Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD7127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2001
Datum publicatie
17-12-2001
Zaaknummer
99/2706 AW + 99/5123 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Rijkswachtgeldbesluit 1959 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2706 AW + 99/5123 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 21 april 1999, nr. AWB 98/4734 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van appellante bij brief van 27 september 1999 is gereageerd.

Bij brief van 29 september 1999 heeft gedaagde de Raad een afschrift toegezonden van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van dezelfde datum.

Namens appellante zijn bij brief van 5 november 1999 grieven tegen voormeld besluit aangevoerd, waarop desgevraagd door gedaagde is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 september 2001, alwaar voor appellante is verschenen mr. T.A.M. Visser, advocaat te Den Haag, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Langguth, werkzaam bij USZO BV.

II. MOTIVERING

1.1. Aan appellante is, na verlaging van het haar met ingang van 15 februari 1994 toegekende invaliditeitspensioen van een mate van algemene invaliditeit van 80% of meer naar een mate van 15 tot 25%, bij beschikking van 3 oktober 1995 ingaande 1 juli 1995 wachtgeld toegekend op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb). Na een geslaagd beroep tegen voornoemde verlaging van haar invaliditeitspensioen, is de mate van invaliditeit onveranderd op 80% of meer vastgesteld. Gedaagde heeft onder intrekking van zijn beschikking van 3 oktober 1995, het recht op wachtgeld op grond van artikel 13, tweede lid, van het Rwb met ingang van 1 juli 1995 beëindigd. Bij het bestreden besluit van 7 mei 1998 heeft gedaagde het ten onrechte betaalde wachtgeld van appellante teruggevorderd zoals nader in dat besluit neergelegd. Tevens heeft gedaagde bij dat besluit het verzoek van appellante om vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure afgewezen.

Het tegen het besluit van 7 mei 1998 ingestelde beroep bij de rechtbank richtte zich niet tegen de terugvordering voorzover deze betrekking had op het ten onrechte uitbetaalde wachtgeld over het jaar 1997.

1.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat gedaagde bevoegd was tot terugvordering gedurende twee jaren na betaalbaarstelling, maar vernietigde het bestreden besluit omdat dit geen uitsluitsel gaf omtrent het precieze bedrag dat van appellante wordt teruggevorderd. Wel kon het besluit in stand blijven voor zover het betrof de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure.

2.1. Gedaagde heeft in de uitspraak van de rechtbank berust en op 29 september 1999 een nieuw besluitop bezwaar genomen, waarin de bedragen staan opgenomen, die appellante aan gedaagde dient terug te betalen.

2.2. Appellante houdt ook in hoger beroep staande dat het haar redelijkerwijs niet duidelijk heeft kunnen zijn dat zij van 1 juli 1995 tot 1 januari 1997 ten onrechte wachtgeld heeft ontvangen, zodat gedaagde niet bevoegd was tot terugvordering van het over die periode uitbetaalde wachtgeld over te gaan. Ook blijft appellante van mening dat gedaagde niet bij het bestreden besluit kon beslissen omtrent de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, maar dat gedaagde daarvoor een afzonderlijk, primair, besluit had moeten afgeven. Ten aanzien van het besluit van 29 september 1999 heeft appellante de hoogte van de daarin opgenomen bedragen betwist.

3.1. Met betrekking tot de vraag of gedaagde bevoegd was tot terugvordering van het ten onrechte uitbetaalde wachtgeld overweegt de Raad dat ingevolge vaste rechtspraak van de Raad een bestuursorgaan bevoegd is om hetgeen in het kader van een rechtsbetrekking met een ambtenaar of een gewezen ambtenaar onverschuldigd is betaald terug te vorderen, tenzij algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. In beginsel zal het onverschuldigd betaalde slechts gedurende twee jaar na de dag van uitbetaling kunnen worden teruggevorderd of verrekend indien de betrokkene wist of redelijkerwijs kon weten dat hij te veel ontving of gedurende vijf jaar indien de fout door betrokkenes toedoen was ontstaan. In zijn in TAR 2000, 50 gepubliceerde uitspraak van 24 februari 2000 heeft de Raad overwogen dat het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van evenwichtige belangenafweging weliswaar meebrengen dat een betaling waarvan de onverschuldigdheid betrokkene ten tijde van de betaling redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn, in het algemeen niet kan worden teruggevorderd, maar dat dit uitzondering lijdt als de onverschuldigdheid van een betaling eerst door een latere wijziging van omstandigheden met terugwerkende kracht is ontstaan. In dat geval verzetten voormelde beginselen zich ook niet tegen terugvordering over hetgeen is uitgekeerd in maanden vóórdat betrokkene de onverschuldigdheid duidelijk kon zijn. De Raad acht de situatie van appellante, te weten het met terugwerkende kracht alsnog aanspraak verkrijgen op een volledig invaliditeitspensioen althans een WAO-conforme uitkering, op grond waarvan de rechtsgrond aan het wachtgeld is komen te ontvallen, zo'n gewijzigde omstandigheid.

