Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD6378

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
98/2806 AW + 98/2807 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 2001-10-25
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2001-10-25
Algemene wet bestuursrecht 8:1, geldigheid: 2001-10-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/20

Uitspraak

98/2806 AW en 98/2807 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 februari 1998, nrs. AW 96/1127/50, 96/1128/50, 96/2234/50, 96/2792/50 en 96/2793/50, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Vervolgens zijn namens appellant nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 september 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Polak, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.B. de Witte-van den Haak, advocaat te Den Haag.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven feitenoverzicht volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1986 voor 20 uur per week als districtspsychiater werkzaam bij de Districtspsychiatrische Dienst, arrondissement [woonplaats], van het Ministerie van Justitie. Hij werkte in [woonplaats] tevens als vrij gevestigd psychiater. Vanaf 1992 bracht hij in laatstgenoemde hoedanigheid over enkele in een Huis van Bewaring in [woonplaats] verblijvende gedetineerden aan hun advocaat advies uit inzake hun detentiegeschiktheid en verstond hij zich dienaangaande met de Rechter-Commissaris en de districtspsychiater van dat Huis van Bewaring. Appellants leidinggevenden oordeelden dit optreden niet verenigbaar met zijn functie als districtspsychiater, mede vanwege de verwarring die daardoor zou zijn ontstaan. Ook in appellants werkomgeving ontstond hierover onrust. Appellant meldde zich op 1 april 1993 ziek.

1.2. De onstane problemen brachten gedaagde ertoe appellant op 2 april 1993 met onmiddellijke ingang tijdelijk met districtspsychiatrische werkzaamheden buiten het arrondissement [woonplaats] te belasten. Gedaagde beoogde aldus ruimte te creëren om meer zicht te krijgen op de feiten en omstandigheden die tot de ontstane vertrouwenscrisis hadden geleid en met appellant en diens omgeving te bezien of herstel van de verstoorde werkverhoudingen mogelijk was. Appellant heeft tegen dit besluit noch tegen de besluiten tot verlenging van deze tewerkstelling buiten het arrondissement [woonplaats] rechtsmiddelen aangewend.

1.3. In september 1993 heeft een onafhankelijke deskundige op gedaagdes initiatief een bemiddelingspoging ondernomen. Deze deskundige heeft, nadat hem was gebleken dat er geen basis voor het beoogde herstel van vertrouwen was, zijn opdracht teruggegeven. Nadat gedaagde vervolgens zijn voornemen kenbaar had gemaakt om appellant wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken ontslag te verlenen, heeft appellant gedaagde gevraagd een onafhankelijke derde een objectief onderzoek naar alle in geschil zijnde gebeurtenissen te doen instellen. Gedaagde is hierop niet ingegaan. Bij besluit van 16 februari 1994 is appellant overeenkomstig het voornemen ontslag verleend.

1.4. Naar aanleiding van appellants bezwaar tegen dit ontslagbesluit heeft de bezwarenadviescommissie geadviseerd dit besluit in te trekken. Zij achtte van belang dat er tot maart 1993 geen op schrift gestelde gedragsregels waren. Voorts achtte zij onvoldoende gebleken dat appellant bij zijn bezoeken als vrij gevestigd psychiater aan gedetineerden de indruk had gewekt dat hij in zijn functie van districtspsychiater optrad en achtte van belang dat de gebeurtenissen waardoor een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding was ontstaan zich in een korte spanne tijds hadden afgespeeld. Gelet hierop kon niet worden gesteld dat appellant voor zijn functie ongeschikt was.

1.5. Dit advies heeft geleid tot intrekking van het ontslagbesluit bij besluit van 16 september 1994. Gedaagde heeft daarbij tevens laten weten dat het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen het gevolg van appellants optreden en onjuiste handelwijze was, alsmede dat terugkeer naar de Districtspsychiatrische Dienst te [woonplaats] binnen het gehele Hofressort [woonplaats] zo grote samenwerkingsproblemen zou opleveren dat die terugkeer niet mogelijk was.

1.6. Naar aanleiding van de intrekking van het ontslagbesluit heeft appellants gemachtigde bij schrijven van 31 oktober 1994 gevraagd "om gevolg te geven aan cliënts bij voortduring te kennen gegeven verlangen, dat een objectief onderzoek zal worden ingesteld naar de gegrondheid van de door de DCD te [woonplaats] tegen cliënt aangevoerde bezwaren." Aan dit verzoek is opnieuw geen gehoor gegeven.

1.7. Bij brief van 10 april 1995 heeft appellant, onder verwijzing naar de in het besluit van 16 september 1994 gesignaleerde samenwerkingsproblemen en zijn daardoor ontstane gevoelens van frustrerende onmacht, verzocht een commissie in te stellen. Deze commissie zou zijn bekritiseerde handelen in de jaren 1992-1993 moeten onderzoeken opdat de betrokken districtspsychiatrische diensten zich aan de hand van het resultaat van het onderzoek over de mogelijkheid tot samenwerking met appellant zouden kunnen uitlaten. Gedaagde heeft dit verzoek bij brief van 7 augustus 1995 afgewezen (hierna: de afwijzing), de afwijzing bij brief van 3 november 1995 gemotiveerd en het vervolgens tegen de afwijzing gemaakte bezwaar bij het bestreden besluit van 6 februari 1996 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.8. Bij besluit van 10 september 1996 is appellant reorganisatie-ontslag verleend. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.9. Bij de aangevallen uitspraak is op vijf beroepen van appellant beslist. Daarbij is het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de gevraagde onderzoekscommissie ongegrond verklaard.

2. Alleen laatstbedoeld deel van de aangevallen uitspraak wordt - blijkens mededeling ter zitting - in hoger beroep aangevochten. De Raad overweegt terzake als volgt.

