Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD7109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
17-12-2001
Zaaknummer
99/5073 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/5073 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is mr. S. Mathoerapersad, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle onder dagtekening 19 augustus 1999 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 oktober 2001, waar namens appellant is verschenen mr. drs. W. Hoebba, kantoorgenoot van mr. Mathoerapersad, voornoemd, en waar gedaagde zich, als tevoren bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden, welke hij - gelet op de inhoud van de gedingstukken - als uitgangspunt van zijn beoordeling neemt:

"Op 1 april 1998 is eiser door zijn werkgever, visfileerbedrijf [X.] B.V., per telefoon ontslag op staande voet aangezegd. Bij een brief van 2 april 1998 heeft genoemde werkgever het dienstverband per 3 april 1998 beëindigd. Volgens de werkgever van eiser zijn de redenen van het ontslag werkweigering door eiser op 1 april 1998 en het vertrek van eiser op die dag voordat de werkzaamheden af waren. Gedurende de periode van 20 april 1998 tot en met 29 mei 1998 heeft eiser op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gewerkt bij de firma [Y.] B.V. te [Z.]. Dat dienstverband is tijdens de proeftijd beëindigd, omdat geen volledige werktijd gegarandeerd kon worden.

Op 2 juni 1998 heeft eiser aan verweerder om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) verzocht. Bij besluit van 12 juni 1998 heeft verweerder de door eiser verzochte WW-uitkering blijvend geheel geweigerd, omdat eiser volgens verweerder verwijtbaar werkloos is wegens het niet protesteren tegen het gegeven ontslag bij [X.] B.V.".

Bij het besluit van 25 september 1998 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het besluit van 12 juni 1998 gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat besluit in stand gelaten, daar zij op in die uitspraak aangegeven gronden de opvatting huldigt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Ten overvloede oordelend, heeft de rechtbank tevens uitgesproken dat sprake is van verwijtbare werkloosheid in de zin van onderdeel b van het zojuist vermelde artikellid. De rechtbank is op grond daarvan tot de conclusie gekomen dat gedaagde ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW gehouden was om de uitkering blijvend geheel te weigeren.

In hoger beroep is namens appellant gesteld dat hij door [X.] B.V. is ontslagen op een grond die feitelijk onjuist is, omdat hij op 1 april 1998 met toestemming van zijn directeur het bedrijf omstreeks 14.45 uur verlaten heeft. Hij heeft evenwel benadrukt dat er als gevolg van de handelwijze van de (directeur van) de werkgever een zodanig verstoorde arbeidsverhouding was ontstaan dat van hem redelijkerwijs niet was te vergen terug te keren. Bedoelde handelwijze zou in de eerste plaats hebben ingehouden dat de directeur zich mengde in de relatie tussen appellant en zijn toenmalige vriendin, thans echtgenote. Voorts zou er sprake zijn geweest van achterstallige betalingsverplichtingen van de werkgever (betreffende loon over enkele dagen en vakantiebijslag) waarover appellant met de directeur onenigheid zou hebben gekregen. Ten slotte zou appellant door de werkgever in frauduleuze praktijken zijn betrokken. Ter staving van zijn stellingen is overgelegd een proces-verbaal van verhoor van appellant in het kader van een onderzoek van de FIOD en het GAK (kennelijk) betreffende mogelijke fraude van de werkgever. Appellant is daarom van opvatting dat hem niet, althans niet in overwegende mate, te verwijten is dat hij in het ontslag heeft berust en dat derhalve ten onrechte de maatregel van blijvende gehele weigering is opgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad merkt allereerst op dat het bestreden besluit wat betreft de wettelijke grondslag waarop dit stoelt niet door helderheid uitblinkt, maar dat de Raad dit - in het bijzonder gelet op de vanwege gedaagde ter zitting in eerste aanleg gegeven toelichting op het besluit - opvat als te berusten op artikel 24, eerste lid, onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW. Dat wil zeggen dat het bestreden besluit aldus wordt verstaan dat appellant verwijtbaar werkloos wordt geacht nu, als gevolg van het niet aanvechten van het hem per 3 april 1998 door [X.] B.V. gegeven ontslag, de desbetreffende dienstbetrekking is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, hetgeen doorwerkt naar de nadien ontstane werkloosheid. Ook heeft gedaagde (kennelijk) de in artikel 27, eerste lid, van de WW omschreven situatie dat de overtreding de betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten - in welk geval de in beginsel verplichte maatregel van blijvende gehele weigering moet worden gematigd tot een korting van 35% gedurende 26 weken - niet van toepassing geacht.

