Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD6321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
99/6059 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 77
Besluit algemene rechtspositie politie 77
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/24
JB 2001/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/6059 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [X.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 27 oktober 1999, nr. 99/269 AW Z SEM, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 juli 2001 is namens appellant een uitspraak overgelegd van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 september 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.P.H. Hendrix, werkzaam bij de politieregio [X.].

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Aan appellant, destijds brigadier bij de regiopolitie [X.], is door gedaagde bij besluit van 24 april 1998 met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Gedaagde heeft dit besluit in hoofdzaak doen steunen op de overweging dat appellant op 6 juni 1997 zonder betaling twee paar panties heeft meegenomen uit een supermarkt, door welke handelwijze appellant blijk heeft gegeven van een volstrekt onjuiste taakopvatting, het risico heeft genomen dat de betrouwbaarheid en de integriteit van het korps worden geschaad en het vertrouwen dat een burger in de politie mag hebben ook daadwerkelijk heeft beschadigd. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar doen maken. Bij het bestreden besluit van 14 januari 1999 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep doen instellen bij de rechtbank, welk beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard.

2. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het gedaagde niet vrijstond aan de hem verweten gedraging het gevolg van een disciplinair strafontslag te verbinden, nu hij ten tijde van het bestreden besluit niet bij strafrechterlijk gewijsde wegens die gedraging was veroordeeld. Van zulk een veroordeling is ook thans nog geen sprake; tegen zijn schuldigverklaring zonder oplegging van straf heeft appellant beroep in cassatie ingesteld. Dat gedaagde op de gedraging het etiket "plichtsverzuim" heeft geplakt, neemt naar de mening van appellant niet weg dat de gedraging - indien deze zou komen vast te staan - een strafbaar feit zou opleveren. Om die reden acht appellant uitsluitend de strafrechter bevoegd in rechte vast te stellen of hij het feit heeft gepleegd en, zo ja, of hij daaraan schuld draagt. Een andere opvatting zou zich volgens appellant niet verdragen met het in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde vermoeden van onschuld en evenmin met het recht op toegang tot de strafrechter, zoals gewaarborgd in artikel 17 van de Grondwet in samenhang met artikel 56 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie.

2.1. De Raad kan appellant in dit betoog niet volgen. Zoals nader uiteengezet in 's Raads uitspraak van 28 april 1994, nr. AW 1991/701 (TAR 1994, 143), berust een strafontslag als hier aan de orde op het voor ambtenaren op grond van hun rechtspositieregeling geldende tuchtrecht, dat geheel betrokken is op en zijn werking uitsluitend heeft binnen de bijzondere arbeidsverhouding tussen de ambtenaar en het overheidslichaam waarbij deze in dienst is. In dit verband behoort het tot de taken en bevoegdheden van het betrokken bestuursorgaan zich in gevallen van vermoedelijk plichtsverzuim - behoudens rechtmatigheidstoetsing door de bestuursrechter - een eigen oordeel te vormen over het antwoord op vragen zoals: of de ambtenaar een bepaalde gedraging heeft verricht, of deze hem kan worden toegerekend, of de gedraging als plichtsverzuim moet worden gekwalificeerd, of disciplinair optreden daartegen gerechtvaardigd is en, zo ja, welke sanctie dient te worden opgelegd. De omstandigheid dat de aan de ambtenaar verweten gedraging mogelijkerwijs tevens een strafbaar feit oplevert, doet aan deze eigen verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan niet af. Tuchtrecht en strafrecht vormen van elkaar te onderscheiden kaders, elk met een eigen invalshoek. Naar nationaal recht kan niet worden staande gehouden dat het bestuursorgaan het (al dan niet definitieve) oordeel van de strafrechter zou moeten afwachten, noch ook dat bij gebreke van strafrechtelijke vervolging een disciplinaire bestraffing zou zijn uitgesloten. Evenmin zijn op de tuchtrechtelijke procedure de strafrechtelijke voorschriften inzake bewijslevering van toepassing; een vereiste voor disciplinaire bestraffing is wel, dat op grond van het geheel aan ter beschikking staande gegevens tot de overtuiging is gekomen dat de ambtenaar de gedraging heeft verricht.

2.2. Niet is gebleken dat bepalingen van internationaal recht in dit geval tot een ander oordeel nopen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat - nog daargelaten de toepasselijkheid van artikel 6 van het EVRM in ambtenarenzaken in het algemeen, gezien het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de mens van 8 december 1999 in de zaak Pellegrin/Frankrijk onder meer weergeven in NJB 2000 p. 277, - een disciplinaire strafoplegging als hier aan de orde niet kan worden aangemerkt als een strafvervolging in de zin van die verdragsbepaling. De Raad verwijst ook in dit verband naar zijn voormelde uitspraak van 28 april 1994. Het beroep van appellant op jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens stuit hierop af. De door hem in het bijzonder aangehaalde arresten van het Hof van 25 maart 1983, Minelli/Zwitserland (NJ 1986/698), en van 10 februari 1995, Allenet de Ribemont/Frankrijk (NJ 1997/523), hebben betrekking op overheidshandelingen in een strafrechtelijke context, die het Hof uitdrukkelijk mede onder strafvervolging in de zin van het EVRM begrepen heeft geacht (zie met name de rechtsoverwegingen 28 onderscheidenlijk 37). Zo'n situatie doet zich hier niet voor.

