Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD5252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
99/1955 AW en 99/2120 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-E18, geldigheid: 2001-10-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/1955 AW en 99/2120 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente B., hierna te noemen: het College,

en

[A.], wonende te [B.], hierna te noemen: betrokkene.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Het College en betrokkene hebben op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld, respectievelijk doen instellen tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 19 maart 1999, nr. AWB 98/666 AW V02, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het College en betrokkene hebben over en weer een verweerschrift ingediend, respectievelijk doen indienen.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2000. Aldaar heeft het College zich doen vertegenwoordigen door

mr. M.J. Kragten, werkzaam bij de gemeente Groningen, en is betrokkene in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. L. Rijpkema, advocaat te Groningen, als zijn raadsman.

Het onderzoek is heropend. De Raad heeft inlichtingen verzocht aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Op de namens deze minister verstrekte inlichtingen hebben beide partijen schriftelijk gereageerd. De Raad heeft voornoemde minister verzocht zijn zienswijze kenbaar te maken op de reacties van partijen. Op het antwoord van de minister is namens beide partijen schriftelijk gereageerd.

Beide partijen hebben desgevraagd toestemming verleend tot een beslissing te komen zonder nadere behandeling ter zitting.

II. MOTIVERING

1.1. Aan betrokkene, die als groepsleerkracht in vaste dienst aan de [X.], een zogenoemde LOM-school, sedert 1 augustus 1994 ziekteverlof genoot, is bij besluit van 11 december 1997 met ingang van 1 januari 1998 eervol ontslag verleend. Bij het thans in geding zijnde, door betrokkene bestreden besluit op bezwaar van 16 juni 1998 is betrokkenes bezwaar ongegrond verklaard en is het ontslag gehandhaafd onder verwijzing naar artikel II-D3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (hierna: RpbO) en artikel 20 van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeids- ongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (hierna: BZA).

1.2. Bij de aangevallen uitspraak is, onder gegrondverklaring van het beroep, het besluit van 16 juni 1998 vernietigd met bepalingen over griffierecht en proceskosten.

1.3. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene ten tijde van het ontslagbesluit op grond van ziekten of gebreken was geraakt in een toestand van blijvende ongeschiktheid om aan de aan zijn functie gestelde vereisten te voldoen, dat deze blijvende ongeschiktheid onafgebroken 2 jaar had geduurd en dat herstel binnen een periode van 6 maanden na deze 2 jaar redelijkerwijs niet te verwachten was. Hiermee was voldaan aan het bepaalde in artikel 20, tweede lid, aanhef en onder a en b, van het BZA.

2.1. Het College is van oordeel dat met "bevoegd gezag" in het BZA alleen bedoeld is het bevoegd gezag als schoolbestuur, hetgeen meebrengt dat het herplaatsingsonderzoek zich mag beperken tot functies aan onderwijsinstellingen. Het College wijst daartoe (primair) onder meer op het bepaalde in het inmiddels vervallen artikel I-E18, vierde lid, van het RpbO, en de omstandigheid dat bij de invoering van het BZA niet duidelijk is gemaakt dat er werd afgeweken van hetgeen ten aanzien van de herplaatsingsinspanningen vóór de invoering van het BZA gold. Subsidiair is het College van oordeel dat het BZA, althans voor zover hierin is neergelegd dat het herplaatsingsonderzoek zich mede dient uit te strekken buiten onderwijsinstellingen, onverbindend is.

2.2. Betrokkene ziet evenals de rechtbank in artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, van het BZA een verplichting voor het College om binnen zijn gehele gezagsbereik, en derhalve ook buiten het onderwijs, onderzoek naar herplaatsings- mogelijkheden van betrokkene in te stellen. Betrokkene wijst hiertoe op de definitie van bevoegd gezag in artikel 1, aanhef en onder d, van het BZA, inhoudende ten aanzien van een gemeentelijke instelling, voor zover hier van belang: het college van burgemeester en wethouders, naar het bepaalde in artikel 11 van het BZA en het gegeven dat met het BZA een markt-conforme regeling werd beoogd waarbij doorgaans een ruime herplaatsingsverplichting van de werkgever geldt.

2.3. De Raad overweegt het navolgende.

2.3.1. In het toenmalige artikel I-E18 van het RpbO zijn bij Besluit van 30 november 1993, Stb. 696, onder de vigeur van het vóór de invoering van het BZA geldende stelsel van bepalingen met betrekking tot ontslag wegens ziekte, voorschriften opgenomen die strekken tot een herbenoemingsplicht van het bevoegd gezag voor de situatie waarin de leerkracht ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet herplaatsbaar was verklaard voor de eigen betrekking onder andere voorwaarden dan wel voor een andere functie. De plicht tot herbenoeming in een andere functie was hierbij beperkt tot functies aan onderwijsinstellingen van het bevoegd gezag. Deze bepalingen hebben gegolden totdat per 1 januari 1996 het BZA is ingevoerd.

