Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD5998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2001
Datum publicatie
22-11-2001
Zaaknummer
99/3189 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4, geldigheid: 2001-10-11
Werkloosheidswet 3, geldigheid: 2001-10-11
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3, geldigheid: 2001-10-11
Ziektewet 3, geldigheid: 2001-10-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2001/295

Uitspraak

99/3189 ALGEM

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], gevestigd te [B.], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Namens appellante is, mr. D.J. de Korte Fb, werkzaam bij WEA Belastingsadviseurs Zeeland, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) van 13 juli 1999 aangegeven gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg onder dagtekening 20 mei 1999 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij brief van 16 december 1999 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 augustus 2001, waar namens appellante is verschenen mr. De Korte, voornoemd. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid laten vertegenwoordigen door mr. H.C.F. Bollen, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.

II. MOTIVERING

De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante exploiteert een fruitteelt- en akkerbouwbedrijf. In het kader van het plukken van het fruit heeft appellante in de jaren 1991 en 1992 in de maand oktober gebruik gemaakt van de diensten [X.] (hierna: [X.]). Appellante was ten tijde in geding met [X.] overeengekomen dat hij met een ploeg arbeiders op een overeengekomen tijdstip in de boomgaard van appellante zou verschijnen teneinde het fruit te plukken. Terzake van deze werkzaamheden heeft [X.] onder de aanduiding "voor U verricht loonwerk" aan appellante in het jaar 1991 een bedrag van f 16.331,-- en in het jaar 1992 een bedrag van f 9.956,-- gefactureerd. Deze bedragen waren afgestemd op de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden.

Gedaagde heeft bij besluit op bezwaar van 16 augustus 1995 de arbeidsverhouding tussen enerzijds [X.] en zijn ploeg arbeiders en anderzijds appellante aangemerkt als een privaatrechteljike dienstbetrekking, die verplichte verzekering ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten meebrengt en waardoor appellante uit dien hoofde over de betalingen verricht aan [X.] premies verschuldigd is. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit de betalingen die appellante aan [X.] heeft gedaan, gebruteerd.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [X.] en de zijnen gelet op de aard van de werkzaamheden zich hadden te gedragen naar de instructies, hoe eenvoudig ook, die appellante aan hen had gegeven. Het feit dat de samenstelling van de werkploeg wisselde, door niet aan een verzoek om te werken gehoor te geven, doet aan het bestaan van een dienstbetrekking niet af. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde op juist gronden heeft gebruteerd.

In hoger beroep wordt namens appellante aangevoerd dat tijdens de behandeling van de bezwaarschriftprocedure appellante nimmer gehoord is, zodat om deze reden het besluit van gedaagde reeds vernietigd dient te worden.

Voorts is betwist dat er sprake was van een dienstbetrekking. De rechtbank gaat volledig voorbij aan het feit dat tussen appellante en [X.] een overeenkomst is gesloten, waarbij [X.] met hulp van een werkploeg voor de pluk bij appellante zou zorgdragen. Het resultaat was hierbij maatgevend. Afgesproken was slechts dat de pluk binnen bepaalde weken zou plaatsvinden. Instructies werden door [X.] gegeven en de voortgang werd door hem gecontroleerd. Aan [X.] vond de betaling op grond van de door hem opgemaakte en verstrekte facturen plaats. Hij zorgde op zijn beurt voor de betaling aan de arbeiders. Voorts regelde [X.] het vervoer van en naar de werkplek bij appellante. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan niet gesproken worden van werkgeversgezag, aangezien appellante geen instructies gaf, noch controle uitoefende.

Het gaat in dit geding primair om de vraag of [X.] met zijn werkploeg die in de jaren 1991 en 1992 voor appellante werkzaam zijn geweest, deze plukwerkzaamheden hebben verricht op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, zodat zij verplicht verzekerd waren ingevolge artikel 3 van de sociale werknemersverzekerings-wetten en dat appellante uit dien hoofde premies ingevolge die wetten verschuldigd was.