3. Appellant heeft voorts aangevoerd dat gedaagde bij zijn besluitvorming ten onrechte gebruik heeft gemaakt van processen-verbaal die door de politie met betrekking tot de hem verweten gedraging zijn opgemaakt en die door het Openbaar Ministerie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) aan gedaagde ter beschikking zijn gesteld. Appellant heeft erop gewezen dat de Wob voor deze terbeschikkingstelling geen grondslag bood. Ter ondersteuning van deze stelling heeft hij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2000 no. H01.99.0635 overgelegd. Appellant concludeert hieruit dat het bestreden besluit berust op onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal.

3.1. De Raad deelt deze conclusie van appellant niet. Gedaagde heeft zowel het primaire als het bestreden besluit doen steunen op het proces-verbaal van het Bureau Interne Zaken van de politieregio [X.] van 25 juni 1997, no. BIZ. 97.009. Dit proces-verbaal betreft de resultaten van een intern onderzoek dat is ingesteld in opdracht van de Korpschef van de politieregio, kennelijk (mede) ten behoeve van gedaagde in verband met diens verantwoordelijkheid voor het goede functioneren van het korps en met het oog op eventueel te treffen disciplinaire maatregelen. Niet is in te zien dat het gedaagde niet vrijstond bij zijn besluitvorming van de gegevens uit dit interne onderzoek gebruik te maken. Deze gegevens bevonden zich immers rechtmatig onder berusting van gedaagde.

4. Genoemd proces-verbaal van 25 juni 1997 biedt ook in de ogen van de Raad voldoende grondslag voor het oordeel dat appellant zich op 6 juni 1997 schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedraging en dat zijn verweer - kort samengevat: dat hij de voor zijn dochter bestemde panties uit verstrooidheid in zijn binnenzak had gestoken in plaats van deze in zijn winkelwagentje te deponeren - niet als juist kan worden aanvaard. Wat dit laatste betreft, komt uit verklaringen van ooggetuigen naar voren dat appellant de panties op de grond heeft geworpen toen hij, na de kassa te zijn gepasseerd zonder deze te betalen, plotseling winkelpersoneel op zich zag afkomen. Aannemelijk is dat hij zich betrapt wist en zich om die reden van de panties heeft willen ontdoen. Niet geloofwaardig is zijn verklaring dat hij de panties uit gêne op de grond heeft laten vallen toen hij deze na het afrekenen plotseling in zijn binnenzak voelde; in dat geval had veeleer in de rede gelegen dat hij zich onverwijld tot de kassabediende zou hebben gewend teneinde de panties alsnog af te rekenen.

5. Terecht heeft gedaagde de handelwijze van appellant aangemerkt als plichtsverzuim. Van een politieambtenaar mag immers worden verwacht dat hij zich te allen tijde van gedragingen als de onderhavige onthoudt. Met betrekking tot de vraag of het handelen van appellant hem kan worden toegerekend heeft gedaagde door tussenkomst van de bedrijfsarts een psychiatrisch onderzoek doen instellen. Bij brief van 21 oktober 1997 heeft de bedrijfsarts als uitkomst van zijn onderzoek, aangevuld met het specialistisch onderzoek, gerapporteerd dat zijns inziens bij appellant geen sprake is van een duidelijk verminderde toerekeningsvatbaarheid met betrekking tot het gepleegde feit. Appellant heeft hier slechts tegenover gesteld dat uit getuigenverklaringen valt af te leiden dat hij na het feit een verwarde indruk maakte. De Raad stelt echter vast dat die verklaringen betrekking hebben op de situatie nadat appellant door winkelpersoneel op zijn daad was aangesproken. Aan te nemen valt dat de betrapping bij appellant, mede gezien zijn positie als politieambtenaar, hevige emoties heeft teweeggebracht. Appellant heeft geen medische tegenrapporten of andere verklaringen overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Gedaagde was derhalve tot oplegging van een disciplinaire sanctie bevoegd.

6. Gedaagde heeft van zijn bevoegdheid in die zin gebruik gemaakt, dat hij heeft gekozen voor de zwaarste sanctie. De Raad onderschrijft niet de overweging van de rechtbank die erop neerkomt dat de bestuursrechter de rechtmatigheid van de wijze waarop gedaagde van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt met terughoudendheid dient te beoordelen. Het betreft hier een disciplinaire sanctie, waarvan de bestuursrechter de oplegging vol - en niet terughoudend - op rechtmatigheid toetst. Meer in het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het bestuursorgaan bij het bepalen van de sanctie is gebleven binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel. Met toepassing van deze verbeterde maatstaf komt de Raad evenwel tot geen andere conclusie dan de rechtbank, te weten dat het bestreden besluit de toetsing door de bestuursrechter kan doorstaan. Met gedaagde moet worden geoordeeld dat appellant door zijn handelwijze in zodanige mate inbreuk heeft gemaakt op de integriteit van het korps, alsmede het aanzien van het politie-apparaat en de betrouwbaarheid daarvan in de ogen van het publiek in zodanige mate in gevaar heeft gebracht, dat verwijdering van appellant uit het korps als een niet onevenredige sanctie is te beschouwen.

7. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. Appellant heeft in dit verband gewezen op het eervolle ontslag dat is verleend aan een politieambtenaar die zich tijdens een parlementaire enquête zou hebben schuldig gemaakt aan meineed. In het licht daarvan acht hij het hem verleende strafontslag, waaraan niet het predikaat "eervol" is verbonden, buiten proportie als sanctie op het wegnemen van twee paar panties. De Raad stelt echter, met de rechtbank, vast dat het door appellant genoemde geval zich niet in gedaagdes politieregio heeft afgespeeld en dat een ander bestuursorgaan dan gedaagde voor de gang van zaken in dat geval verantwoordelijk is geweest.

8. De Raad komt derhalve tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak - zij het deels op andere gronden - dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2001.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

08.10

Q