2.3.2. In de Nota van Toelichting bij het BZA is aangegeven dat in de bestaande bepalingen inzake ziekte en arbeids- ongeschiktheid slechts wijzigingen zijn neergelegd voorzover daartoe in het tussen de minister, de werkgeversorganisaties en de werknemersorganisaties gesloten onderhandelingsaccoord van 14 september 1994, zoals nader gewijzigd, uitdrukkelijk is overeengekomen. In het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen overgelegde voornoemde onderhandelingsaccoord heeft de Raad geen aanwijzing gevonden voor een oogmerk om de onderzoeksverplichting van artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, van het BZA en de daarmee gepaard gaande herbenoemingsverplichting van artikel 20, achtste lid, van het BZA te doen uitbreiden naar potentiële functies buiten de onderwijsinstellingen.

Aan de door betrokkene genoemde passage in de Nota van Toelichting over de beoogde ruime interpretatie van reële herplaatsingsmogelijkheden kan de Raad evenmin een zodanige uitbreiding ontlenen, aangezien deze passage is opgenomen als toelichting op artikel 20, zesde lid, van het BZA, waarin nader is bepaald dat gedurende het eerste ziektejaar gezocht dient te worden naar passende functies en daarna naar functies met gangbare arbeid.

2.3.3. Gelet op het ingrijpende karakter van een verdergaande herbenoemingsverplichting dan in artikel I-E18 van het RpbO lag besloten, althans voor de bestuursorganen als het College die mede als bevoegd gezag gelden van een ander ambtelijk apparaat dan (een) onderwijsinstelling(en), is de Raad van oordeel dat indien een dergelijke wijziging zou zijn beoogd, zulks zo al niet uit de Nota van Toelichting, dan toch in ieder geval uit bedoeld onderhandelingsaccoord zou moeten blijken.

2.3.4. De Raad moet derhalve concluderen dat het bij de invoering van het BZA kennelijk de bedoeling is geweest om de onderzoeks- en herbenoemingsverplichting niet verder te laten strekken dan tot functies aan onderwijsinstellingen van het bevoegde gezag van de betreffende medewerker. De Raad heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de gelden waaruit het onderwijs wordt gefinancierd geheel gescheiden zijn van de gelden waaruit het gemeentelijk apparaat wordt bekostigd en dat het BZA tot stand is gekomen als een specifieke onderwijsregeling.

2.3.5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het door betrokkene bestreden besluit ten onrechte in dit opzicht in strijd met het BZA heeft geacht.

3.1. Met betrekking tot het bestreden besluit overweegt de Raad, naar aanleiding van de grieven van betrokkene in beroep en in hoger beroep, het volgende.

3.2. Het College heeft bij het nemen van het (primaire) ontslagbesluit niet het oordeel van het FAOP als bedoeld in artikel 20, zevende lid, van het BZA betrokken, aangezien het FAOP niet had gereageerd op een daarop gericht verzoek van het College. Tijdens de bezwaarprocedure is, blijkens een notitie van de secretaris van de Ambtelijke commissie voor de beroep- en de bezwaarschriften, van de zijde van het FAOP desgevraagd telefonisch kenbaar gemaakt dat akkoord werd gegaan met het herplaatsingsonderzoek.

3.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, mede in verband met het ontbreken van een voorschrift over de wijze waarop het oordeel als bedoeld in artikel 20, zevende lid, van het BZA moet worden gegeven, het gebrek dat kleeft aan het primaire ontslagbesluit afdoende gecorrigeerd geacht.

3.4.1. De Raad stelt voorop dat het uit een oogpunt van inzichtelijkheid en controleer-baarheid aangewezen is dat het oordeel van het FAOP in een geschrift van of namens het FAOP wordt neergelegd. Hoewel in casu een zodanig geschrift ontbreekt, kan de Raad de niet nader geadstrueerde twijfel van betrokkene over de juistheid van de weergave van de telefoonnotitie niet delen. De in overleg met twee medewerkers van de USZO (namens het FAOP) in juni 1997 afgesproken en kort nadien aangevangen reïntegratie van betrokkene, bestaande uit het volgen van twee modules loopbaanorientatie, die gevolgd zouden worden door actieve bemiddeling naar functies, rekening houdend met de uitkomst van genoemde modules, vormt voor de Raad voldoende grond om de akkoordbevinding van het FAOP met het herplaatsingsonderzoek van betrokkene aannemelijk te achten.

3.4.2. Aangezien het College het hiervoor weergegeven oordeel van de zijde van het FAOP heeft betrokken bij zijn besluit van 16 juni 1998 en - gelet op de inhoud van dat oordeel - niet ingezien kan worden dat betrokkene benadeeld is door het (te) late tijdstip waarop toepassing is gegeven aan artikel 20, zevende lid, van het BZA, ziet de Raad in de aldus opgetreden vertraging geen grond om het besluit van 16 juni 1998 niet in stand te laten.

4.1. Op grond van het vorenstaande concludeert de Raad dat het in geding zijnde besluit van 16 juni 1998 in rechte stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden.

4.2. Aangezien de Raad tenslotte geen termen ziet om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

08.10