De Raad is met de rechtbank van oordeel, dat bovenvermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van de grief dat appellante tijdens de bezwaarschriftprocedure niet is gehoord en dat reeds hierom het besluit vernietigd dient te worden, wijst de Raad op artikel 18a van de Co├Ârdinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV). In dit artikel is bepaald dat in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de belanghebbende in een bezwaarschriftprocedure ten aanzien van een besluit ingevolge deze wet, gehoord wordt op zijn verzoek. Gelet op het bestreden besluit concludeert de Raad dat het bestreden besluit een besluit is in de zin van artikel 11 van de CSV, zodat artikel 18a van de CSV in dit geval van toepassing is. Uit de gedingstukken, met name gedaagdes brief van 24 april 1995 aan appellante, is gebleken dat appellante erop is gewezen dat tijdens de bezwaarschriftprocedure de mogelijkheid bestond tot het houden van een hoorzitting indien appellante daar prijs op stelde. Appellante diende hiertoe een verzoek dat een hoorzitting wenselijk werd geacht bij gedaagde in te dienen. Blijkens het vorenstaande is de Raad van oordeel dat door gedaagde overeenkomstig de van toepassing zijnde bepalingen is gehandeld en dat, nu daartoe van de zijde van appellante geen verzoek is gekomen, door gedaagde op juiste wijze de bezwaarschrift-procedure is afgehandeld, zonder dat er een hoorzitting heeft plaatsgevonden.

Het vorenstaande leidt er toe dat deze grief niet kan slagen.

Met betrekking tot de verzekeringsplicht van [X.] en de werkploeg en de daaruit voortvloeiende plicht van appellante om premies af te dragen overweegt de Raad als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van [X.] en de arbeiders, met appellante. In dit verband wijst de Raad op de ten aanzien van gelegenheidsarbeid gevormde jurisprudentie, waaruit blijkt dat van belang is dat het werk van de gelegenheidsarbeiders een vast en wezenlijk onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering. De Raad is van oordeel dat dit bij appellante het geval is. Immers, appellante heeft een fruitteeltbedrijf waarbij appellante in de jaren 1991 en 1992, in ongeveer dezelfde periode, gebruik heeft gemaakt van de diensten van gelegenheidsarbeiders, zijnde [X.] en een ploeg arbeiders, teneinde zorg te dragen voor de oogst van het fruit. Zij dienden de plukwerkzaamheden te verrichten in een daartoe van tevoren afgesproken periode tegen een vooraf vastgesteld uurloon. Hoewel instructies tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, vanwege het feit dat deze eenvoudig van aard waren, niet direct noodzakelijk waren, zijn deze instructies tevoren via [X.] aan de arbeiders gegeven. Overigens is volgens vaste jurisprudentie van de Raad het niet noodzakelijk dat er aanwijzingen gegeven worden, maar dat de mogelijkheid bestaat om deze te geven. De Raad acht deze mogelijkheid aanwezig. Immers, appellante had aan en via [X.] deze kunnen geven, dan wel had appellante, zoals ter zitting ook is aangegeven, deze elke dag kunnen geven bij oplevering van het fruit, waarbij tevens de voortgang van de werkzaamheden tussen appellante en [X.] werd besproken. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de mogelijkheid tot het geven van aanwijzingen met het oog op de aard en het belang van de werkzaamheden, aanwezig was. Het feit dat appellante de samenstelling van de ploeg arbeiders niet kende noch daar enig zicht op had, doet aan het vorenstaande niet af.

Het werk van [X.] en de arbeiders vormt derhalve een vast en wezenlijk onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering van appellante.

Tevens staat vast dat sprake is geweest van betaling van loon als tegenprestatie voor de verrichte diensten en van persoonlijke dienstverrichting.

Alles overziende, dient onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de Raad in casu het bestaan van werkgeversgezag te worden aangenomen en wordt daarmede aan alle eisen leidende tot een arbeidsovereenkomst en verzekeringsplicht op basis van artikel 3 van de desbetreffende wetten voor de jaren 1991 en 1992 voldaan, zodat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van premieplichtige arbeid. Gedaagde was dan ook bevoegd tot premievaststelling over de jaren 1991 en 1992 over te gaan.

Inzake de toepassing van het anoniementarief deelt de Raad het oordeel van de rechtbank. De Hoge Raad heeft in het arrest van 5 februari 1997, nr. 291, gepubliceerd in RSV 1997/173, geoordeeld dat dit tarief ook in het kader van de vaststelling van de premie werknemersverzekeringen toegepast dient te worden, uiteraard slechts dan indien de omstandigheden daartoe nopen. Aangezien uit de gedingstukken naar voren komt dat appellante de personen van de arbeiders niet kende en daarvan geen administratie heeft bijgehouden, is de Raad van oordeel dat appellante betalingen heeft gedaan aan (anonieme) arbeiders onder omstandigheden die verhaal op de arbeiders van de ten onrechte achterwege gebleven inhoudingen bij voorbaat uitsluiten. Derhalve is gedaagde terecht tot brutering met het anoniementarief overgegaan.

Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Derhalve wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2001.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.H. Vogt.

AP0210