3.1. Gedaagde heeft bij zijn brief van 3 november 1995, waarbij de afwijzing is gemotiveerd, meegedeeld geen aanleiding te zien de verzochte onderzoekscommissie in te stellen, nu het verzoek daartoe een reactie vormde op het in het besluit van 16 september 1994 weergegeven standpunt omtrent te verwachten samenwerkingsproblemen in het Hofressort [woonplaats] en het verzoek geen nieuwe feiten bevatte die het instellen van een onderzoekscommissie alsnog gewenst maakten. Gedaagde deelde daarbij voorts mee voornemens te zijn het bezwaar dat appellant inmiddels op 13 september 1995 tegen de afwijzing had gemaakt, niet-ontvankelijk te verklaren. Gedaagde overwoog hiertoe dat de afwijzing onderdeel uitmaakte van de aan herplaatsing of ontslag voorafgaande procedure en daardoor onvoldoende zelfstandige betekenis had om als appellabel besluit te kunnen worden aangemerkt.

3.2. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit een andere benadering gevolgd door het "bezwaar tegen mijn besluit van 7 augustus 1995" ontvankelijk te achten en het ongegrond te verklaren.

3.3. Bij de aangevallen uitspraak is dit standpunt bevestigd. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit de daaraan - gelet op het discretionaire karakter van de uitgeoefende bevoegdheid - aan te leggen terughoudende toets doorstaat.

3.4. In hoger beroep wordt aangevoerd dat er alle aanleiding was een onpartijdig onderzoek in te stellen, gezien de gigantische belangentegenstelling tussen partijen en de ernstige en voortdurende gevolgen voor appellants medische toestand, zolang niet objectief is vastgesteld of hem inderdaad voor het verwetene blaam treft.

4.1. De Raad overweegt ambtshalve dat primair de vraag aan de orde is of het bezwaar tegen de afwijzing terecht ontvankelijk is geacht.

4.2. Namens gedaagde is, desgevraagd, ter zitting dienaangaande het nadere standpunt ingenomen dat de afwijzing geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, maar wel valt aan te merken als een in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb, met een besluit gelijkgestelde andere handeling waarbij appellant als ambtenaar belanghebbende was.

4.3. Namens appellant is, ten antwoord op de vraag naar zijn rechtspositioneel belang bij het instellen van de gevraagde onderzoekscommissie, ter zitting verklaard dat hij, hoewel hij indertijd tegen de bij het besluit van 16 september 1994 aangekondigde herplaatsing geen principieel bezwaar had, het noodzakelijk achtte dat alsnog de juiste toedracht van de feiten in 1992-1993 zou worden vastgesteld, omdat hij destijds zijn positie wilde versterken aangezien hij vanwege de opvattingen in het Hofressort [woonplaats] over de mogelijkheid met hem samen te werken dreigde alsnog te worden ontslagen.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant met zijn verzoek tot het instellen van een onderzoekscommissie beoogde te bereiken dat door de resultaten van een onpartijdig onderzoek in zijn werkomgeving weer het vertrouwen zou ontstaan dat met hem een goede samenwerking mogelijk was, waardoor hij verwachtte het ontslag waarvan het besluit van 16 september 1994 gewag maakte te kunnen voorkomen. Dat oogmerk brengt evenwel niet mee dat appellants (rechtspositioneel) belang rechtstreeks bij de beslissing op zijn verzoek betrokken was. Immers noch door een beslissing om een ontslagbesluit voor te bereiden noch door een beslissing om in dat kader naar de (on)wenselijkheid van ontslag onderzoek te doen of te laten doen, wordt een ambtenaar rechtstreeks in zijn belang als bedoeld in de artikelen 1:2 en 8:1, tweede lid, van de Awb, geraakt. Derhalve wordt een ambtenaar evenmin door een afwijzing van een verzoek als het onderhavige - strekkende tot onderzoek ter voorkoming van een besluit tot ontslag - rechtstreeks in zijn belang geraakt. Reeds daarom is de afwijzing - gelet op artikel 1:3, eerste, tweede en derde lid, in verbinding met artikel 1:2, van de Awb - geen besluit in de zin van de Awb. Vanwege het ontbreken van vorenbedoeld rechtstreeks belang is de afwijzing - gelet op artikel 8:1, tweede lid, in samenhang met eveneens artikel 1:2, van de Awb - evenmin een met een besluit gelijkgestelde appellabele handeling. Dit betekent dat de gerechtvaardigdheid van de afwijzing eerst als onderdeel van de beoordeling van een eventueel op de afwijzing volgend ontslag had kunnen worden beoordeeld.

4.6. Nu tegen de afwijzing derhalve, gelet op artikel 7:1, aanhef, van de Awb, geen bezwaar kon worden gemaakt, kunnen het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - niet in stand blijven en zal de Raad het gemaakte bezwaar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

5. De Raad ziet aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg ten bedrage van ƒ 1.420,- en in hoger beroep ten bedrage van eveneens ƒ 1.420,-. De Raad zal gedaagde tevens opdragen het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Voor een soortgelijke opdracht inzake het in eerste aanleg betaalde griffierecht ziet de Raad geen grond, nu bij de aangevallen uitspraak reeds aan de griffier van de rechtbank is opgedragen dit aan appellant te vergoeden. Derhalve wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard;

Vernietigt dat besluit;

Verklaart het bezwaar tegen de afwijzing van 7 augustus 1995 alsnog niet-ontvankelijk;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal ƒ 2.840,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden het in hoger beroep betaalde griffierecht van ƒ 315,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van Bommel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2001.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A.W.M. van Bommel.

HD

15.10

Q