Nu niet is gebleken dat gedaagde de door de Raad in zijn voormelde uitspraak van 24 februari 2000 genoemde termijn van twee jaar nadat betrokkene de onverschuldigdheid redelijkerwijs duidelijk kon zijn, te weten het moment waarop haar beroep tegen de verlaging van haar invaliditeitspensioen slaagde, heeft overschreden en gedaagde voorts heeft besloten niet meer terug te vorderen dan appellante aan invaliditeitspensioen heeft ontvangen, kan gedaagde de bevoegdheid tot terugvordering over de in geding zijnde periode niet worden ontzegd.

3.2. De Raad dient zich voorts uit te spreken over de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit kon beslissen omtrent de in de bezwaarfase gevraagde vergoeding voor kosten van rechtsbijstand. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag in bevestigende zin. Onder verwijzing naar zijn in RSV 1999/287 gepubliceerde uitspraak van 3 augustus 1999, overweegt de Raad dat een bestuursorgaan in voorkomende gevallen om proceseconomische redenen hieromtrent bij het besluit op bezwaar een beslissing kan nemen. Ten aanzien van de afwijzing van het verzoek sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen.

3.3. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Ten aanzien van de hoogte en samenstelling van het bedrag dat van appellante wordt teruggevorderd, begrijpt de Raad dat appellante, uitgaande van gedaagdes bevoegdheid tot terugvordering, geen bezwaren heeft tegen de door gedaagde toegepaste verrekening van het over 1995 uitbetaalde wachtgeld met het bedrag dat appellante alsnog aan invaliditeitspensioen over dat jaar heeft ontvangen.

Het gaat derhalve om de terugvordering van het uitbetaalde wachtgeld over het jaar 1996. Gedaagde vordert over dat jaar het netto uitbetaalde wachtgeld terug, althans voorzover dat niet meer bedraagt dan het invaliditeitspensioen alsmede de door gedaagde afgedragen loonheffing, waarbij gedaagde heeft bepaald dat de verplichting tot terugbetaling daarvan eerst ontstaat indien en voorzover de belastingdienst positief heeft beslist omtrent appellantes verzoek om teruggave.

Partijen zijn het er inmiddels over eens dat appellante over dat jaar een bedrag heeft ontvangen van f 10.804,98 aan netto-invaliditeitspensioen en dat het bedrag aan over het wachtgeld afgedragen loonheffing f 5.667,64 bedraagt. Nu deze bedragen lager zijn dan de in het besluit van 29 september 1999 genoemde bedragen, betekent dit dat het beroep van appellante tegen dat besluit slaagt.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de terugvordering vast te stellen op f 10.804,98 aan netto uitbetaald wachtgeld en f 5.667,64 aan afgedragen loonheffing, dit laatste onder de door gedaagde genoemde voorwaarde.

5.1. Nu het beroep tegen het besluit van 29 september 1999 gegrond wordt verklaard, ziet de Raad aanleiding te bepalen dat gedaagde het door appellante in hoger beroep gestorte griffierecht aan haar vergoedt.

5.2. Tevens ziet de Raad aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, welke worden berekend op f 1.420,- aan kosten van rechtsbijstand.

6. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 september 1999 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt het door appellante aan gedaagde terug te betalen bedrag op f 10.804,98 aan netto uitbetaald wachtgeld en, onder de hiervoor vermelde, door gedaagde bepaalde voorwaarde, maximaal f 5667,64 aan afgedragen loonheffing;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van f 1.420,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van f 170,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Madunic als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 november 2001.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) S.P. Madunic.

HD