Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD6488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2001
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
99/5150 AW, 99/5151 AW, 99/5152 AW, 99/5153 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 2001-10-18
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2001-10-18
Algemene wet bestuursrecht 8:1, geldigheid: 2001-10-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/8

Uitspraak

99/5150 t/m 5153 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 30 augustus 1999, nrs. 98/914, 98/917, 98/918 en 98/919 AW, naar welke uitspraak hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft de Raad op 1 augustus 2001 nog een brief (met bijlagen) geschreven.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 6 september 2001, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M.B. Maes, verbonden aan CAPRA te 's-Hertogenbosch, en drs. [C.], rector van het [D.] te [E.].

II. MOTIVERING

1. Voor de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 11 juni 1997 heeft zich op het [D.] een onenigheid voorgedaan naar aanleiding van een verzoek van appellant, docent aan die school, om een fotokopie van een eindexamenwerk van een leerling. De voornoemde rector van de school heeft daarover met appellant gesproken en hem op 8 juli 1997 een brief gezonden. Daarin heeft de rector appellant medegedeeld dat appellant in deze kwestie onjuist heeft gehandeld en zich heeft gedragen op een wijze die de grenzen van respectvol gedrag heeft overschreden. De verwachting is uitgesproken dat dit of vergelijkbaar gedrag in de toekomst achterwege zal blijven. In de verwachting voorts van het herstel van het vertrouwen van appellant in de schoolleiding heeft de rector medegedeeld niet over te gaan tot een verzoek aan gedaagde om een disciplinaire maatregel. Appellant kon zich met de inhoud van die brief niet verenigen.

1.2. Op 29 mei 1998 heeft gedaagde aan appellant een brief gezonden over de kwestie nadat appellant hierover bij gedaagde een klacht had ingediend. In die brief heeft gedaagde medegedeeld dat het tot de taak van de rector behoort erop toe te zien dat de gang van zaken in de school naar behoren verloopt en om waar nodig correcties of aanwijzingen te geven en dat het door appellant in de kwestie getoonde gedrag niet de goedkeuring van gedaagde kon wegdragen. Tot slot heeft gedaagde onder de aandacht van appellant gebracht dat gedaagde herhaling in welke vorm ook van een dergelijk gedrag niet zal waarderen. Ook deze brief riep bij appellant bezwaren op.

1.3. Op de klachten over en de bezwaren tegen de, onder meer uit genoemde brieven blijkende, opstelling van de rector en van gedaagde in deze kwestie heeft gedaagde bij brief van 5 augustus 1998 beslist. De brief behelst geen beslissingen die inhoudelijk van aard zijn maar bevat in hoofdzaak niet-ontvankelijkverklaringen die hun grond vinden in het oordeel van gedaagde dat sprake was van een aanzienlijke termijnoverschrijding, dat geen sprake was van besluiten of handelingen als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar openstaat, respectievelijk dat appellant geen belang (meer) had bij de behandeling van zijn bezwaar tegen een fictieve weigering.

1.4. De rechtbank heeft appellants beroep tegen de onder 1.3. vermelde beslissingen ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft in hoger beroep opnieuw veel grieven geuit tegen de opstelling en handelwijze van gedaagde en de rector van zijn school in de bovenvermelde kwestie. In essentie komt het erop neer dat appellant van oordeel is dat hem een "officiële waarschuwing" is gegeven en dat deze is gebaseerd op een valse verklaring in het dossier. Bovendien, aldus appellant, is het oordeel van de rector en van gedaagde dat appellants gedrag in aanmerking kwam voor een disciplinaire maatregel schriftelijk vastgelegd.

In de in rubriek I vermelde brief van 1 augustus 2001 heeft appellant gesteld dat hij graag zou willen dat de Raad zich (ook) uitspreekt over de vraag of onjuiste verklaringen in een dossier gehandhaafd kunnen worden en of het een leidinggevende is toegestaan zich in het openbaar negatief uit te laten over een ondergeschikte.

3. Namens gedaagde is onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad (opnieuw) betoogd dat het standpunt dat de rector in haar brief van 8 juli 1997 heeft ingenomen en het standpunt dat gedaagde in zijn brief van 29 mei 1998 heeft ingenomen in meerbedoelde kwestie niet anders zijn aan te merken dan als normale in een arbeidsrelatie benodigde sturingsmiddelen waarvan de leiding van een organisatie zich kan en behoort te bedienen. De in bedoelde rechtspraak (verwezen is naar de uitspraak van 2 maart 1995, TAR 1995, 122) door de Raad onder de werking van de Ambtenarenwet 1929 gehuldigde opvatting over het niet vatbaar zijn voor beroep van dergelijke brieven dient naar het oordeel van gedaagde niet anders te worden benaderd onder de werking van de Algemene wet bestuursrecht. Nu de rechtbank van deze door gedaagde bepleite benadering is uitgegaan, moet de aangevallen uitspraak naar gedaagdes oordeel worden bevestigd.

4. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

4.1. Hij kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist. Ook de verwijzing van de rechtbank naar de onder 3 genoemde uitspraak van de Raad is in die zin juist dat de Raad, zoals reeds is beslist in zijn niet gepubliceerde uitspraken van 8 januari 1998, nrs. 96/6091, 6093 en 6097 AW, en van 11 mei 1999, nr. 97/8083 AW, van oordeel is dat ook onder de werking van de Algemene wet bestuursrecht brieven als hier in geding slechts zijn op te vatten als een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen. Zij zijn daarom niet aan te merken als besluiten waarbij het (rechtspositioneel) belang van de geadresseerde ambtenaar rechtstreeks is betrokken of als andere handelingen als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en derhalve niet als voor bezwaar en beroep vatbare besluiten of andere handelingen. De Raad merkt daarbij ten overvloede op dat de rector en gedaagde in hun brieven niet hebben gesproken van een "officiële waarschuwing" en dat gedaagde in de beslissing van 5 augustus 1998 heeft gesteld: "Dat u die aanwijzing als een officiële waarschuwing bestempelt, laten wij voor uw rekening."

De Raad is gezien het vorenstaande van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.2. Het ligt niet op de weg van de Raad om los van een daarop betrekking hebbend besluit dat geen onderdeel van het geding uitmaakt, antwoord te geven op vragen als door appellant, zoals onder 2 is vermeld, zijn gesteld.

5. Gelet op het vorenstaande en omdat de Raad geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

Q