarbij aan dat niet onmogelijk is dat nader onderzoek door appellant alsnog oplevert dat er voor gedaagde voldoende vacatures in passende arbeid waren en dat aan het vereiste van causaal verband voldaan is. Zodanig onderzoeksresultaat betekent echter niet zonder meer dat alsnog zou kunnen worden beslist tot dezelfde maatregel als bij het bestreden besluit is opgelegd. Gelet op de ook thans nog bestaande onzekerheid omtrent het realiteitsgehalte van gedaagdes kansen op de arbeidsmarkt, moet het er namelijk voor worden gehouden dat het gedaagde hoe dan ook onvoldoende duidelijk is geweest op welke vacatures hij zijn inspanningen had moeten richten, zodat het hem niet kwalijk is te nemen dat hij (veelal) naar niet passende functies heeft gesolliciteerd en het hem bovendien bezwaarlijk verweten kan worden dat hij dit op een wijze heeft gedaan die - naar appellant op zichzelf terecht heeft geconstateerd - een ongemotiveerde indruk maakte op potentiële werkgevers.

Op basis van het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, behoudens voor zover appellant daarbij is opgedragen een nieuw besluit te nemen. Nu de Raad geen ruimte ziet om alsnog een sanctie aan gedaagde op te leggen in verband met zijn sollicitatiegedrag in de periode in geding, zal de Raad op basis van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tevens het primaire besluit van 13 mei 1998 vernietigen.

Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om appellant ingevolge artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep welke worden begroot op f 1.420,-- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij de opdracht is gegeven om een nieuw besluit te nemen;

Vernietigt het ten aanzien van gedaagde genomen besluit van appellant van 13 mei 1998;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,--.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2001.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M.D.F. de Moor.

GdJ

2211