De Raad is dienaangaande in de eerste plaats van oordeel dat het (in rechte) aanvechten van het aan appellant gegeven ontslag, gelet op de daaromtrent door appellant enerzijds en de werkgever anderzijds tegenover een functionaris van gedaagde afgelegde verklaringen en bezien in het licht van de in beginsel op de werkgever rustende bewijslast, bepaald niet als bij voorbaat kansloos moest worden beschouwd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat appellant door tegen het ontslag te protesteren de voortzetting van de dienstbetrekking had kunnen bewerkstelligen en dusdoende ook de werkloosheid die nadien op 1 juni 1998 is ingetreden, had kunnen voorkomen.

De door appellant aangevoerde motieven om in het ontslag te berusten, hebben de Raad er niet van kunnen overtuigen dat tegen voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren bestonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem had kunnen worden gevergd. De Raad wil op zichzelf wel aannemen dat er sprake was van een verstoorde verhouding, zoals dat meestal wel het geval zal zijn als een werknemer, terecht of onterecht, op staande voet is ontslagen. Het enkele feit van een vertroebelde arbeidsverhouding is evenwel bepaald onvoldoende om een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW aanwezig te achten. Ook de door appellant aangevoerde achterliggende redenen voor zijn opstelling kunnen niet tot die conclusie leiden. De Raad heeft daarover nog het volgende in aanmerking genomen.

De gestelde inmenging in appellants privé-leven kan reeds vanwege het ontbreken van enige verifieerbare onderbouwing niet bijdragen aan (een begin van) aanvaardbaarheid van zijn opstelling. Ook de zijdens appellant aangevoerde frauduleuze praktijken, waaraan zijn voormalige werkgever zich zou hebben schuldig gemaakt, kunnen niet tot het door hem beoogde resultaat voeren. Weliswaar is ter staving daarvan in hoger beroep een proces-verbaal van verhoor in het kader van een door de FIOD en het GAK betreffende die werkgever ingesteld onderzoek overgelegd, maar dat proces-verbaal bevat enkel een verklaring van appellant zelf, terwijl van zijn kant omtrent de aanleiding voor en de afloop van dat onderzoek geen enkele informatie is verstrekt. Nu voorts door appellant ter zitting van de rechtbank is verklaard dat hij voorafgaand aan het hem gegeven ontslag geen pogingen heeft gedaan om elders werk te vinden, ziet de Raad in de bedoelde praktijken - wat daarvan overigens zij - te minder een rechtvaardiging om in het ontslag te berusten. Ten slotte acht de Raad ook in appellants stelling omtrent het conflict met zijn werkgever over het nakomen van diens verplichtingen - waarover deze desgevraagd een tegengestelde verklaring heeft afgelegd - op zichzelf geen in het kader van de toepassing van de WW aanvaardbare reden gelegen om niet meer bij die werkgever te willen gaan werken.

De Raad acht de door appellant aangevoerde redenen om zich bij het ontslag neer te leggen evenmin toereikend om de in artikel 27, eerste lid, van de WW bedoelde situatie aanwezig te achten, dat het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten, nu er onvoldoende zekerheid bestaat over de juistheid van een deel van appellants stellingen als voormeld en overigens uit die stellingen onvoldoende duidelijk wordt in hoeverre de werkgever is toe te rekenen dat er een verstoring van de arbeidsverhouding heeft plaatsgevonden.

De Raad ziet ook in hetgeen verder zijdens appellant is aangevoerd geen aanleiding om de opgelegde maatregel in strijd te bevinden met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of een algemeen rechtsbeginsel. De Raad concludeert derhalve dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit - zij het op andere gronden - in stand is gelaten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Niettegenstaande voormeld oordeel acht de Raad termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, in die zin dat gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant in beide instanties. De redengeving van het bestreden besluit is namelijk bepaald niet helder wat betreft de vraag welke vorm van verwijtbare werkloosheid door gedaagde aanwezig is geacht, terwijl diens latere uitleg wel meer duidelijkheid heeft gebracht, maar toch inconsistent is gebleven in zoverre daarin zowel elementen van onderdeel a als van onderdeel b van artikel 24, tweede lid, van de WW zijn te herkennen. De Raad acht dan ook niet uitgesloten dat appellant daardoor in zijn processuele belangen is geschaad en dat de oordeelsvorming van de rechtbank daardoor is bemoeilijkt. Ook heeft de Raad op dit punt doen wegen dat gedaagde noch in het bestreden besluit noch in het kader van de gedingvoering daartegen expliciete aandacht heeft geschonken aan de vraag of de door appellant ingeroepen omstandigheden maakten dat de overtreding hem niet in overwegende mate verweten kon worden. Bedoelde proceskosten worden begroot op f 1.420,-- voor kosten van rechtbijstand in eerste aanleg en hetzelfde bedrag voor kosten van rechtbijstand in hoger beroep.

Om dezelfde redenen als zojuist aangegeven wordt gedaagde eveneens opgedragen om het door appellant in beide instantie betaalde griffierecht te vergoeden.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot eveneens f 1.420,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van in totaal f 225,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2001.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M.D.F. de Moor.

GdJ