Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD7121

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
17-12-2001
Zaaknummer
99/4972 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 53
USZ 2002/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/4972 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[A.], thans wonende te [B.] gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Assen op 17 augustus 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 3 oktober 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L. Bosma, werkzaam bij Gak Nederland bv, terwijl gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende in de aangevallen uitspraak - waarin appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiseres - vermelde feiten en omstandigheden:

"Eiseres is sedert september 1995 op uitzendbasis werkzaam geweest als bijstandsconsulente in diverse gemeenten, nadat zij hiervoor een opleiding had afgerond.

Aan eiseres is ingaande 1 januari 1998 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (verder WW) toegekend. Wegens werkhervatting is dit recht per 19 januari 1998 beëindigd. Met ingang van 20 april 1998 is eiseresses recht op uitkering herleefd en heeft zij recht op een gedeeltelijke WW-uitkering naast het werk in deeltijd van eiseres als bijstandsconsulente. Blijkens het door eiseres ingeleverde werkbriefje over juni 1998 is zij tijdens een gesprek op 3 juli 1998 met de correspondent A. Luchies gewezen op haar sollicitatieverplichtingen en de mogelijke gevolgen in het kader van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid (verder Wet boeten) van het niet voldoen aan deze verplichtingen. Voorts is eiseres gewezen op de mogelijkheden van open sollicitaties.

Uit het door eiseres ingeleverde werkbriefje over augustus 1998 kan worden afgeleid dat eiseres op 31 augustus 1998 wederom op haar sollicitatieverplichtingen is gewezen en op de mogelijke gevolgen van het daaraan niet voldoen. Eiseres heeft toen - blijkens het werkbriefje - reagerend opgemerkt dat sollicitaties toch geen zin hadden omdat alles via uitzendbureaus of via interne vacatures wordt opgelost.

Eiseres is vervolgens met ingang van 1 september 1998 tijdelijk werk als bijstandsconsulente gedurende 24 uren per week bij de gemeente De Wolder gaan verrichten. Daarnaast heeft eiseres een gedeeltelijke WW-uitkering ontvangen.

Op het door haar ingeleverde werkbriefje over september 1998 heeft eiseres aangegeven geen sollicitaties te hebben verricht. Wel heeft zij aangegeven de vacaturebank, de sollicitatiekrant en het blad 'Binnenlands Bestuur' te hebben geraadpleegd.

Bij besluit van 30 september 1998 heeft verweerder besloten de WW-uitkering van eiseres gedurende een periode van 16 weken met 20% te verlagen wegens het door eiseres in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In het kader van de behandeling van dit bezwaar is eiseres op 20 november 1998 gehoord. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

Bij het thans bestreden besluit van 6 januari 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat eiseres in strijd heeft gehandeld met het door verweerder gehanteerde beleid van één concrete sollicitatie per week. Verweerder is hierbij uitgegaan van het werkbriefje betreffende september 1998. Wel heeft verweerder overwogen dat bij het nemen van het primaire besluit als uitgangspunt is gehanteerd dat eiseres langer dan zes maanden werkloos was, terwijl inmiddels gebleken is dat dat niet het geval is. Dit betekent dat het eiseres in principe vrijstaat te zoeken naar werk in haar eigen richting, echter ook buiten de eigen regio en ook naar werk dat niet helemaal hetzelfde is, maar waarbij eiseres wel haar kennis zou kunnen gebruiken en zelfs zou kunnen verbreden, bijvoorbeeld werk bij een uitvoeringsinstelling.

Van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van eiseres is verweerder niet gebleken, zodat de opgelegde maatregel terecht niet is gematigd tot een lagere maatregel.".

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht.

De rechtbank is tot die uitspraak gekomen op grond van de volgende overwegingen:

"De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat eiseres bij het verrichten van voldoende sollicitatie-activiteiten een meer dan hypothetische kans had om (passende) arbeid te verkrijgen. Verweerder heeft bijvoorbeeld geen overzicht van passende vacatures overgelegd, en ter zitting is gebleken dat verweerder daarnaar ook geen onderzoek heeft verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank is de (simpele) constatering dat iemand geen sollicitatie-activiteiten verricht onvoldoende om te kunnen stellen dat die persoon in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. In ieder geval strookt dit niet met de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.

