Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AD5002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2001
Datum publicatie
09-10-2002
Zaaknummer
00/6136 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit premiedifferentiatie WAO 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2001/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6136 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[X.] B.V., gevestigd te [Y.], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 29 september 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante gericht tegen het primaire besluit van 7 december 1998, waarbij de gedifferentieerde WAO-premie over 1999 werd vastgesteld op 1,84%.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 11 oktober 2000 ongegrond verklaard.

Appellante heeft bij schrijven van 20 november 2000 hoger beroep ingesteld en de gronden van het hoger beroep aangevoerd.

Gedaagde heeft bij schrijven van 21 februari 2001 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juni 2001, waar namens appellante is verschenen A. van Zwienen, werkzaam bij Accountantskantoor Van Zwienen, en [A.], directeur van appellante. Namens gedaagde is verschenen W.F.K. ter Hennepe, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.

II. MOTIVERING

Aan de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 1999 ligt het standpunt van gedaagde ten grondslag dat in casu sprake is geweest van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662, aanhef en onder b, (voorheen: 7A:1639aa) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en dat derhalve artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit premiedifferentiatie WAO (hierna: het Besluit) van toepassing is. Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit bepaalt dat arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn of worden toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, toegerekend worden aan de werkgever die de onderneming verkrijgt. Volgens gedaagde dient op grond van deze bepaling de in 1997 aan [B.] betaalde WAO-uitkering, hoewel hij op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid niet in dienst was bij appellante maar bij de werkgever die zijn onderneming in augustus 1998 aan appellante heeft overgedragen, in haar geheel te worden meegenomen bij de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie van appellante voor het jaar 1999.

De rechtbank heeft dit standpunt bij de aangevallen uitspraak onderschreven en het ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep voert appellante aan dat er geen sprake is van een overname, omdat er geen aandelenoverdracht heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de overdragende partij geen goodwill bedongen. Verder zijn alle lopende zaken door de overdragende partij zelf afgewikkeld en is nooit gebruik gemaakt van het relatiebestand van de overdragende partij. Volgens appellante heeft gedaagde door het toekennen van een nieuw aansluitnummer expliciet toegegeven ook van oordeel te zijn dat hier sprake is van een nieuwe onderneming. Voorts voert appellante aan dat er nooit wilsovereenstemming is geweest om het bedrijf over te nemen. Tenslotte merkt appellante nog op dat het personeel uit eigen verkiezing bij appellante in dienst is getreden.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 7:662, aanhef en onder b, van het BW wordt onder overgang van onderneming verstaan: overgang van een onderneming of een onderdeel daarvan ten gevolge van een overeenkomst, zoals een overeenkomst tot verkoop, verhuur, verpachting of uitgifte in vruchtgebruik. Blijkens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is voor het antwoord op de vraag of sprake is van overgang van onderneming of een onderdeel daarvan van belang of de identiteit van de overgedragen onderneming is behouden (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 18 maart 1986, NJ 1987, 502, HR 18 januari 1985 respectievelijk 13 februari 1987, NJ 1987, 501 en 503). De identiteit van de overgedragen onderneming blijft behouden indien de exploitatie in feite wordt voortgezet of na een korte periode van oponthoud wordt hervat. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van overgang van onderneming, dient in het kader van identiteitsbehoud tevens te worden gelet op de feiten en omstandigheden die kenmerkend zijn voor de overgang, zoals de aard van de betrokken onderneming, het feit dat de bedrijfsmiddelen al dan niet zijn overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, het feit dat de klantenkring al dan niet wordt overgedragen, het feit dat nagenoeg al het personeel wordt overgenomen, de mate waarin de bedrijfsactiviteiten voor en na de overdracht gelijk zijn en de duur van de eventuele onderbreking van die activiteiten. Deze aspecten worden niet afzonderlijk beoordeeld, maar moeten een globaal totaalbeeld opleveren dat antwoord geeft op de vraag of er sprake is van overgang van onderneming.

In het onderhavige geval is per 24 augustus 1998 het voltallige personeel van [X.] B.V. in dienst gekomen van een nieuwe besloten vennootschap in oprichting. Voorts heeft de nieuwe vennootschap in oprichting de voorraden, de gereedschappen en de bedrijfsauto's van de oude onderneming gekocht. Tevens heeft de nieuwe vennootschap zich gevestigd in het bedrijfspand van de oude onderneming. Per 2 oktober 1998 is [X.] B.V. statutair gewijzigd in [Z.] B.V. Op 4 november 1998 is de nieuwe vennootschap [X.] B.V. (appellante) ingeschreven in het Handelsregister. Gelet op al deze feiten en omstandigheden, is de Raad van oordeel dat de vraag of in het onderhavige geval sprake is van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van het BW bevestigend dient te worden beantwoord. Daaruit blijkt immers dat de bedrijfsactiviteiten onder de naam van de oude onderneming vanuit het bedrijfspand met de bedrijfsmiddelen en het personeel van de oude onderneming zijn voortgezet. De door appellante aangevoerde argumenten dat er geen goodwill zou zijn bedongen en geen gebruik zou worden gemaakt van het relatiebestand van de oude onderneming leveren in onderling verband met voornoemde feiten en omstandigheden naar het oordeel van de Raad niet het beeld op dat de identiteit van de overgedragen onderneming zou zijn gewijzigd.

Aangezien aan de in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit opgenomen voorwaarde van overgang van onderneming is voldaan, is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit en derhalve terecht de in 1997 aan [B.] betaalde WAO-uitkering bij de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 1999 aan appellante heeft toegerekend.

Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep faalt en deswege de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2001.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.H. Vogt.

JdB

0607