Dit blijkt ook uit het Besluit sollicitatieplicht, waarin een aantal beoordelingscriteria zijn neergelegd waarmee rekening wordt gehouden bij de vaststelling of voldaan is aan de sollicitatieplicht. Het gaat daarbij - onder meer - om de regionale arbeidsmarktsituatie en het aantal beschikbare vacatures. De rechtbank heeft uit de bestreden beslissing niet kunnen afleiden of verweerder in voldoende mate met deze criteria rekening heeft gehouden. Weliswaar wordt in het besluit op bezwaar aangegeven dat het door eiseres geambieerde werk in een lage frequentie voorkomt en dat eiseres derhalve ook buiten 'haar' regio en naar ander werk diende te solliciteren, doch verweerder maakt niet aannemelijk dat eiseres alsdan een meer dan hypothetische kans op 'passende' arbeid zou hebben gehad, bijvoorbeeld door het overleggen van een lijst met door eiseres gemiste vacatures. Dit geldt temeer nu eiseres nog voor slechts 8 uur per week beschikbaar was voor de arbeidsmarkt, nu zij voor de resterende 24 uur alweer aan de slag was. Zo er al sprake is geweest van vacatures waarvoor eiseres in aanmerking kwam, dan is het immers maar zeer de vraag of deze voorkwamen in een omvang van 8 uur per week. Voorts zij nog opgemerkt dat eiseres wel stond ingeschreven bij een uitzendbureau, via welk bureau ze ook telkens werk heeft gevonden als bijstandsconsulente. Eiseres liet zich daarbij ook bemiddelen, zo is gebleken, voor werk buiten haar eigen regio. Verweerder heeft dan ook niet alleen in strijd gehandeld met de hiervoor aangehaalde vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, maar ook met het door hem gehanteerde beleid. Dit maakt dat het door eiseres ingestelde beroep dient te slagen.".

In hoger beroep heeft appellant in de eerste plaats de beoordelingsperiode aanzienlijk uitgebreid door gedaagde alsnog tegen te werpen dat in de 21 uitkeringsweken voorafgaande aan 28 september 1998 slechts twee weken te ontdekken zijn, waarin gedaagde concrete sollicitaties heeft verricht. Voorts is gesteld dat gedaagde in laatstbedoelde periode haar werkloosheidsrisico had kunnen en moeten beperken door zich ruimer op te stellen en - eventueel - in plaats van werk in haar oude beroep van bijstandsconsulente naast een relevante mate van werkloosheid arbeid te aanvaarden in een ander dan haar eigen beroep op hetzelfde opleidingsniveau waarmee zij niet in relevante mate werkloos zou zijn. Appellant is de mening toegedaan dat gedaagde, indien zij zich bij het zoeken naar passende arbeid ruimer zou hebben opgesteld, een meer dan hypothetische kans zou hebben gehad op het verkrijgen van passend werk in zodanige mate dat zij niet meer in relevante mate werkloos was geweest ten tijde hier van belang. Ten slotte stelt appellant zich op het standpunt dat de rechtbank zich, gelet op de ruimere beoordelingsperiode, ten onrechte heeft beperkt tot de kansen op het vinden van arbeid naast de 24 uur per week, waarin gedaagde vanaf 1 september 1998 werkte.

Gedaagde heeft benadrukt dat haar in het bestreden besluit wordt verweten dat zij in de maand september 1998 niet heeft gesolliciteerd, dat zij slechts voor 8 uur per week werkloos was en dat zich in die periode geen vacatures hebben voorgedaan waarop zij had kunnen solliciteren. Voorts heeft zij gesteld dat zij de korting op haar WW-uitkering heeft ervaren als onrecht haar aangedaan door appellant.

De Raad stelt voorop dat, naar in het bestreden besluit uitdrukkelijk is aangegeven, in dit geding de periode van 31 augustus 1998 tot en met 27 september 1998 aan de orde is. Appellant heeft van meet af aan deze periode ten grondslag gelegd aan de opgelegde maatregel. Voor zover gedaagdes sollicitatiegedrag in de 21 weken voorafgaand aan 28 september 1998 aanleiding heeft gegeven tot reactie van appellant, is dat gebeurd door middel van mondelinge opmerkingen op 3 juli 1998 en 31 augustus 1998 bij het inleveren van de werkbriefjes.

Voorts deelt de Raad het oordeel van de rechtbank en in grote lijnen ook de overwegingen die daartoe hebben geleid. Ook de Raad neemt als uitgangspunt dat in de gegeven omstandigheden van gedaagde in de periode in geding niet gevergd kon worden dat zij solliciteerde naar andere functies voor 32 uur per week. Voorts is, uitgaande van appellants standpunt dat gedaagde zich vooralsnog mocht beperken tot het solliciteren naar functies op haar eigen opleidingsniveau, niet gebleken dat zich passende functies in een omvang van 8 uur per week voordeden, zodat de stelling van appellant dat gedaagde haar werkloosheid op en na 1 september 1998 volledig had kunnen opheffen indien zij zich naar behoren had gekweten van haar sollicitatieplicht, als louter hypothetisch van de hand dient te worden gewezen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. Th.M. Schelfhout als leden in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2001.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M.D.F. de Moor.

GdJ